Natuurervaring gaat levenslang mee

Paul van der Waal: „Laat de kinderen elk jaargetijde een keer de natuur ervaren.” beeld RD, Anton Dommerholt
3

Leerkrachten nemen minder vaak de tijd om met de kinderen naar buiten te gaan dan een jaar of twintig geleden, merkt Paul van der Waal, een gepensioneerde leerkracht die nog regelmatig natuurexcursies organiseert. „Helaas. Maar laten we niet te negatief zijn: er zijn ook nu nog enthousiaste leerkrachten die het wél doen.”

Behoedzaam sluipen de kinderen van groep 5, geflankeerd door meester Chris Kramer, richting de boom op het schoolplein van de Eben-Haëzerschool in Leerbroek. Onder de takken, net buiten het klaslokaal, is namelijk een voerplekje ingericht en aan een korfje walnoten hangt een pimpelmees.

Op het laatste moment vliegt het vogeltje weg. De discussie tussen de leerlingen barst los: was het een kool- of een pimpelmees? Zonder uitsluitsel af te wachten, noteren ze de soortnaam op een invulblad voor vogels en bomen. Het is herfst; dan zijn er veel vogels actief én laten de bomen hun bladeren vallen. Leuk om die te verzamelen en te bekijken van welke boom ze afkomstig zijn.

Kramer, die één dag per week werkt, is de enige op de dorpsschool die er met de leerlingen op uittrekt. Zijn collega’s hebben geen belangstelling of zien het niet zitten. „Ze vinden dat ze te weinig kennis hebben. Ook zijn leerkrachten tegenwoordig te veel gebonden aan methoden.”

Van der Waal beaamt dat. „Er moet te veel. Terwijl het helemaal niet moeilijk is. Iedere juf of meester kan de kinderen rond de school blaadjes laten rapen om daar vervolgens in de klas wat mee te doen. Laat de kinderen elk jaargetijde een keer de natuur ervaren.”

Soortenkennis

Aan Kramer zal het niet liggen. Hij beschikt behalve over enthousiasme en liefde voor de schepping ook over een goede soortenkennis. Zijn klas heeft hij in twee groepen verdeeld: de ene gaat met Van der Waal mee, de andere met hemzelf.

Kramer stelt zijn groepje op rond een boom en vraagt de kinderen naar wat ze nog weten van de bomenles. Wat zit er onder de grond? Wortels. Wat doen die?

Lauressa weet te vertellen dat de wortels water opzuigen voor de bladeren. Enkele kinderen weten nog dat de wortels even diep zitten als de boom hoog is. Door het hoge grondwaterstand zitten de wortels hier misschien iets minder diep.

„Wat valt je verder op?” De grote bladeren, bijvoorbeeld. De bomenzoekkaarten worden erbij gehaald. Enkele leerlingen denken aan een esdoorn, maar dan zien ze het: „Plataan!” Kramer: „Heel goed. Plataan.”

Verderop groeit een wilg, met een totaal ander blad. Johanneke, van wie de vader hovenier is, ziet als eerste een „berg.” Levi, die een broer heeft die hovenier is, begrijpt als eerste dat een boom ruimte nodig heeft. En licht, legt de meester uit. Dat verklaart dat de notenboom die naast de berken groeit er wat armetierig uitziet.

Schepping

„We kunnen niet zonder de natuur”, meent Van der Waal. „Toch kan de schepping juist in de gereformeerde gezindte de meesten niet zo veel schelen, in tegenstelling tot nieuwe kleren en dure auto’s; techniek is alles geworden. Als ik in de Zouweboezem, een natuurgebied in de gemeente Vijfheerenlanden, een excursie leid, is er zelden iemand met een reformatorische achtergrond bij.

Ook hebben kinderen tegenwoordig te veel verplichtingen; niet alleen goede dingen als muziekles, maar ook steeds vaker sport. De rust is weg.” Zowel Van der Waal als Kramer heeft de indruk dat pabostudenten te weinig kennis meekrijgen in hun opleiding.

