Amanda Kluveld: op de bres voor het christendom

Amanda Kluveld. Foto RD, Henk Visscher Henk Visscher

Amanda Kluveld is een van de voornaamste pleitbezorgers van vervolgde christenen, of dat nu als hip beschouwd wordt of niet. Toch is ze zelf atheïstisch opgevoed en schreef ze in het verleden kritisch over het christendom.

Waar de rechten van orthodoxe joden, SGP-vrouwen, gewetens­bezwaarde ambtenaren of christenen in moslimlanden in het geding zijn, werpt Amanda Kluveld zich in de strijd. Religieuze minder­heden die in het nauw raken, kunnen op haar steun rekenen. Tenminste, dat is hoe haar medestanders het zien. Maar er zijn ook mensen die vinden dat ze rechts is en islamofoob, en niets liever doet dan moslims de schuld van alle problemen geven.

Intussen beweegt ze zich als cultuur­wetenschapper in een universitaire wereld, waar conservatieve, soms zelfs christelijk-conservatieve standpunten niet bepaald gebruikelijk zijn. Zij en haar collega’s gaan daar evenwel „ontspannen” mee om, denkt ze. Ze begeleidt studenten uit tientallen verschillende landen, geeft college, schrijft artikelen en studeert tussen de bedrijven door ook nog theologie in Kampen.

Haar kamer heeft een prachtig uitzicht op de torens van het Vrijthof, maar ook –lager bij de grond– op de carnavalsvoorbereidingen in de straten van Maastricht. Ze volgt het van een afstand. Ze zou graag ook een keer naar de Wegwijsbeurs gaan om de reformatorische volkscultuur te proeven. Zoals ze ook elk jaar de pasar malam bezoekt, het Indische festival in Den Haag.

„Mijn familie komt uit Nederlands-Indië, mijn beide grootvaders waren van oorsprong gereformeerde boerenknechten uit Walcheren die bij het KNIL gingen en in Indië met Indische vrouwen zijn getrouwd. Mijn overgrootmoeders, grootmoeders en ouders zijn daar geboren en hebben er in de oorlog en daarna ingrijpende dingen meegemaakt. Mijn moeders familie woonde tegenover een Japanse kazerne – geen optimale situatie voor een gezin met opgroeiende meisjes. Mijn grootmoeder heeft in een Japanse gevangenis gezeten, mijn grootvader werkte aan de Birmaspoorlijn.”

Hoe belangrijk is die Indische herkomst voor u?

„Heel belangrijk. De zieligheidsfactor die nu een grote rol speelt bij de immigratie­problematiek, was in mijn familie gewoon niet aan de orde. Terwijl ze het moeilijk genoeg hadden. In Indië waren ze gesetteld, maar hier hadden ze een kleurtje, ze spraken anders. Mijn grootmoeder probeerde zo veel mogelijk om niet over pijn uit het verleden te spreken. Ze leefde met de gedachte dat je tevreden moet zijn met wat je is toebedeeld. Zo ben ik opgevoed.”

Speelt die achtergrond een rol in uw standpunten over de multiculturele samenleving?

„Mijn ouders waren immigranten en zelf voel ik me soms óók een immigrant, hier in Maastricht. Ik heb dus zeker geen moeite met het feit dat er immigranten in Nederland wonen, maar met het idee dat wij ons moeten aanpassen aan wat anderen hier brengen, dat wij dat moeten faciliteren. Mijn grootste zorg is dat we onze cultuur aan het verliezen zijn. Waarom zouden we wél het nationale Suikerfeest invoeren, en niet genieten van ons eigen joods-christelijk erfgoed? Neem de rituele slacht – dat was de lakmoesproef voor de PVV. Er worden dingen kapotgemaakt omdat we niet kunnen omgaan met de problemen die de islam met zich meebrengt.”

U staat bekend als iemand die erg negatief is over moslims.

„Mijn kritiek gaat altijd over concrete voorbeelden, ik doe geen systematisch-theologische uitspraken over de islam.”

Waar komt uw belangstelling voor het christelijke verleden precies vandaan?

„Ik ben atheïstisch opgevoed, hoewel een deel van mijn familie gereformeerd en een deel rooms is. Toen ik als kind voor het eerst een crucifix aan de muur zag hangen, met veel realistische details –bloed en een doornenkroon– was ik helemaal gechoqueerd. Ik vond het zo erg. Mijn vader zei toen: „Dat is Jezus, daar geloven die mensen hier in, maar die zijn een beetje dom. God bestaat helemaal niet.” Ik heb ook vreselijke vloeken geleerd en gehoord. In mijn omgeving vond men christenen, en vooral protestanten, ontzettend schijnheilig.”

