Een goede relatie, ook met die lastige leerling

Dr. Helma Koomen op haar werkplek op de afdeling pedagogiek, onderwijskunde en lerarenopleiding van de Universiteit van Amsterdam.  beeld RD, Henk Visscher

Goed gedrag

Met tegenzin naar school omdat je daar die ene lastige leerling weer zult treffen. Talloze onderwijsmensen worstelen ermee. Universitair hoofddocent dr. Helma Koomen onderzocht de problematiek. „Verandering begint al door je als leerkracht af te vragen hoe de leerling een conflict ervaren heeft.”

Het uitzicht vanuit haar kamer op de achtste verdieping van het Roeterseilandcomplex van de Universiteit van Amsterdam is prachtig. De Nieuwe Achtergracht strekt zich uit richting het Rijksmuseum. Eén vraag is genoeg om universitair hoofddocent pedagogische en onderwijswetenschappen Koomen minstens een halfuur aan het praten te krijgen over haar vakgebied: de persoonlijke relatie tussen leraren en leerlingen.

Die ene vraag ging over een voorbeeld waarover leerkracht Paul Schipaanboord van basisschool De Zandbaan in Rilland vertelde in het vorige deel van deze serie artikelen over gedrag (RD 24-4). Hij herinnerde zich een leerling met hechtingsproblemen die ondanks de goede sfeer in de klas onvoorspelbaar gedrag vertoonde. „Ook de klasgenootjes van dat kind liepen op hun tenen. Toen die leerling door verhuizing vertrok, zagen we dat alle kinderen zich weer ontspanden.” Ook bij de leerkracht zelf heeft deze situatie veel stress veroorzaakt.

Relatiebehoeftig

Het voorbeeld laat volgens Koomen zien dat mensen in het onderwijs relatiebehoeftig zijn. „Een leerkracht wil graag met iedere leerling een goede relatie hebben. Als dat goed gaat, geeft dat de meeste bevrediging en het meeste plezier. Maar als er een slechte, conflictvolle relatie is, veroorzaakt dat tegelijkertijd de meeste stress, omdat het professioneel handelen in dit soort situaties raakt aan het persoonlijk beleven wie jij als mens bent.

Als een rekenles een keer niet goed gaat, kan een leerkracht dat makkelijk van zich af laten glijden. Maar als er iedere keer een conflict ontstaat met een leerling, zou de man of vrouw voor de klas kunnen denken dat hij of zij geen goede leerkracht is. Dat hij of zij faalt. En dat blijft knagen.

Daarom is het aantal burn-outs in het onderwijs en in de zorg het hoogst, omdat het in die vakgebieden draait om relaties. Dan kan een leerkracht heel stoer zeggen dat hij met het sluiten van de schooldeur ook alle problemen op school laat, maar negen van de tien keer denkt een leerkracht ook thuis nog aan de leerling met wie hij een slechte relatie heeft.”

Onveilig gehecht

Een goede band krijgen met een kind met hechtingsproblemen zoals in het voorbeeld van Schipaanboord is echter heel moeilijk. „Zo’n kind kan niet geven wat de leerkracht van hem of haar verwacht. Het heeft altijd met verknipte relaties te maken gehad en kan zich dus niet openstellen voor de leerkracht. Probeer het als leerkracht dan niet langer via de affectieve weg, maar blijf het kind wel positief benaderen, bijvoorbeeld door het positief te belonen of door het meer zelfstandigheid te geven, zodat het toch positieve ervaringen bij jou opdoet. Vraag jezelf als leerkracht bij zo’n onveilig gehecht kind af: met welke behoefte ben ik nu bezig, met die van de leerling of die van mijzelf?”

Met alle andere kinderen die gedragsproblemen vertonen, is investeren in een goede persoonlijke relatie juist hét middel om conflicten te voorkomen, zegt Koomen. „Ook met die leerling die agressief gedrag vertoont.”

Geaccepteerd

Kinderen met ADHD-verschijnselen worden volgens Koomen eerder door leerkrachten geaccepteerd dan kinderen met agressief gedrag. „Bij een ADHD’er denkt de leerkracht: Die kan daar niets aan doen. Hij heeft gewoon veel energie en dat moet eruit. Maar als een kind schopt en slaat, denkt de leerkracht al snel dat er iets gemeens in dat kind zit. Maar waarschijnlijk kan hij of zij dat ook niet binnenhouden, net als die ADHD’er.”

