Stikstofstrijd in duinen is een gevecht voor Europees erfgoed

De duinen van Terschelling met in het midden de duinvallei Griltjeplak. beeld Rijkswaterstaat
3

In de duinen van Terschelling is Joeri Lamers van Staatsbosbeheer er druk mee: het terugdringen van de stikstofinvloed. Zo maakt hij plek voor duineigen soorten zoals parnassia, duinviooltjes, parelmoervlinders, tapuiten en blauwe kiekendieven.

Wie goed kijkt, ziet in de duinen her en der kleine, beminnelijke paars-gele bloemetjes. Het zijn duinviooltjes. De doorsneetoerist zou eraan voorbijlopen, of –met een beetje pech– dwars overheen stampen. Dat geldt niet voor boswachter Joeri Lamers, die boven op een van de duinen bij het Griltjeplak op Terschelling bij de bloempjes neerknielt. Ze zijn belangrijk, vertelt hij. De bloempjes horen bij dit gebied en trekken ook andere specifieke soorten aan, zoals de grote en de kleine parelmoervlinder, die er hun eitjes in leggen.

Als hij opkijkt, fladdert er een tapuit over de duintop. „Die tapuit”, zo stelt Lamers, „is iconisch voor het duingebied. Hij geeft de kwaliteit van het gebied aan.” Aan het vasteland zijn ze grotendeels verdwenen, maar in de Terschellinger duinen niet. Over de vlakte rennen de duinvogeltjes achter insecten aan. Goed nieuws, weet de boswachter: „Dat er veel tapuiten zijn, geeft aan dat het gebied ook qua voedsel genoeg te bieden heeft.”

Voedselrijk

Dat er zulke planten en dieren in de duinen leven, is niet vanzelfsprekend. In toenemende mate heeft het gebied te maken met stikstof in de grond. Het gehekelde stofje in de bodem is voedselrijk en verdringt zeldzame soorten. Lamers: „Die stikstofdeeltjes, zoals ammoniak en nitraten, komen in de duinen als gevolg van verkeer, industrie en landbouw. Van nature zouden zulke verbindingen daar niet in grote hoeveelheden voorkomen. En ze werken voor natuur als een soort fastfood.”

Daardoor ontstaat er een landschap met een paar overheersende soorten, zoals grassen en struiken die overal in Europa voorkomen. Die natuur verstoort natuurlijke processen in de duinen, doordat grassen het stuivende zand vastleggen. „Terwijl dat stuivende zand juist nodig is om de boel te verjongen en bloemen een kans te geven.”

De duinen werden aan het begin van de vorige eeuw grotendeels vastgezet. Bomen en helmgras moesten ervoor zorgen dat dorpen en steden minder overstoven raakten. Ook op Terschelling. „Lang was het idee dat stuivend zand moest worden voorkomen”, vertelt Lamers. Vanaf de jaren negentig groeide het inzicht dat het voor de biodiversiteit en het terugdringen van stikstof noodzakelijk is dat het zand zijn eigen gang kan gaan.

Dat klinkt paradoxaal, want overal op het eiland grijpt Staatsbosbeheer op dit moment in. „Maar het is eigenlijk herstelwerk”, zegt Lamers. „We zouden een stuk minder hoeven te doen als we in de vorige eeuw de natuur meer haar gang hadden laten gaan.”

In het stikstofrapport van Remkes onderrstrepen onderzoekers de noodzaak van grote, veerkrachtige gebieden waar de natuur alle ruimte krijgt. Voor Lamers is het bekende koek: „Wind en zand zijn de motor van zo’n gebied. Heb je die motor aan de praat, dan beperk je ook de negatieve invloed van stikstof.”

Afplaggen en begrazen

Bij het Griltjeplak heeft Staatsbosbeheer op vier plekken geplagd. Op een plek waar de wind vrij spel heeft, wordt de bovenste laag grond van zo’n 30 centimeter afgegraven. Die stikstoflaag wordt niet afgevoerd, omdat dat te duur en milieuonvriendelijk zou zijn. Wel wordt de grond aan de windarme kant van het duin gelegd. Zo ben je die niet kwijt, maar wordt het effect verminderd. De stikstofrijke grond blokkeert niet langer de wind.

