Hogerop met de mulo

beeld RD
4

„Je wist wel iets als je van de mulo kwam”, zo roemt veelschrijver Wim Daniëls de brede algemene ontwikkeling van de mulo. Massa’s bekende en minder bekende Nederlanders werden op deze scholen gevormd. In zijn boek ”De mulo” schrijft Daniëls met spijt in zijn pen dat deze onderwijsvorm wel nooit meer terug zal keren.

Daniëls (64) zat op de Henricus Ulo in Helmond. Ulo betekent uitgebreid lager onderwijs, maar de scholen waar men dit onderwijs volgde werden door vrijwel iedereen mulo genoemd. Daarbij staat de ”m” voor meer. Dus zat Daniëls op de mulo.

De mulo was tot 1968 een heel gangbare opleiding in Nederland. In 1960 telde de mulo meer leerlingen dan elke andere opleiding die een vervolg was op de lagere school. En in 1965 zwoegden 54.000 leerlingen op hun mulo-examen. Met de invoering van de Mammoetwet in 1968 kwam er een einde aan de mulo.

Babyboomers die nu net een paar jaar met pensioen zijn kunnen met passie of afkeer vertellen over hun mulotijd. Niet zelden komt naar voren in hoeveel schoolvakken ze examen hebben gedaan: „Wel veertien vakken.” „En een middenstandsdiploma!”

Anekdotisch

Daniëls heeft zijn verhaal over de mulo in Helmond geboekstaafd. Toch is ”De mulo” veel meer dan het verhaal over Daniëls’ schooljeugd. In zijn boek over wat de schrijver „de carrièreschool van het gewone volk” noemt komt de roerige geschiedenis vanaf het ontstaan van de mulo in 1857 tot leven.

Daniëls ondersteunt zijn verhaal met cijfers en citaten uit dagbladen en andere bronnen. Het is daarbij niet zijn doel de mulohistorie uitputtend te beschrijven. De stijl van de schrijver is anekdotisch en associatief.

De bronnen die Daniëls raadpleegt zijn heel divers. In grijs gemarkeerde tekstvakken staan herinneringen van Tanja van Leeuwen en andere mulogangers of een verhaaltje over scholen in Hoorn van de historische vereniging Oud Hoorn. Foto’s tonen Daniëls’ klas van vroeger of een reclameaffiche van de PTT om mulo’ers te werven. ”De mulo” is daarmee echt een fijn lees- en kijkboek.

Bij de lagere school in

Dat de mulo in de beginjaren daadwerkelijk een meer uitgebreide lagere school was, blijkt wel uit het feit dat de opleiding soms maar één jaar extra na de zesde klas omvatte. Het kwam vaak voor dat de muloafdeling in hetzelfde gebouw als de lagere school zat. Er waren geen vakdocenten, maar leraren gaven veel verschillende vakken.

Van meet af aan viel de mulo in een ander segment dan de hogere burgerscholen en gymnasia. Hij bleef ”lager onderwijs” heten. De mulo bood vooral ruimte aan arbeiderskinderen. De schoolsoort was in de ogen van minister Kappeyne van de Coppello vlees noch vis, een vreemde vermenging van lager en middelbaar onderwijs. Hij beschouwde het als een concurrent van de driejarige hbs. In 1878 besloot de minister de mulo af te schaffen. Maar daarmee waren al de scholen waar leerlingen dagelijks onderwijs genoten nog niet gesloten.

Eindelijk erkend

Tijdens de periode dat de mulo door de overheid niet erkend werd, groeiden de scholen juist. Bijzonder, want overheidsgeld kregen ze niet. Een algemene, een christelijke en een katholieke mulovereniging ondersteunden het onderwijs. Ze richtten nieuwe scholen op. In 1907 voerden ze zelfs een mulo-examen in. Dat deze scholen zo veel furore maakten leidde ertoe dat politiek Den Haag ze in 1916 weer erkende.

De mulo’s bleven wel onder de Lager Onderwijswet vallen. Leerlingen hadden van deze formele status waarschijnlijk niet zo veel in de gaten. Maar leraren merkten het onderscheid met het officiële middelbaar onderwijs wel aan hun salaris.

