Libelle en kever voor de lens

Parkbewoners
Veehouder Peter Thönnissen bij een uitkijktoren in Nationaal Park De Maasduinen. beeld RD, Henk Visscher

Peter Thönnissen houdt zijn pas in. De natuurgids bukt zich. Over het rulle zandpad van het stuifduin kruipt een insect. „Een bastaardzandloopkever. Zo op het oog zie je niet veel bijzonders. Maar als je een foto van hem uitvergroot, zie je een prachtig diertje.”

Zijn leven lang woont Thönnissen (59) al in Siebengewald. Een klein grensdorpje tussen Nijmegen en Venlo. De Limburger wijst vanuit zijn keukenraam naar een bomenrij: „Dat groene daar, dat is Duitsland.”

Parkbewoner

De boerderij van de melkveehouder –„zo’n zeventig stuks vee”– staat in het noordelijke deel van Nationaal Park De Maasduinen. Een langgerekt natuurgebied langs de Limburgse Maas. Karakteristiek zijn de rivierduinen van stuifzand.

Het is er goed wonen, vindt de boer. Hij houdt van de rust. „Je kunt hier een halfuur wandelen zonder iemand tegen te komen.”

Schepnetje

Lopend naar een duin geniet Thönnissen zichtbaar van de afwisseling in de natuur. Hij wijst: „Loofbos en naaldbos naast elkaar. Kijk, daar heb je een vennetje.”

Als gids is Thönnissen vrijwel wekelijks te vinden in de Maasduinen. Hij geeft rondleidingen aan schoolkinderen. „Ze gaan met een schepnetje de natuur in. Ik laat zien waar ze zoeken moeten. Ze vissen kikkervisjes op, of larven van libellen. Salamanders vangen ze het meest.”

Niet alle kinderen zijn even vertrouwd met de natuur, ziet Thönnissen. „Ze komen soms aan met hun zondagse kleren. Dat is niet handig als je in bomen gaat klimmen.”

Juist daarom zijn de uitstapjes in de natuur nodig, vindt hij. „Ik zie kinderen die normaal met hun telefoon bezig zijn nu buiten plezier hebben. Ze trekken stukjes hout weg om te kijken of er pissebedden onder zitten. Ze zijn niet bang om vies te worden. Je moet de natuur leren kennen om haar te gaan waarderen.”

Sprietjes

Zelf trekt de Limburger graag met zijn camera de natuur in. Het liefst schiet hij plaatjes van insecten. „Macrofotografie is mijn ding. Je ziet ingezoomd een heel ander diertje dan je met het blote oog voorbij ziet vliegen. Bijvoorbeeld bij vliegen zie je zelfs de evenwichtsorganen. Minuscule sprietjes met twee bobbeltjes eraan.” Naar de diertjes toe sluipen is een hele kunst. „Ze zijn heel waakzaam; want het is eten of gegeten worden. Je moet opletten waar je schaduw valt of dat er geen takje kraakt.”

Voor een mooie foto helpt het om de dieren te kennen. „Neem de viervleklibelle. Die kiest vaak een uitzichtspunt, zoals een uitstekend takje. Daar komt hij dan om de tien minuten terug om even te gaan zitten. Dan weet je dat je daar moet zijn.”

Ook het weer is van invloed. „Bij warm weer zijn de beestjes veel soepeler en actiever. Als het koud is, kun je een libelle soms zo van z’n tak pakken.”

Drugs

Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn in de Maasduinen. „Siebengewald heeft niet zo’n beste naam wat drugs betreft. Er zijn in de omgeving wiettelers opgepakt en in de bossen wordt drugsafval gedumpt.”

Ook Thönnissen vond weleens hennep tussen zijn mais. „De telers planten dat ertussen. Het waren maar een paar wietplantjes. Die heb ik eruit getrokken. Als het er meer zijn, ga ik naar de politie.”

Net als andere boeren zet hij oranje tonnen met een antiwietsymbool langs zijn land. Ter waarschuwing. „Zo zien de telers dat er wordt gecontroleerd.”

Thönnissen beklimt de uitkijktoren in de duinen. Hij wijst op de weidsheid van het landschap. „We staan hier ’s nachts met groepen. Je ziet eindeloos veel sterren. Soms hoor je in de verte een ree blaffen.”

Serie Parkbewoners

Op bezoek bij mensen die in een nationaal park wonen. Deel 2: Siebengewald.