De duinen stuiven over de naastgelegen stikstofrijke gebied. Dat dit hard gaat, is bij het Griltjeplak te zien: de wortels, die na het plaggen nog een halve meter diep zaten, steken fier boven het zand uit. Het dunne, kalkrijke zanddekentje in het omliggende gebied tempert de groei van alledaagse soorten zoals gras, waardoor duinviooltjes, parnassia en zandblauwtjes gaan groeien.

Om het gras verder geen kans te geven, laat Staatsbosbeheer in dit stuk duinen pony’s en runderen de boel kort vreten. De begrazing en de bestuiving houden hier de vlaktes kaal. Konijnen houden daarvan: ze graven holen in de duinen. Daar nestelen dan weer tapuiten, bergeenden en holenduiven in. De kiekendief gebruikt het korte duingebied om te jagen.

Sinds 1 juli is het graasgebied hier bijna verdubbeld. Ook werden er extra grazers losgelaten. Het nieuwe graasterrein loopt tot dicht bij West-Terschelling en doorkruist fiets- en wandelpaden, waarin veeroosters zijn geplaatst. Niet iedereen op Terschelling is meteen fan van zo’n groter begrazingsgebied: er moeten immers hekken omheen en dat strijdt met het vrije eilandgevoel.

Wat is er dan zo bijzonder aan bijvoorbeeld de parnassia –een soort boterbloempje maar dan wit– dat er zulke grote ingrepen gedaan worden om de soort een kans te geven? „Zo’n parnassia of tapuit is een kritische soort, een indicator van een gezond duingebied.”

Dáár zit nu juist de crux, legt Lamers uit. „Van heel Europa heeft Nederland het grootste intacte duingebied. De duinen herbergen specifieke soorten die alleen hier voorkomen. Verlies je deze duingebieden, dan verlies je het specifieke landschap met die soorten. Op Europese schaal is het echt bijzonder wat we hier in Nederland hebben.”

Draagvlak

Lamers stapt in de auto om door te rijden naar Formerum aan Zee. Daar heeft Staatsbosbeheer vanaf de zee enkele stukken duinen afgegraven. Zo kan de wind het zand tot ver in het duingebied blazen.

Onderweg groet de boswachter vanuit zijn open raam voorbijgangers. Het is Lamers’ taak om voor de ingrepen bij Staatsbosbeheer draagvlak te creëren en te praten met de eilanders en gebruikers van de gebieden.

Draagvlak voor de ingrepen in de natuur ontstaat niet vanzelf, weet Lamers. Maaien, begrazen, bomen kappen, plaggen of chopperen (ondiep afgraven): er zijn altijd partijen die graag alles bij het oude laten. Maar anders dan vroeger worden eilanders met werkgroepen en enquêtes al eerder betrokken bij de plannen, zegt Lamers. „Daardoor is er meer draagvlak. Zij zien nu ook wat er gebeurt als wij niets doen.”

Nu overal op het eiland –waar het voor toerist en bewoner veilig kan– druk aan de motor van zee, wind, zand wordt gesleuteld, zal de duinnatuur op Terschelling zichzelf straks blijven verjongen. Dat is Lamers’ hoop, althans. „Want uiteindelijk moet de stikstofdepositie ook echt naar beneden als je iets wilt bereiken waar je op de lange termijn wat mee opschiet. Anders blijf je maatregelen nemen.”

Boschplaat

Een project voor de toekomst is wat Lamers betreft de Boschplaat, het grote natuurgebied op Oost-Terschelling. Door een lange stuifdijk, aangelegd in de jaren dertig van de vorige eeuw, is de kwelder door de groei van gras eentonig geworden.

Als de dijk zou worden weggehaald of aangepast, zouden zee en wind weer vat krijgen op het gebied. Het gevolg: overstuiving en overstromingen. Daardoor zou de plantengroei veranderen én wordt er door de zee nieuw zand afgezet. Dan groeit de Boschplaat mee met de zeespiegel. „Want het is nu nog maar de vraag of het natuurgebied de zeespiegelstijging kan bijhouden.”

Op de rest van eiland is wat Lamers betreft eerst wel even genoeg gebeurd. Het plaggen en de strijd tegen de invasieve exoot watercrassula –waarvoor ook delen van het eiland afgegraven moesten worden– zorgen overal voor zandvlaktes. „Ik keek laatst vanaf een duin bij Formerum en zag zes, zeven kranen aan het werk. Toen dacht ik: het is ook wel even goed zo.”