Mieren op de kaart

Grauwzwarte renmier sleept een zojuist gevangen rupsje de boom uit. beeld Kees van Reenen
2

André van Loon klapt zijn zakmes uit en steekt aan de voet van een berk wat mos weg. Hij is op zoek naar mieren. De mierendeskundige is een van de auteurs van de vorige maand uitgekomen ”Ecologische atlas van Nederlandse mieren”.

Een zandige bosrand is ideaal voor mieren, vertelt Van Loon, uitkijkend over het Herikhuizerveld. Deze plek staat bij het publiek bekend als de Posbank en maakt deel uit van Nationaal Park Veluwezoom. „Daar op de hei wordt het lekker warm door instraling van de zon, terwijl hier in de bomen voedsel beschikbaar is, onder andere de suikerhoudende vloeistof die bladluizen afscheiden.”

Mieren komen dan ook het meest op zandgronden voor. De mierenatlas onderstreept dit beeld. In veengebieden leven wel een paar soorten die in natte grond leven, maar in de kleistreken vind je mieren vrijwel uitsluitend op zandige plekken in dorpen en wegbermen. Ook in intensief beheerd boerenland leven volgens Van Loon weinig mieren.

In gevaar

De atlas is samengesteld door EIS Kenniscentrum Insecten, een aan Naturalis verbonden stichting. In 2004 verscheen er een atlas van Nederlandse wespen en mieren. Wat de mieren betreft, ligt er nu een vervolg. De uitgave geeft volgens Van Loon een redelijk beeld van de verspreiding van de mieren over ons land. Alle 69 Nederlandse soorten staan erin, alsmede alle uitheemse soorten die ooit in ons land zijn gevonden. Daarin is de Nederlandse atlas uniek in Europa. Van de inheemse soorten is volgens de atlasmakers van bijna de helft, 29 soorten, het voortbestaan in gevaar. Negen soorten worden zelfs met uitsterven bedreigd.

Hoewel Nederland slechts enkele tientallen mensen telt die over een goede soortenkennis van mieren beschikken, hebben voor de atlas ruim 700 mensen gegevens geleverd. Een paar honderd van hen zorgden voor meer dan 25 waarnemingen. Verder werd er onder andere geput uit verzamelingen en gegevens van de website waarneming.nl.

Toch is de kennis over de insecten nog lang niet volledig. „Mieren inventariseren blijft moeilijk”, legt Van Loon uit. „De soorten zijn lastig te herkennen en bovendien leven er vele ondergronds. Sommige hebben zelfs geen eigen nest, maar leven in het nest van een andere soort. De glanzende gastmier leeft bijvoorbeeld net als allerlei andere beestjes als kostganger in bosmiernesten.”

De gastmier is een onschuldig beestje. Parasitaire mieren zijn daarentegen minder vriendelijk. De koningin van bijvoorbeeld de schaduwmier dringt het nest van een humusmier binnen, doodt de humusmierkoningin en legt eitjes. In de loop van de tijd sterven de humusmieren uit en is het nest door de schaduwmieren overgenomen.

Slavenarbeid

De aprilzon is aangenaam, maar er staat een gure wind op het Herikhuizerveld. Van Loon merkt dat de bodem nog koud is. Er is dan ook weinig activiteit. Toch wagen de eerste mieren zich in de buitenlucht.

Met een snelle beweging grijpt de mierendeskundige een roodbruine steekmier. Terwijl hij het beestje tussen twee vingers aan de pootjes vasthoudt zodat hij het goed kan bekijken en de angel buiten bereik blijft, haalt hij een loep uit zijn borstzak en bestudeert de voelsprieten. „Bossteekmier”, stelt de kenner vast.

Tegen een boom kruipt een mier met een gevangen rupsje. De rover, een grauwzwarte renmier, moet echter oppassen zelf niet in de klauwen van slavenhoudende mieren te lopen. Bloedrode roofmieren en de nagenoeg uit Nederland verdwenen amazonemieren (niet genoemd naar de rivier) dringen renmiernesten binnen om werksterpoppen te roven en naar hun eigen nest mee te nemen. Eenmaal uit de pop gekropen moeten de werksters slavenarbeid verrichten.

Verderop ontdekt Van Loon een wegmier. „Dat is de meest voorkomende soort in Nederland, die soms huizen binnenloopt op zoek naar zoetigheid. Binnenshuis leeft alleen de boommier en soms de glanzende houtmier.”

Kassen

Een viertal exoten veroorzaakt grotere problemen: de Argentijnse mier, de Atlantische dwergschubmier, het mediterraan draaigatje en de plaagmier. Terwijl tropische mieren alleen in kassen overleven maken deze soorten grote, vele koninginnen tellende nesten in de stad, dringen soms huizen binnen, ondergraven terrassen en zorgen dat er meer bladluizen komen door ze te beschermen tegen natuurlijke vijanden.

Bestrijding is niet eenvoudig, maar wel nodig. Niet alleen bezorgen ze overlast, ze kunnen door nestruimte en voedselbronnen in beslag te nemen ook inheemse soorten verdringen, waarvan vele het toch al moeilijk hebben, zoals de nieuwe mierenatlas aantoont.

Boekgegevens

Ecologische atlas Nederlandse mieren (Hymenoptera: Formicidae), P. Boer, J. Noordijk en A. J. van Loon; uitg. EIS, Leiden, 2018; ISBN 978 90 762 6114 0; 126 blz.; € 15,-.