Column: Ten dele

Hij fronste zijn wenkbrauwen. „Advocaat voor kinderen of kinderrechter”, had ik mijn decaan geantwoord op de vraag wat ik worden wilde. „Nou”, zei hij, „er is veel ruimte voor leugen in dat vak. Zou je niet voor de klas willen? Dat is ook met kinderen. En leerkrachten op de basisschool zijn zo hard nodig.” En ik zei ja. Een klein zaadje was geplant.

Ik reisde af naar de Driestar in Gouda. Om daar het vak te leren. Mijn plantje werd besproeid. We kregen een plensje Nederlands van Bosland. Het was humoristisch water. Gemengd met woordgrappen. We lazen gedichtjes voor op onze mooiste toon. We kregen te horen hoe een kind zich ontwikkelde. Van baby tot kleuter en vooral daarna. Mevrouw Keus dompelde ons op haar eigen onnavolgbare manier onder in ontwikkelingspsychologie, ADHD en aan autisme verwante stoornissen. We rekenden ons suf en zuchtten om buien van breuken die over ons werden uitgestort. We knutselden kwartetten en groeven in onszelf en in de grond voor bodemonderzoek. Meneer Van Driel stampte voor ons de maat mee bij eigenwijze liedjes en van boosheid als dat niet lukte. We droomden met meneer Hage in zijn lessen filosofie.

We werden besprenkeld met de topografie van Noord-Amerika en de werking van vulkanen. Ons plantje werd ook bemest tijdens godsdienst. Meneer Proos legde ons uit hoe we met kinderen konden bidden. Een derde prijzen, een derde danken, een derde bidden. En zo groeiden we verder.

Maar het opgroeiende plantje kreeg niet alleen water. Het was ook de zuurstof van het geloof die ons groei gaf. In alle breedte. En diepte. Nooit zal ik vergeten hoe we lessen lang de lucht van C. S. Lewis hadden ingeademd bij meneer Mackay. Onze laatste pabodagen waren aangebroken. Zoveel kennis was vergaard. Het echte werk kon bijna beginnen. In zijn lokaal hadden we al zo veel gediscussieerd. Waren we met elkaar tot diepe gedachten gekomen. En toen was daar die laatste les. „Ik wil nog wat lezen met jullie”, zei Mackay. Hij opende zijn Bijbel. En las het hoofdstuk van de liefde. En toen kwam het laatste vers. „Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.” Zijn stem brak al voor de laatste woorden. Zijn ogen en onze ogen vulden zich. En het werd lang heel stil.

En dan voor de klas. „Juf, u weet toch alles?” zei de jongen die me zo graag uittestte met moeilijke vragen. Ik keek hem aan. Wilde het liefst ja zeggen. Maar er kwam wat binnendrijven. Veel rijker dan „ja, ik weet alles.” Het was de gebroken zin van „ten dele, maar alsdan.” Beste kerel, nee, deze juf weet niet alles, zullen we daar eens over verder praten?