Deze zeven dingen moet elke refodocent van zijn leerlingen weten

Ideale Docent
beeld Sjaak Verboom

Leraren zijn goed in hun vak, kunnen de lesstof uitstekend overbrengen en hebben oog voor de leerling. Reformatorische middelbare scholieren klagen slechts over één ding; docenten begrijpen hun leefwereld vaak niet. Dat blijkt uit de enquête die de RD-jongerenredactie uitzette onder refoscholieren.

Zes leerlingen van het Wartburg College stellen op locatie Guido de Brès een manifest op voor docenten. In een open gesprek vertellen de vierdeklassers wat docenten van ‘hun’ wereld zouden moeten weten. Rauw, eerlijk, oprecht. Recht uit het hart.

1. Geloven is voor ons geen automatisme.

Bij negen van de tien leerlingen slaat in de middelbare schooltijd de geloofstwijfel toe. Dat erkennen ze alle zes. Bestaat God echt? Waar is Hij als het tegenzit? Zou de wereld echt zijn geschapen? Vragen die onvermijdelijk rijzen in het puberbrein. Docenten gaan er volgens de leerlingen te gemakkelijk van uit dat leerlingen deze waarheden omarmen. „Staande blijven in deze maatschappij leer je niet uit een theorieboekje”, vindt Ilse. „Daarvoor is gesprek nodig. En een docent mag zelf ook wel wat van zijn twijfels laten zien.”

2. Wij willen eerlijk en met open vizier spreken over geloofszaken.

„Islamitische Staat doet verschrikkelijke dingen door ongelovigen te onthoofden.” Dat vertelde een godsdienstdocent van Marnix aan het begin van zijn les. Vervolgens las de klas een geschiedenis uit het Oude Testament waarin werd verhaald hoe het volk Israël de opdracht kreeg om alle ongelovigen te doden. „Wat is het verschil met wat IS doet?” wilde een leerling weten. Een legitieme vraag, vindt Marnix. „De docent antwoordde dat je dat moet zien in de geest van die tijd. Maar zo’n antwoord kan ik niet geven aan mijn seculiere vrienden.” De zes willen af van ”waarom? daarom!”antwoorden. Ze zoeken handvatten bij wat ze kunnen zeggen op welke vraag. Het is niet zo, dat dit nooit gebeurt. Zo kreeg Jacoby van een docent eens handvatten mee om de opstanding van Christus te ‘bewijzen’ en JanneMarie kon dankzij lessen op school onder woorden brengen dat je de Drieeenheid kunt uitleggen met het beeld van een boom. Wortels, een stam, en takken, maar één boom.

3. De christelijke levensovertuiging mag de kern van het vak zijn.

Snel even vijf minuten een dagopening houden en daarna snel het biologieboek induiken om het hoofdstuk af te krijgen? Niet doen, vinden de leerlingen. „Het raakt ons heus niet altijd, en we letten echt niet altijd even goed op, maar het is wél belangrijk”, vindt Pauline. „Het is niet goed om de opening af te raffelen om maar zo veel mogelijk van de les te redden.” Niet alle docenten maken zich daar schuldig aan, haasten de manifestopstellers zich te zeggen. „Maar oprechte aandacht voor geloof is nooit misplaatst.”

4. Onze leefwereld is vooral seculier.

Floris mocht pas nog uitleggen aan zijn voetbalvrienden waarom hij op zondag niet kwam opdagen. „Ze snappen écht niet waarom ik dan naar de kerk ga. Dat zegt hun niks. Ik moet best vaak uitleggen waar ik voor sta.” Op school zou hij willen horen hoe hij zijn geloofsovertuiging kan uitleggen. „Als vrienden vragen waarom ik geloof in de schepping, kan ik niet zeggen: Omdat ik het geloof. Daar nemen ze geen genoegen mee.”

5. Wij leven ín sociale media.

„Wij kunnen alles zien”, vertelt Ilse. „Een filmpje van Hollywood, de celebrity die zwanger is, en de scheiding van een bekende Nederlander. Het komt bij ons allemaal voorbij via de sociale media. Maar ook van een aanslag in het buitenland zijn we binnen een kwartier op de hoogte.” „Vroeger was de leefwereld van mensen veel kleiner”, vat JanneMarie samen. „Je kon leven in het reformatorische wereldje. Dat kan nu echt niet meer.”

6. De smartphone hebben we gewoon nodig.

Facebook, Instagram, SnapChat en WhatsApp zijn niet meer weg te denken uit het leven van een middelbare scholier. De smartphone is een basisbehoefte geworden. En dat vinden de leerlingen niet alleen negatief. De ene leerling checkt snel hoe laat de trein naar huis vertrekt. De volgende appt zijn moeder als hij op de fiets naar huis stapt en een derde regelt zijn bankzaken via de mobiele telefoon. „Dat zijn positieve dingen”, vindt Floris. Volgens hem kijkt het docentenkorps te argwanend naar het gebruik van de mobiele telefoon. „Ze gebruiken hem zelf wel tijdens de les, terwijl wij dat niet mogen”, merkt Jacoby fijntjes op. Overigens zitten de leerlingen er niet op te wachten dat het gebruik van de smartphone tijdens de les wordt toegestaan. „We krijgen de hele dag al genoeg prikkels en kunnen ons niet meer goed concentreren”, vindt JanneMarie. Maar de regel van het Wartburg College dat wie betrapt wordt met een telefoon het toestel een week kwijt is, vinden ze wel erg rigoureus. „We hebben dat ding écht nodig.”

7. Ken ons persoonlijk en ken onze naam.

„O, jij heet Verweij. Waren jouw broers niet..?” Docenten zien ieder jaar wel jongere broertjes of zusjes van een oudleerling voorbijkomen. Leuk natuurlijk, maar leerlingen krijgen weleens het gevoel dat de leraar vergeet dat ze zelf ook iemand zijn. Marnix: „Mijn broers waren niet echt lieverdjes. Toen een docent ontdekte dat ik hetbroertjevan was, zei hij: „Als jij net zo bent als hen, heb je nog een hele pijp met mij te roken.” Behalve dat leerlingen graag als individu worden gezien, waarderen ze het ook als de docent hun naam kent. „Dat maakt het contact veel persoonlijker”, vindt Jacoby. JanneMarie vult aan dat het voor docenten onmogelijk is om al hun leerlingen goed te kennen. „Maar de naam, dat is wel een dingetje.”

Identiteit-LEERLBIJLAGE-_Z6A2094Docenten: wij begrijpen de leefwereld van jongeren niet

Aan dit manifest werkten mee

Janne-Marie Bakker (4 havo) uit Dordrecht, Ilse Nieuwendrop (4 vwo) uit Barendrecht, Pauline Put (4 vmbo) uit Hendrik-Ido-Ambacht, Jacoby Schot (4 vmbo) uit HendrikIdo-Ambacht, Marnix Verweij (4 vwo) uit Ridderkerk en Floris van Willigen (4 havo) uit Dordrecht.

Dit artikel is onderdeel van de themabijlage “De ideale docent” en neemt de interactie tussen leerlingen en leraren in het reformatorisch voortgezet onderwijs onder de loep. Aan het onderzoek ligt een enquete onder 800 vierdeklassers ten grondslag.