Speuren naar koevinkje en icarusblauwtje tussen het gras

Aan de slag
beeld RD, Henk Visscher
10

Schuifelend door het hoge gras speurt Martin Wolters wekelijks naar vlinders. De verschillende soorten zandoogjes kennen geen geheimen voor de it’er. Zelf moet ik moeite doen om in het Lutterbergerven sprinkhanen en vlinders uit elkaar te houden.

Wie denkt dat Wolters klaarstaat met een net in de aanslag, heeft het mis. De vrijwilliger van de Vlinderstichting tovert zijn smartphone tevoorschijn en roept een telapp op. „Erg handig”, vindt Wolters. „Vorig jaar telde ik nog met pen en papier.”

Hij noemt het natuurgebied een „postzegel”. „Het is een klein stuk natuur midden in een landbouwgebied”, aldus de Zwollenaar. Hij telt al vier jaar de vlinders in het natuurgebied bij het Overijsselse Lemelerveld.

De 57-jarige vrijwilliger legt uit hoe het tellen in zijn werk gaat. „We lopen nu een route van twintig stukken van elk vijftig meter lang. In elke sectie –door paaltjes aangegeven– tel ik per soort de vlinders.” De gevleugelde insectjes moeten zich in een straal van tweeënhalve meter van ons bevinden. Wolters noteert de temperatuur, de mate van bewolking en de geschatte windkracht. Daarna gaan we op pad.

Meteen is het raak: Wolters telt een klein geaderd witje, een bont zandoogje en twee citroenvlinders. Ik wijs een sint-jansvlinder aan. Het ritmische ritselen van onze stappen in het hoge gras werkt ontspannend. Het zonovergoten veld krioelt van insecten zoals het rode soldaatje en de grasmot. Op de achtergrond ruist de zachte wind door kleine groepjes bomen.

Voor zijn werk voor de Vlinderstichting ruimt Wolters elke week zo’n twee uur in. „Je moet wel flexibel zijn voor dit werk. Om vlinders te tellen moet het warmer zijn dan 17 graden. En bij regen vliegen ze niet.” De it’er kan overdag in overleg met zijn baas gelukkig best eens uitbreken.

Wolters heeft de helft van de 62 dagvlindersoorten die Nederland rijk is wel eens gespot. „En dan heb je nog nachtvlinders en dagactieve nachtvlinders”, lacht Wolters. „Je kunt ze onderscheiden door te letten op zaken als hun grootte, de kleuren op de vleugels en de manier van vliegen.” Ervaring is geboden tussen de beweeglijke beestjes. „Af en toe dezelfde vlinder meetellen geeft niets. Zolang het tellen op dezelfde manier gebeurt, ontstaat er een betrouwbare trend.”

Lopend door het hoge gras blijkt Wolters veel meer te doen dan alleen vlinders tellen. Zo rapporteert hij een zeldzame bandheidelibel, controleert hij een bloeiend gentiaanklokje op vlindereitjes en noteert hij negen ooievaars die ik hem aanwijs.

Meetnet

Door het hele land zijn telroutes zoals die in het Lutterbergerven. De Vlinderstichting ontvangt van de ruim duizend actieve vrijwilligers de telgegevens uit dit ”meetnet”. Ze houdt zo de vlinderstanden in Nederland bij en zij geeft de cijfers door aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). „Daar leggen ze de cijfers naast elkaar. Het CBS onderzoekt en adviseert samen met de Vlinderstichting politiek en overheid over de vlinderstand”, aldus Wolters.

Zo werkt de Vlinderstichting mee aan het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. „Ze adviseert onder andere over maaibeheer. Gemeentes plannen een datum om het bermgras te maaien, maar kijken daarbij niet naar het weer. De stichting geeft in zo’n geval aan wanneer de vlindereitjes zijn uitgekomen en de rupsen van de planten zijn gevallen, zodat zij niet weggemaaid worden.”

De drijfveer van de christelijke Wolters is de zorg voor de schepping. „De telgegevens zijn waardevol nu al ons menselijk handelen de natuur aantast. Ik vind dat we als christenen voorop moeten lopen in de bescherming van de natuur. We hebben de wereld in bruikleen, terwijl ik soms het idee heb dat mensen de wereld verbruiken. Door dit vrijwilligerswerk draag ik actief bij aan de Bijbelse opdracht van rentmeesterschap. Daarnaast koop ik biologisch voedsel.”

Ik wijs Wolters op een fladderend bruin zandoogje. Deze vlinders zag ik het afgelopen uur zo vaak, dat ik ze al herken.

Ook Wolters’ vrouw telt af en toe mee. „Al heeft zij vooral oog voor de plantjes.” Grinnikend: „Als ik op pad ga om te tellen, zegt ze soms grappend: „Zoek je weer je ”vlindinnetjes” op?”. Ik doe dit werk graag, het werkt ontspannend.”

Na zijn pensioen hoopt Wolters nog vaker de natuur in te gaan. „Door dit werk voel ik mij een ambassadeur van dit gebied. Op internet ga ik wel eens de discussie aan, bijvoorbeeld als mensen zich opwinden over gemaaid gras. Dat leidt vaak tot begrip voor het beleid.”

Een paar tikken op Wolters’ mobiel en de telgegevens zijn verzonden. De vlinderaar glimlacht tevreden: „Dat was ’m weer.”

serie

Aan de slag

Redacteuren doen vrijwilligerswerk. Deel 6 in een serie: Laurens Sprakel telt vlinders in het Luttenbergerven bij Lemelerveld. Maandag deel 7.