Grote druk

Lenneke van den Ende, docente natuur en techniek aan Driestar educatief in Gouda, waar ook de meeste Leerbroekse leerkrachten zijn opgeleid, erkent dat de druk op leerkrachten groot is. „Onze inschatting is dat buitenonderwijs onder druk staat door de toenemende nadruk op passend onderwijs en toetsbare doelen. Ook de verplichting om maatschappelijke problemen op school te bespreken speelt een rol. Daarnaast is de administratieve druk van leerkrachten toegenomen.”

Toch is er tijdens de pabo-opleiding wel degelijk aandacht voor buitenonderwijs; er is een volledige module aan gewijd. „In de colleges refereer ik bijvoorbeeld aan de uitspraak van een kind: „Ik speel het liefst binnen, want daar zitten de meeste stopcontacten”, en daag studenten vervolgens uit daar zelf een visie op te ontwikkelen.”

De nieuwe biologiemethode Wondering the World, inmiddels gebruikt door zo’n negentig scholen „die geloven dat God de wereld gemaakt heeft”, stimuleert leerkrachten om hun leerlingen mee naar buiten te nemen, volgens Bert Kalkman van ontwikkelaar EduSign. „Kinderen enthousiasmeren, dat willen we bereiken. Hen uitdagen om dingen te ondernemen en zich te verwonderen over de schepping.” Naar die verwondering verwijst ook de titel, die in het Engels is, omdat de eerste uitgave extra taken in die taal bevatte.

Ook de Dr. C. Steenblokschool in Veenendaal overweegt de methode in te voeren, vertelt directeur Ed Krijgsman. De onderbouwleerlingen gaan soms met de boswachter het bos in, maar in de bovenbouw schiet natuurbeleving erbij in door de keuze om de leerlingen een EHBO-diploma te laten behalen. Krijgsman ziet echter wel het nut van buitenonderwijs in: „Ik weet van mijn eigen jongens hoe gek ze waren op de vogelexcursies van een van de meesters destijds.”

Beleving

„De beleving is wat mensen bijblijft”, beaamt Van der Waal. „Een jongen die ik één keer mee had op een vogelexcursie werkt nu bij Sovon Vogelonderzoek. En op een reünie van de Calvijnschool in Leerdam waren het de uitstapjes in de natuur die mensen zich herinnerden.”

Kramer: „Een tijdje geleden vloog hier een ijsvogel langs. De hele klas praatte erover en schreef er vervolgens over in de schoolkrant.” Van der Waal: „Tijdens een rekenles stond opeens mijn hele klas voor het raam omdat er een vogeltje langskwam. Prima. Buiten gebeurt het.”

Zijn groepje heeft al twaalf vogelsoorten genoteerd en als een paar jongens horen dat ze misschien in de krant komen als ze slimme antwoorden geven, proberen ze elkaar af te troeven.

Hanif is de eerste die de hazelaar herkent. Van der Waal legt uit waar je op moet letten: het puntje van het blad. Hij laat de kinderen aan bladeren voelen en kijken naar de rand van het blad: glad of getand. „En bij de eik is die gelobd, gegolfd”, tekent hij in de lucht. „Wie vindt de eik?” Meteen stuiven de leerlingen ervandoor „Dit is ’m!” roepen er een paar bij de esdoorns, totdat Bouke uiteindelijk een echte eik ontdekt. Als de gastdocent vraagt welke dieren graag eikels lusten, is Louise degene die het wilde zwijn weet te noemen.

Verschillen

Dan pakken de kinderen een papier met twee cirkels die elkaar deels overlappen. Wat zijn de verschillen tussen bomen en vogels? Dat is makkelijk: vogels kunnen vliegen, hebben veren en een snavel, bouwen een nest en maken geluid. Bomen staan stil, hebben wortels en leveren zaden en hout.

Maar dan de overeenkomsten. „Leven”, zeggen een paar kinderen meteen. David, met een wijs gezicht: „Water.” Naomi: „Naam.” Timotheüs: „Geschapen.” Door Wie? „Door God”, antwoorden de kinderen met overtuiging.

Sibren ontwaart een koppeltje ganzen, vijf op een rij. Wanneer tegen het einde van het uur de aandacht begint te verslappen, zijn de kinderen meteen weer bij de les als Van der Waal een overvliegende sperwer ontdekt, gevolgd door een buizerd. En dan zijn de libellen en paddenstoelen nog niet eens aan bod geweest.