Heeft het met uw vak, cultuurgeschiedenis, te maken dat u zich tóch ging interesseren voor het christendom?

„Ik denk het wel. Geschiedenis studeren kan niet zonder in de Bijbel te lezen. Maar ik had al eerder een soort verlangen naar God. Misschien vinden mensen het heel vreemd als ik dit vertel, maar ik heb als kind altijd gebeden. Ik voelde dat ik me had te verantwoorden, dat voel ik nog steeds. Ik heb vaak behoefte om te biechten.”

Toch hebt u ook een tijd lang op kritische afstand van gelovigen gestaan. Hoe is dat veranderd?

„Ik was een paar jaar geleden vaak te gast bij de Humanistische Omroep in het radioprogramma OBA Live, waar het christendom, in het bijzonder de gereformeerde variant –met verwijzingen naar Staphorst en de SGP–, regelmatig werd neergezet als een probleem, als achterlijk of zelfs gevaarlijk voor de democratische rechtsstaat – om maar niet de problemen en vragen die de islam met zich meebrengt onder ogen te hoeven zien. Ik voelde me daar steeds ongemakkelijker bij. Door ontmoetingen met diezelfde christenen, mensen als Bart-Jan Spruyt of jongeren uit SGP-kring, merkte ik dat ze wel degelijk zinnige dingen te zeggen hadden en dat ze zich er nooit gemakkelijk van afmaakten als ik vragen stelde.”

Waarom was dat zo’n verrassing?

„De seculier-liberale meerderheid in onze samenleving wenst niet te erkennen dat onze geletterdheid en onze vrijheden tot stand gekomen zijn dankzij –en niet ondanks– het christendom. Je merkt een toenemend ressentiment tegenover het christendom. Het wordt beschouwd als iets wat ervoor zorgt dat je niet van dit leven kunt genieten zoals dat zou moeten. Ik was vroeger ook door die houding beïnvloed, maar tegenwoordig weiger ik de geschiedenis en traditie van ons land en de westerse cultuur (inclusief de cultuur van heel gewone gelovige mensen) belachelijk te maken. Ik omarm die traditie liever, ook als ik sommige ideeën of gebruiken die eruit voortkomen niet helemaal begrijp.”

Een pleidooi voor cultuurchristendom?

„Ik denk dat het huis van onze samenleving instort als we onze fundamenten ontkennen en verwerpen.”

Maar kan cultuurchristendom ook na generaties nog overeind blijven, als het niet vanuit echt geloof gevoed wordt?

„Nee, uiteindelijk niet. Daar denk ik ook wel over na. Iemand wees me een jaar of wat geleden op de preken van dominee Piet de Vries, die toen in de hersteld hervormde gemeente van Waarder stond. Die preken zijn voor mij heel belangrijk geweest, al kan ik niet precies uitleggen waarom. Op zondag ging ik speciaal voor de kerkdienst-via-internet zitten en ik vind het vreselijk jammer dat dat niet meer kan, sinds dominee De Vries naar een nieuwe gemeente vertrokken is. Ik dacht ook vaak: Ik heb een zwart hoedje, ik ga een keer naar zo’n kerkdienst in Waarder toe. Maar het is er nooit van gekomen. Ik was bang dat de mensen zouden denken: Wat doet díé nou in onze kerk?”

Iedereen mag toch de kerk binnenlopen en een dienst meemaken?

„Ik heb altijd het gevoel dat ik het niet verdien. Daarom vind ik het Nieuwe Testament ook moeilijker te begrijpen dan het Oude. Ik noem mezelf christen, maar ik weet niet of ik dat recht heb. Ik heb vroeger vreselijke dingen geschreven.”

Hoe lastig vindt u het om als persoon in het middelpunt van de aandacht te staan?

„Vandaag werkt het zo: pas als je jezelf in de strijd gooit –of liever, de publieke persoonlijkheid die je voor jezelf creëert– krijg je een stukje van de taart van de media. Ik heb daar moeite mee. Als ik het over Asia Bibi of andere vervolgde christenen wil hebben, waarom zou ik daar dan amusement van maken bij Pauw & Witteman? Het gaat er dan toch om of ik een beetje leuk overkom en gevatte antwoorden kan geven. Het moet over mij gaan –„Waarom maakt u zich daar druk over, wat is dat bij u?”– terwijl ik het over een vrouw wil hebben die gevangenzit en ter dood veroordeeld is. Daarom houd ik me wat afzijdig van dergelijke programma’s. Ik ben niet mediageniek.”

