Schoonheid: Het water is een schatkist vol verrassingen

beeld Sarah van der Maas
4

Bretagne. De zomer hing laag en stoffig in de spelonkachtige straten van het bastion, maar tussen de schoorstenen floot een zacht briesje. Het Kanaal kabbelde om de klippen. De wind ademde wier en pokken.

Vanaf de stadswallen keken we toe hoe de ebstroom het strand langzaam droog trok. Door geultjes en gaatjes spoelde de zee naar zijn waterig hart terug, een breed spoor van vochtig zand en glimmend steen in zijn zog achterlatend. Tussen de uitgesleten richels van de Bretonse bodem aarzelde het tij. In de rotspoeltjes bleven duizend zonnen schitteren.

Wij klauterden als hagedissen uit de schaduw van de muren omlaag. In hun kleine aquaria lagen de rijkdommen voor het oprapen. Venusschelpen, tolhorens, alikruiken. In één greep je hand vol wonder. Maar het grootste mirakel was ikzelf.

Veel zaken in onze omgeving zijn als kringen op de koffietafel: je ziet ze pas als ze er niet meer zijn. Boomblad in november, een dagje dierentuin in quarantainetijd, de verplaatsbare keldertrap (te laat)... Paradoxaal genoeg ligt de oorzaak van deze blindheid in het feit dat je de dingen zo vaak hebt gezien dat ze onzichtbaar zijn geworden. Ons dagelijks milieu bezien we in een vluchtig negatief, waarin dat waar we aan wennen naar een steeds waziger wordende achtergrond verdwijnt.

Tot dit status quo behoorde wat mijzelf betreft de schelp. Als uit de slikken en schorren gewassen Zeeuwse wist ik me sinds jaar en dag omringd met scheermessen en slijkgapers, die zich met scherpgekartelde randen en in brede barrières opwierpen tussen je arme voetzolen en de lokkende zee. Je kon ermee in het zand tekenen. Uit de putjes van je knieën peuteren. Hard naar je broertje gooien.

Soms heb je een ander paar ogen nodig om je eigen blik te openen. Ze hoeven niet eens te bestaan, of zelfs maar te kunnen zien. Zo was het schelpendom misschien nog wel jaren aan de rand van mijn bewustzijn blijven sluimeren als ik in Anthony Doerrs meesterwerk ”Als je het licht niet kunt zien” niet kennis had gemaakt met het blinde meisje Marie-Laure en haar fascinatie voor wulken en purperslakken, „de holle stekels, de getande spiralen, de diepe ingang; een woud van stekels, holtes en texturen; een koninkrijk.”

Marie-Laure slijt haar dagen op het strand van Saint-Malo, en in haar voetsporen boog ik me afgelopen zomer met een mij onbekende fascinatie over de onderwaterwereld die tussen de rotsen zweefde. Ik was er niet alleen. Met het wegvloeien van de zee vulde het plateau zich met zoekers, een wad vol steltlopers die glibberend van de ene naar de andere poel wankelden en naar het slib staarden. Bloedfanatiek word je ervan. Tasten langs zwierende algenslierten, graaien in opdwarrelend zand, de verraderlijke flonkering van het smaragdgroene water breken. Glimpen van parelmoer en opvlammend rood, gladgedraaid en ruwgesleten, linksdraaiend, rechtsdraaiend, muiltjeswit en nonnetjeszwart. Slakkenhuizen als Moorse paleizen van koele kalk. Getijgerde hartschelpen die precies in je handpalm passen. Het water is een schatkist vol verrassingen: elke schelp geeft aan het scheppingsplan zijn eigen draai.

Met vochtige broekzakken, wit uitgeslagen van het zout, keerden we die middag in het hostel terug. De buit, schoongespoeld en opgedroogd, op de dekens uitgestald, gerangschikt, om en om en omgedraaid. De koning te rijk met wat ons altijd was ontgaan.

De Franse kust zit er dit jaar niet in. Maar voor wie thuisblijft, begint het ontdekken deze zomer pas goed. Knipper de alledaagsheid uit je wimpers en zie waar je een leven lang overheen hebt gekeken. Deel je visie en laat je herfocussen. Neem een boek, een vriend, een kind. Leen iemands ogen. Wees andermans blik.