Omstreden „biomiddel” doodt alle rupsen

Jurriën van Deijk van De Vlinderstichting zoekt rupsen op een zomereik. beeld Kees van Reenen
3

De beruchte eikenprocessierups baart gemeenten zorgen. Alle middelen wordt uit de kast gehaald om de met lanceerbare brandharen gewapende rupsen te bestrijden. Vooral het biologische middel XenTari lijkt veelbelovend, maar De Vlinderstichting is verontrust.

De gemeente Veenendaal spaart kosten noch moeiten om de overlast voor haar burgers te beperken. Koolmezen en andere vogeltjes lusten de rupsen rauw, zo is inmiddels bekend, dus zijn er in Veenendaal talloze nestkasten opgehangen. Daarnaast wordt er een proef gedaan met nematoden: aaltjes die de jonge rupsen aanvallen en hen doden.

Het grootste effect wordt echter verwacht van een ander biologisch middel, XenTari, dat bestaat uit rupsendodende bacteriën. Onlangs zijn alle gemeentelijke en sommige particuliere eiken hiermee ingespoten.

Om bomen in achtertuinen te bereiken heeft Veenendaal de grootste hoogwerker van Nederland ingehuurd om over de huizen heen te reiken. Niet alleen de eikenprocessierups wordt zo aangepakt. „Alle rupsen gaan ervan dood,” bevestigt de man op de hoogwerker. „Maar in eikenbomen zitten niet veel rupsen,” voegt hij er geruststellend aan toe.

Nachtvlinder

Weinig rupsen in eiken? Jurriën van Deijk, onderzoeker bij De Vlinderstichting, denkt daar bepaald anders over. „Op dit moment zitten er rupsen van ruim honderd nachtvlindersoorten in eiken. Sommige in grote aantallen”, vertelt hij te midden van het geboomte aan de rand van het natuurgebied Overasseltse en Hatertse Vennen, niet ver van Nijmegen.

Hier wordt niet gespoten en bovendien worden de eiken hier niet opgekroond, waardoor de nachtvlinderdeskundige zijn woorden kan bewijzen tussen de laaghangende takken. „Van die honderd soorten vind je er hier gemakkelijk zestig. Kijk, een rups van een kokermot.” En aan dezelfde twijg: „Dit blad is opgevouwen door een bladroller. Zie, daar zit de rups.” Hij wijst op een lichtgroen beestje. „De rups van de kleine wintervlinder.”

Eikenpage. beeld Kees van Reenen

Dit is de meest voorkomende soort in eiken en daardoor vormt hij het stapelvoedsel voor kool- en pimpelmezen, maar ook andere vogels, waaronder huismussen, brengen er hun jongen mee groot.

Daarnaast leven op inheemse eiken de rupsen van de eikenpage, een fraai, niet zo algemeen voorkomend dagvlindertje. Samen met de vele andere organismen die er leven vormen de zomereiken zo een ecosysteem op zich. Preventief kappen is dus geen goed idee. Dat wordt soms geopperd sinds een paar jaar geleden de onstuitbare opmars van de eikenprocessierups begon.

Optocht

Het vrouwtje legt een paar honderd eitjes in groepen van tientallen bij elkaar in een boomtop, vertelt Van Deijk. Zelf onderzoekt hij de nesten gerust om bijvoorbeeld te observeren hoe een sluipvlieg een rups aanvalt. De jeuk neemt hij op de koop toe. „De jonge rupsjes krijgen na de derde vervelling, vanaf half mei, tussen hun lange haren wel 700.000 brandhaartjes, slechts twee millimeter lang, die ze kunnen afschieten op belagers.” Vanaf dat moment kunnen ze soms aan de wandel gaan. Ze volgen elkaar in optocht door een bepaalde geurstof uit te scheiden. „Het zou interessant zijn als die stof kon worden nagemaakt om de rupsen in de val te lokken. Als ze volgroeid zijn maken ze een nest waarin ze zich verpoppen, waarna in augustus de vlinders verschijnen.”

Ondanks hun afweermechanismen hebben de rupsen natuurlijke vijanden: vogels als kool- en pimpelmees, boomklever en koekoek, kevers als de poppenrover en vele sluipvliegen en -wespen. De volwassen vlinders worden gevangen door grootoorvleermuizen.

Wegzuigen van de nesten is kostbaar en lang niet alle nesten kunnen zo worden verwijderd. Daarom zetten gemeenten in op preventie. Vorige maand wist De Vlinderstichting een proef te verhinderen waarbij eiken ingespoten zouden worden met een chemisch middel, Vertimec, dat alles doodt wat in en op de boom leeft.

Koolmees met gevangen rups. beeld Kees van Reenen

Het ‘wondermiddel’ XenTari –dat ook irriterend is voor de huid– wordt, zo ontdekten Van Deijk en een paar collega’s, door minstens 195 gemeenten ingezet, met alle gevolgen van dien. Het is te verwachten dat mezen een moeilijk jaar tegemoet gaan. „Het heet biologische bestrijding en dat klopt, maar het is misleidend.”

Bestrijding

De vlinderkenners pleiten ervoor alleen op drukke plekken te bespuiten met de aaltjes, die vroeger in het jaar worden ingezet en daardoor minder andere rupsen doden, en verder te kiezen voor biodiversiteitsvriendelijke maatregelen. Van Deijk: „Er gaan miljoenen om in de bestrijding, maar dat alles slechts voor de korte termijn. Wij hopen en denken dat een oplossing voor de lange termijn te vinden is bij de natuur.”

De kern: terugbrengen van een divers ecosysteem dat plagen in toom houdt. Te denken valt aan de aanplant van bijvoorbeeld meidoorns, en een aangepast bermmaaibeheer dat leidt tot een meer bloemrijke begroeiing en waarbij niet alles tegelijk wordt weggemaaid. „En pas maaien als de dauw van het gras af is, want dan kunnen insecten, waaronder vijanden van de processierups, ontsnappen.”

Sommige gemeenten kiezen er bewust voor geen bacteriën of aaltjes in te zetten. Zoals Wageningen. „XenTari treft ook andere rupsen en dat willen wij niet”, licht woordvoerder Margot van der Haring toe. „Wij bestrijden alleen reactief door het wegzuigen van nesten met eikenprocessierups, waardoor de overige fauna ongemoeid blijft.”

In Epe is het bacteriepreparaat juist ruim toegepast, maar dat leidde tot klachten. Zo werden onder bespoten eiken in het buitengebied tientallen dode rupsen aangetroffen, maar geen eikenprocessierups. De gemeente geeft toe „inschattingsfouten” te hebben gemaakt. „Dit betreuren wij. We hebben maatregelen getroffen om deze fouten een volgende keer te voorkomen.”