Wegdromen tussen bomen in Gorcums Museum

”Quatorze Juillet”, Wim Oepts (1904-1988). beeld RD
5

”Deze tentoonstelling bestaat niet zonder u”. Wie de trap oploopt naar de tweede verdieping van het Gorcums Museum kan de spreuk niet missen. Je staat even stil op de trap om erover na te denken. En je voelt je vervolgens belangrijk, onmisbaar.

Om eerst maar een open deur in te trappen: de verbinding tussen mens en natuur is er al sinds het paradijs. Beide zijn op elkaar aangewezen; de mens draagt verantwoordelijkheid en zorg voor de natuur. Die maakte op haar beurt het leven mogelijk. De natuur kan niet genoeg bewonderd worden. Ook in de beeldende kunst niet.

De (schilder)kunst is nooit voorbijgegaan aan de natuur. Met fresco’s haalden de inwoners van de Italiaanse stad Pompeï het landschap al in huis. Chinezen kenden in de Tangdynastie (618-907) schilderingen van het landschap. Rond 1500 ontstond in Europa de landschapsschilderkunst als apart genre. Landschap moet dan ruim worden opgevat: bossen en bergen, dalen en vlakten, zeeën en rivieren. Maar bomen vormen –zeker in de 17e, de 18e en de 19e eeuw– een hoofdstuk apart.

Het Gorcums Museum laat in een expositie de bezoeker wegdromen tussen de bomen: een eenzame spar, een woudreus of een onmetelijk oerwoud. Bomen roepen verwondering op door de vormen, de kleuren of de omvang. Of juist door de verbeelding ervan: realistisch, of minimalistisch, waarbij de vorm is teruggebracht tot enkele lijnen. Of juist vanwege het gebruikte materiaal; een boom van stof, ijzer, van plastic of ‘gewoon’ hout.

Juist dat laatste, al die verschillende materialen, maakt de tentoonstelling boeiend. Want, eerlijk, na een rij schilderijen van Aart van der Neer, Salomon en Jacob van Ruysdael, van Schelfhout en Koekkoek, van Bilders en Roelofs, Mauve en De Bock slaat de verveling toe. Hoe knap en mooi ook; het dreigt meer van hetzelfde te worden.

Variatie

De verdienste van deze tentoonstelling zit juist in de variatie. Hedendaagse kunstenaars zoeken originele vormen om de boom te laten spreken. Of om kritiek te uiten op de wijze waarop de mens met de natuur omgaat.

Ragfijn en transparant is het werk van Henny van der Meer (1951). Takjes van kleine reepjes staal last zij aan elkaar tot een spinnenweb van vertakkingen van een boom. De lichte achtergrond accentueert de onbedwingbare lust tot groei.

Maria Roosen (1957) werkt vooral met glasobjecten. Terugkerend in haar werk zijn vruchtbaarheid, groei, liefde en dood; vaak in contrasten van hard en kwetsbaar, van klein en groot of van natuur versus cultuur. In ”Touch of gold” heeft zij spiegelende, goudkleurige zwammen van glas geplaatst op een berkenboomstam.

Kees de Goede (1954) plaatst zijn ‘doek’ niet op rechte spielatten, maar laat het linnen plooien over ruwe boomtakken. In het ”Lied van de aarde” contrasteren geometrische patronen in het midden met de takken eromheen.

Patrick Bergsma (1965) heeft een plaatsje in de expositie gekregen met onder meer zijn boomhuis. Een mannetje met een bijl probeert een verroest autowrak los te hakken uit de wortels van een boom. De grond eronder is door de kunstenaar uitgesneden. Het industrieel gebouw eronder vormt het geheel tot een onwerkelijk beeld. Hij laat de kracht van de natuur zien, die alle menselijke bouwsels tot verval brengt.

Schuldig landschap

De schilder Armando (1929-2018) daarentegen wil de bezoeker leren hoe de mens de natuur meesleept in verschrikking en dood. Als jongetje woonde Armando in Amersfoort. Het bos vlakbij vormde zijn speelterrein; in de Tweede Wereldoorlog moest hij er bomen kappen die thuis voor enige warmte zorgden. Maar in hetzelfde bos lag Kamp Amersfoort. Voor Armando is het bos ”schuldig landschap”.

”Dromen van bomen, van Ruysdael tot Armando” is tot en met 15 september te zien in het Gorcums Museum. Meer informatie: www.gorcumsmuseum.nl