„De liberale windvaan blijft ongewis”

Vrijheid van onderwijs
4

Dankbaar waren de christelijke opinieleiders zeker toen in 1917 de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs grondwettelijk was geregeld. Desondanks waren ze niet helemaal tevreden. De regeling betrof het lager onderwijs en niet het voortgezet of hoger. En –vooral– het heimwee naar het ideaal van een christelijke school voor alle kinderen bleef knagen.

In het antirevolutionaire blad De Heraut toonde commentator dr. H. H. Kuyper zich in november 1916 nogal bezorgd. Zijn vraag: Komt het voorstel om het openbaar en het bijzonder onderwijs gelijk te stellen wel door het parlement dat zich najaar 1916 over de ingediende plannen buigt? De angst dat het verkeerd gaat, heeft volgens Kuyper niets te maken met minister-president Cort van der Linden, „die als een ervaren schipper op elke verandering in het getij acht geeft.” Hem treft geen blaam.

Met voortvarendheid had Van der Linden in 1913 een commissie benoemd die al spoedig tot een akkoord kwam. Met een wijziging van de Grondwet zou een algemeen kiesrecht worden ingevoerd. Het was het kroonjuweel van liberalen en socialisten. Maar binnen confessionele kring bestonden daartegen nogal wat bezwaren.

Om die pijn te compenseren zouden het openbaar en het bijzonder onderwijs voortaan gelijk behandeld worden als het om de overheidsfinanciering ging. Dat was het grote belang van de drie confessionele partij, de Antirevolutionaire Partij, de Christelijk-Historische Unie en de Roomsch-Katholieke Staatspartij. Er was dus een geniaal compromis bereikt.

De angst van Kuyper was dat het standpunt van de liberalen weer zou veranderen. Met zorg constateerde hij: „De meest invloedrijke bladen als Nieuwe Rotterdammer en Handelsblad (ook toen al was de NRC tegen de onderwijsvrijheid, WBK) hebben in hun bespreking van de voorstellen der Commissie, in hun critiek op de nota van den Minister en in hun Kamerverslagen wel getoond, hoe ze nog onveranderd op het oud-liberale standpunt staan. In de Tweede Kamer bleek de oppositie volstrekt niet alleen bij de vrij-liberalen te schuilen. In meetings en vergaderingen van kiesvereenigingen laaide het vuur van den hartstocht weer fel op. De palstaanders roerden de trom. Prof. Eerdmans aan het hoofd. En zoo heftig werd de storm, die opstak, dat zelfs de leden der Commissie die het compromis teekenden, al met amendementen aankwamen, die als olie op de ontroerde golven moesten werken! Niet alleen dat de plicht van den Staat om te zorgen, dat er overal openbare scholen zijn, verscherpt moest worden, maar aan het bijzonder onderwijs zou de begeerde subsidie niet gegeven worden, wanneer zij niet onder het juk doorging van gelijkheid of gelijkwaardigheid der eischen door de wet aan het openbaar onderwijs te stellen. En daartegenover ontbreekt elke werkelijke waarborg, dat wanneer dit grondwetsartikel wordt aangenomen, de straks nieuwgekozen Kamer metterdaad de financieele gelijkstelling tot uitvoer zal brengen. De bodem der schatkist is thans reeds leeg en de financieele gelijkstelling zal millioenen kosten. Het zal alles op goed vertrouwen moeten gaan, en wie zal borg staan, dat dit goed vertrouwen niet wordt beschaamd?” Kortom, Kuyper zat vol zorg „dat de hand op de liberale toren zich plotseling zal wenden nu de storm van tegenstand aanzwelt.”

Het viel mee. De nieuwe Kamer die in 1917 aantrad, stemde in met de voorgestelde grondwetswijziging. Twee jaar later werd de financiële gelijkstelling uitgewerkt in een wet waaronder de handtekening stond van onderwijsminister De Visser en nog een jaar later werd de nieuwe wet van kracht. De Heraut schreef dat er „in schier alle plaatsen” dankstonden werden gehouden, omdat nu de schoolstrijd was beslist. „Roomsch en Protestant, Gereformeerd en Hervormd, en al wie voor het Christelijk onderwijs opkwam, gevoelde de behoefte om God den Heere te danken voor de zegepraal, die Hij na zoo langen en bitteren strijd ons geschonken had.”

En toch. Er wrong iets. „Formeel genomen is het volkomen juist, dat van een overwinning van het Christelijk onderwijs geen sprake is. Het woord Christelijk komt zelfs in de wet niet wel voor. De Staat heeft alleen afstand gedaan van de dwaze gedachte, dat zijn school de eenige goede en voor heel het volk bruikbare school zou wezen, en de vrijheid van het onderwijs erkend. Wanneer een vereeniging een anti-christelijke school wilde oprichten, dan zou deze school precies dezelfde subsidie verkrijgen als de Christelijke school. Elke vrije school, van wat religieuze of anti-religieuze kleur ook, kan, wanneer zij aan de vereischten der wet voldoet, op hetzelfde subsidie aanspraak doen gelden. In zooverre kan zelfs gezegd worden, dat heel deze regeling van geen Christelijke gedachte uitgaat. De Staat vraagt niet naar het karakter van het onderwijs, maar steunt elk onderwijs, zelfs al zou dit lijnrecht tegen de Christelijke levens- en wereldbeschouwing zich richten.”

Toch willen de confessionelen dit niet te zwaar laten wegen. Want hoewel het door de nieuwe regels in theorie mogelijk was dat er een antichristelijke school werd opgericht, de christelijke opinieleiders dachten dat dit in de praktijk erg zou meevallen omdat het openbaar onderwijs „steeds meer het voertuig was geworden van het modernisme.”

Financiering christelijke scholen buitenland zeer divers

Verzet

Anders lag het bij uitgesproken liberalen en felle socialisten. Zij keerden zich in woord, geschrift en vooral door spotprenten tegen de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs. Kinderen zouden op christelijke scholen, geïndoctrineerd worden – of ze nu protestants dan wel rooms-katholiek waren. Heel slim werd dit in 1917 aan de kaak gesteld door een onbekende tekenaar die een rooms-katholieke pater zijn leerlingen liet voorhouden dat prins Willem van Oranje in 1584 koning Filips II vermoordde. Daarmee alarmeerde hij niet alleen zijn eigen liberale achterban, maar wilde hij ook de protestanten in opstand laten komen. Was de prins immers niet hun held?

De bevlogen socialistische tekenaar Albert Hahn probeerde in 1917 zijn partijgenoten zover te krijgen dat ze tegen de financiële gelijkstelling zouden stemmen door via een spotprent duidelijk te maken dat Abraham Kuyper hen in een hinderlaag wilde lokken. Het voertuig van het algemeen kiesrecht dreigde te verongelukken doordat er een kabel over de weg was gespannen. Vanachter een boom keek de Abraham de Geweldige (compleet met hoorntjes van een duivel) toe. Eerder had Hahn zijn kameraden voor socialistische idealen in De Notenkraker gewaarschuwd door in een prent de ”boeven” van politiek en dogmatiek zo te tekenen dat ze probeerden bij het openbaar onderwijs binnen te dringen.

Waren deze tekenaars uitzonderingen? Volgens sommige confessionelen niet. Het bleef zaak waakzaam te zijn. Want de liberale windvaan blijft ongewis, waarschuwde H. H. Kuyper, ook na de grondwetswijziging van 1917.

2017-05-12-pkVRY3-thuisonderwijs_voor_PK_vvo-4-FC-V_webROV: Vrijheid van onderwijs beschermt gewetensvrijheid van ouders