Column: Puberkamp

Eindelijk was het zover. Hij ging. Onze puber. Bepakt en bezakt. Met warme dekens en een zakmes. Met een bus deodorant en stapels sportbroeken. Ook zijn Bijbel zat in de tas. Ach, waarom sliep ik hier dan niet van? Het was een vertrouwd kamp. Zijn vriend was er ook bij. Het viel toch allemaal wel mee? „Dat raften”, fluisterde een stemmetje in me, „daar gebeuren ongelukken mee.” „Die zee”, zei een andere stem, „daar verdrinken mensen in.” Maar geen weg terug. We kwamen aan in de natste kant van Nederland. Hij zwaaide ons vrolijk uit. En toen moest ik hem loslaten.

Pubers in huis. Het ene boek erover heet: ”Pubers zijn leuk”. Een andere titel luidt: ”Het is hier geen hotel”. En ook: ”Kom van die bank af”. Eentje fungeert als survivalgids. Het volgende vertelt over: ”Chaos in je hoofd”. O ja, pubers geven soms chaos. Een chaos aan emoties. Aan schoolboeken. Aan kledingstukken. Eigen wereldjes, eigen regeltjes. En wij ouders maar denken. Welke grens? Waar? Wel wat zeggen? Of beter zwijgen? Hoe leuk zijn pubers nou eigenlijk?

De week kroop voorbij. „Geen bericht is goed bericht”, zei mijn man. Geen appjes, geen gemiste oproepen. Ik vroeg vriendjes moeder of zij al wat had gehoord. Nee, ook nog niet zo veel. En ik zei fier tegen haar: „Geen bericht is goed bericht.”

En toen was daar zijn telefoontje. Zijn puberstem. Of het leuk was. „Ja”, zei hij. Of hij al vrienden had. „Ja”, zei hij. Of het surfen niet spannend was. „Nee”, zei hij. Of hij ons al een beetje miste. „Ja, een beetje wel”, zei hij. Voor mij was het genoeg. We hingen op.

En toen was het ineens vrijdag. Daar was hij weer. Zongebruind. Zijn haar door de war. Enthousiast. Hij knuffelde uitgebreid met zijn kleine zusje. En zeeg moe neer op de bank. Het was geweldig geweest. Leuke vrienden had hij ontmoet. Iets met boarden ver in de zee. Drie uur fietsen naar Middelburg. Een dropping. „Wel met leiding, hoor, mama.” Een kampvuur. „Misschien stinken mijn kleren ernaar. Ik heb zo veel mogelijk dezelfde aan gehad. Dan heeft u niet zo veel was.”

Ik graai tussen een wirwar van ondergoed, halfnatte waterschoenen, handdoeken en daartussen vind ik zijn bus echtemannendeodorant. Ik houd die even in mijn handen. Gelukkig is het nog niet zover, die echte man. „Ga maar een dutje doen”, zeg ik. Dan geniet ik van jouw voor-mij-speciaal-niet-zo-veel-was. Van je chaos. Wat een zegen: weer een puber in huis.