Maar u wilt wél gehoord worden en iets bereiken.

„Dat probeer ik liever op een andere manier. Ik probeer op de achtergrond dingen tot stand te brengen door een netwerk aan te leggen van mensen die op bepaalde gebieden invloed hebben. Ik zou bijvoorbeeld graag een dag over christenvervolging organiseren, ik zou willen dat de kennis en expertise van christelijke organisaties als Open Doors veel breder bekend werd. Dat betekent dat het publiek op zo’n dag niet alleen uit christenen moet bestaan, maar ook uit mensen die invloed hebben in de samenleving, beleidsmedewerkers, politici. En ik zou een academische bundel over dergelijke onderwerpen willen samenstellen.”

U krijgt als relatieve buitenstaander een studiebeurs van de SGP.

„Dat vind ik heel bijzonder. Ik geloof niet dat één andere partij dat zou doen, een buitenstaander subsidiëren om onafhankelijk, kritisch-wetenschappelijk naar de eigen geschiedenis te kijken.”

Waar gaat dat onderzoek over?

„Wat mij interesseert is de relatie tussen godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid bij de SGP. Omdat gewetensvrijheid (waar je als SGP’er vóór bent) niet in de wet is vastgelegd, moet je soms een beroep doen op godsdienstvrijheid (waar je eigenlijk tegen bent). Ik zou graag willen weten hoe de SGP daar in het verleden mee omgegaan is, ook in kwesties die de eigen principes niet raken, zoals de dienstplicht. Het is belangrijk om helder te krijgen waarin een seculiere visie op de vrijheid van het geweten precies verschilt van de visie van de SGP, want onduidelijkheid leidt tot veel misverstanden en verdenking over en weer.”

Hoe leuk is het om met de SGP geassocieerd te worden?

„Ik word er regelmatig op aangesproken: „Die SGP, dat is een sekte, hoe kun je het daarvoor opnemen? Die mensen brain­washen hun kinderen.” Ik krijg soms bijna hysterische reacties, dat is wel schokkend. Mensen vinden dat je mij niet serieus moet nemen omdat ik het opneem voor de SGP, ze vinden dat ik een fascist ben.”

Hebt u veel vijanden?

„Ik heb veel vrienden verloren. Maar er zijn ook mensen, zoals Henk Krol van de Gay Krant, die vrienden blijven, al zijn we het soms even helemaal niet met elkaar eens.”

Wat vindt u zelf van de SGP’ers?

„Ik voel me erg thuis op hun bijeenkomsten. Ze zijn hartelijk, scherp, zorgvuldig en niet te vergeten bijzonder geestig – wat ingaat tegen het stereotiepe beeld dat van hen bestaat. Maar ik heb het idee dat ze zichzelf onderschatten, ze maken zich kleiner dan ze zijn. Soms denk ik: Kom op, jongens, je verwacht al dat je uitgescholden wordt, maar een beetje kritiek kun je toch wel aan? Misschien zullen twintig kranten je artikel afwijzen, maar misschien is er één die het plaatsen wil. Je kunt je terug­trekken en je naar binnen richten, maar je kunt ook iets van de rijkdom laten zien waarmee je bent opgegroeid. Kerken zijn de schatbewaarders van onze cultuur. Wie die traditie vertegenwoordigt, mag daar trots op zijn.”

U pleit dus voor naar buiten treden.

„Ja, maar dan wél op je eigen manier. Niet Antoine Bodar of Mariska Orbán-de Haas nadoen, en zeker niet mij.”


Levensloop Amanda Kluveld

Amanda Kluveld-Reijerse (Rotterdam, 1968) studeerde maatschappijgeschiedenis, trouwde in 1993 met een beeldend kunstenaar en promoveerde in 1999 in Maastricht op de geschiedenis van de Nederlandse antivivisectiebeweging. Ze was universitair docent cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, en is sinds 2009 directeur van de opleiding cultuurwetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Ze maakte naam met columns, recensies en opinieartikelen in NRC Handelsblad, de Volkskrant, Trouw en Historisch Nieuwsblad. Daarnaast schreef ze de cultuurhistorische studies ”Pijn” (2007) en ”Mens en dier” (2009).