Hogerop

Daniëls laat in zijn boek zien dat de mulo het volk verhief. „Kreeg je de kans om de mulo te volgen, dan lagen er andere mogelijkheden in het verschiet dan arbeider te worden. De mulo bood een opening die er voordien nooit was geweest voor de kinderen van de werkende klasse en de kleine middenstand”, schrijft hij. De hbs was ook te duur voor arbeiderskinderen.

Het gevolg van deze indeling op basis van het inkomen van de ouders was wel dat de vraag of iemand mulo of hbs had gedaan niet altijd evenveel zei over het vermogen tot leren. Niet vrij van trots en nostalgie meldt de schrijver dat het muloniveau hoog was. „Door de vaak te lage adviezen die onderwijzers aan arbeiderskinderen gaven, zaten er op de mulo nogal wat leerlingen die goed konden leren. Het onderwijs werd daar deels op afgestemd. Men schaalde het op.”

Veelzeggend is dan ook het feit dat de mulo drie ministers-presidenten leverde: Jelle Zijlstra, Barend Biesheuvel en Wim Kok. Kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven was een mulomeisje. Nel Benschop en Jan Siebelink volgden de mulo. Namen die erop wijzen dat de mulo wellicht toch een wat andere opleiding was dan de latere mavo of het vmbo nu.

Doorstromen

Na ruim honderd jaar voortdurende groei kwam in 1968 met de invoering van de Mammoetwet het besluit dat de mulo mavo moest worden. Het betekende voor de opleiding het einde van de wat wonderlijke status van ”lager onderwijs”. En het was het begin van betere doorstroommogelijkheden: na de mavo konden leerlingen gemakkelijker door naar het hoger algemeen voortgezet onderwijs (de havo).

Een belangrijk onderscheid tussen de mulo en de mavo was dat mavoleerlingen in bijna de helft minder vakken examen deden dan mulo-examenkandidaten. In een weemoedig getinte nabeschouwing schrijft Daniëls: „Iets van de kern of de kracht van de mulo had wellicht beter bewaard mogen worden, en dan vooral de focus op een brede algemene ontwikkeling.”

„Je verrookt je verstand”

Marius Nieuwenhuis (72) zat van 1958 tot 1962 op de Gereformeerde ULO-school in Lisse, kortweg de mulo. „Natuurlijk, als je zo tussen de twaalf en de zestien bent deugt er niets, dus ik schopte er toen weleens tegen aan. Maar achteraf zeg ik: Ik heb er een goede tijd gehad. Het was een klein schooltje met maar tachtig leerlingen, verdeeld over vier klassen. Op m’n examen had ik zestien vakken, tot en met tekenen aan toe.

In Lisse was ook een hervormde mulo, net zo klein als de gereformeerde mulo. De mulo waar ik op zat was echt een gergemschooltje. Drie van de vier leraren waren lid van de Gereformeerde Gemeenten. De andere leraar, Schaeffer, kerkte bij de gereformeerd-vrijgemaakten. Die waren in die tijd nog heel streng rechts. De eerste twee jaar leerden we de catechismus. Dat reformatorische van de school klonk in elk vak door. De lessen werden ’s morgens begonnen met gebed, en voordat we voor onze boterhammen naar huis gingen werd er weer gebeden. Ook de middag werd geopend en besloten met dankgebed.

Er waren vier leraren voor de hele school. Ze gaven allemaal meerdere vakken. Ik had het meeste plezier in natuurkunde, meetkunde en algebra, de vakken die het hoofd van de school, Segers, gaf. Als zoon van een bollenteler sprak me dat wel aan. Rekenen was een hobby van me. Ik heb daar later in de bollenteelt veel gemak van gehad. Ik moest als bollenteler vaak berekeningen maken vanuit vierkante meters naar Rijnlandse roeden om uit te rekenen hoeveel bollen er geplant waren op een perceel.

Als je naar de mulo ging, ging je roken. „Je verrookt je verstand”, zei leraar De Jonge dan tegen ons als hij ons met een sigaretje betrapte. Het was ook de tijd waarin de auto’s voor het eerst moesten stoppen voor voetgangers op een zebrapad. Voor onze school, op de Gladiolenstraat, was ook zo’n pad. Dat moesten we uitproberen natuurlijk. De eerste auto bij het zebrapad stopte meteen voor ons, maar die erachter klapte op de auto die stopte.”