De kunst is dus om als leerkracht de behoefte van het kind achter dat moeilijke gedrag te vinden. Dat lukt alleen door je in het perspectief van het kind te verdiepen en bijvoorbeeld regelmatig een-op-eengesprekken te voeren. „Veel leerkrachten zullen bang zijn om die gesprekken aan te gaan, maar wat heb je te verliezen? Bovendien is gebleken dat veel lastige kinderen in een-op-eengesprekken best willen vertellen hoe het komt dat ze zo lastig zijn. Daar zijn ze heel open over.

Als de leerling ziet dat jij als leerkracht in hem investeert, gaat hij zich niet alleen veiliger voelen, maar wil hij ook overnemen wat jij als leerkracht belangrijk vindt. Hoe sterker de relatie met een kind is, hoe moeilijker het voor het kind wordt om verkeerd gedrag te vertonen.”

Negatieve spiraal

Het doorbreken van de negatieve spiraal heeft een driedubbele uitwerking: de leerkracht heeft niet langer het gevoel dat hij faalt, de leerling kan zich ontwikkelen en de medeleerlingen gaan positiever naar hun medeleerling kijken en zullen hem vaker betrekken bij het spel op het plein.

De directie van een school kan een leerkracht met zo’n kind met gedragsproblemen helpen door hem in staat te stellen een-op-eengesprekken te voeren, bijvoorbeeld door iemand anders even de rest van de klas te laten begeleiden. Ook door goed klassenmanagement kan ruimte gemaakt worden voor zulke gesprekken.

Coaching

Eén schoolbegeleidingsdienst biedt inmiddels door Koomen en collega’s ontwikkelde methoden aan om vastgelopen relaties tussen leerkracht en leerling te verbeteren. Het gaat dan om de Leerkracht-Leerling Interactiegerichte Coaching (LLInC), die begint met het Leerkracht Relatie Interview (LRI).

„Via zo’n LRI spraken we onlangs een leerkracht die er sterk over dacht om eerder met pensioen te gaan, omdat hij helemaal vastgelopen was met een bepaalde leerling. We vragen dan veel naar de feiten: wat gebeurde er precies? Maar ook: hoe voelde jij je op dat moment? En hoe denk je dat de leerling zich voelde?

Het nadenken over die laatste vraag is vaak het begin van herstel van de relatie en de leerkracht gaat zich competenter voelen. Uiteindelijk lukte het deze leerkracht toch weer plezier in zijn werk te krijgen en zijn pensioen nog even uit te stellen.”

Dit is het vierde en laatste deel van een serie over gedrag van jongeren in het les- en catechisatielokaal.

>>rd.nl/goedgedrag

„Ken de namen van catechisanten”

Het is niet verwonderlijk dat Koomen zich helemaal kan vinden in de stelling van jeugdouderling Baars uit Dordrecht (RD 17-4) dat de sleutel voor een goede catechese het opbouwen van een goede relatie met de catechisanten is. „Uit onderzoek is gebleken dat die goede relatie bij jongeren tussen de 12 en de 20 jaar nog belangrijker is voor onder andere de leerprestaties dan bij kinderen van de basisschool. Als een jongere ongeïnteresseerd in zijn stoel hangt, geeft hij daar een signaal mee af: ik wil gezien worden.”

Dat gezien worden begint met het kennen van alle namen van de catechisanten. „Probeer die zo snel mogelijk onder de knie te krijgen. Een jongere kan positief verrast zijn als hij ontdekt dat jij je best doet om zijn naam te onthouden. En dat jij geïnteresseerd bent in wie hij is, wat hij doet en waar hij mee worstelt.

Ook al staat het mijlenver bij je lesstof vandaan, probeer te ontdekken waar de jongeren mee zitten, welke vragen ze hebben. En laat ook gerust zien en horen dat je daar zelf ook weleens over twijfelt of over getwijfeld hebt. Zeker in die eerste catechisatielessen is het helemaal niet erg om daar veel tijd in te steken. Alleen zo kun je een band opbouwen. En als die band er is, gaat het overdragen van kennis een stuk beter.”

Positief denken

Positive Behavior Support (PBS), het belonen van goed gedrag en het begeleiden van jongeren met gedragsproblemen (RD 10-4), is volgens Koomen een prima middel. Ze heeft wel een ”maar”. „Als jij als leerkracht negatieve gevoelens hebt over een leerling, is het heel moeilijk om die leerling toch positief te belonen. Je verricht dan veel emotionele arbeid, die uiteindelijk tot emotionele uitputting kan leiden. Eerst moeten die negatieve gevoelens uit de weg worden geruimd voordat je een leerling positief kunt benaderen. Anders wordt positief belonen een soort kunstje, een overlevingsstrategie, die uiteindelijk kan uitlopen op een burn-out.”