Ingehuurde monnik

Onlangs ontmoette ik een student in de theologie. Zijn hoofd veroorzaakte rinkelende belletjes in het mijne. Hij leek op een oud-leerling, maar was dat niet. Ik vroeg hem of hij een broer was van een flamboyante verschijning aan wie ik weleens mijn excuses heb aangeboden. Hij keek me vragend aan en sprak: „Maar hoort dat niet andersom, dat een leerling excuses aanbiedt aan een docent?” Misschien meestentijds wel, maar ik had iets gedaan wat ik van mijn levensdagen niet meer zou doen.

De leerling, laten we hem Joey noemen, was enigszins gecompliceerd, aldus het fijnzinnige oordeel van vele collegae. Veertien jaar, ietwat met de neus in de lucht lopend en een air van: wacht maar, later zullen jullie dankbaar zijn dat je verwaardigd was mij les te mogen geven. Kortom, een zelfbewuste puber.

Zijn verfrissende gevatheid trachtte ik te beantwoorden met bijna gelijkwaardige welsprekende hoogstandjes. De ingewikkelde confrontaties ging ik, als veelal blijmoedige docent, niet uit de weg.

Toch was ik die dag –nog wel in de etenspauze– ontzettend boos op hem. We lazen een gedeelte uit Psalm 119. Hij presteerde het om in twee minuten twee keer te praten tijdens het lezen. Nu kan ik dat al slecht waarderen tijdens mijn uitleg van fantastische economische theorieën, laat staan bij een Schriftlezing. Ik was zo boos dat ik hem de opdracht gaf de hele 119e psalm over te schrijven. „Dat kunt u niet maken, dan moet ik een monnik inhuren”, probeerde hij nog. Ik bleef onvermurwbaar. Wie zijn achterwerk brandt, wordt geconfronteerd met blaren.

Toch had ik er geen vrede mee. Ik werd als dwalende onderwijzer op het rechte spoor gezet: de verontwaardiging was terecht, de straf niet. Het laatste wat ik wilde, was dat deze leerling door mij een hekel zou gaan krijgen aan het Woord van God.

Joey bracht me zijn strafwerk. Met schroom heb ik hem mijn excuses aangeboden. Uitgelegd waar de toedracht mij toe bracht, maar deze straf had ik nooit mogen geven. En… Joey aanvaardde dit. Vergevingsgezind, zoals veel Driestarleerlingen zijn.

Al met al is onderwijs geven niet gemakkelijk. Mocht u verwacht hebben columns voorgeschoteld te krijgen van een volmaakte docent, dan moet ik u helaas teleurstellen. Het blijft oefenen, met vallen én opstaan. Soms vallen leerlingen mij tegen, soms(?) val ik hun tegen. Blootshoofds doch goedgemutst ploeter ik verder. Getroost door Augustinus’ uitleg van 2 Korinthe 9:7. God heeft een blijmoedige gever van onderwijs lief.