In gesprek over tien bezwaren bij zon, wind en andere duurzame technieken

Duurzaamheidsdebat
De drie in gesprek. beeld RD, Anton Dommerholt
4

Zonnepanelen zijn giftig, windmolens doden trekvogels en accu’s van elektrische auto’s zijn niet te recyclen. Is dat zo? En zo ja, is het een reden om er niet aan te beginnen? In gesprek over de werkelijke duurzaamheid van duurzame technieken.

Jan Willem van de Groep kent het duurzame wereldje van binnenuit. Jarenlang was hij de luis in de pels van de bouwsector. Hij gaat in gesprek met twee RD-lezers: Johan Slootweg en Arnoud van Spronsen.

Slootweg heeft als gemeenteraadslid direct te maken met de energietransitie. „Die ontwikkelingen volg ik kritisch”, vertelt hij. Van Spronsen ziet de noodzaak van die transitie zeker in. Op zijn werk bij een waterschap houdt hij zich haast iedere dag bezig met de gevolgen van klimaatverandering. Wel staat hij wat sceptisch tegenover bepaalde technieken. „Ik heb zo mijn vragen bij de duurzaamheid van sommige innovaties. Het moet uiteindelijk wel echt duurzaam zijn en niet het beoogde doel voorbijschieten.”

1. Zonnepanelen, windmolens, accu’s voor elektrische auto’s zijn niet duurzaam. De productie kost zeldzame grondstoffen, die ook nog eens onder erbarmelijke omstandigheden en op milieubelastende manier worden gewonnen.

Slootweg: „Daar kan ik me in vinden. Het is een feit dat in zonnepanelen en windmolens zeer zeldzame metalen zitten verwerkt. Het is toch vreemd dat we de duurzaamheid pas beginnen te tellen als de techniek in Nederland wordt ingezet? Wat er daarvoor gebeurt, hoor je weinig over. Voor de magneten in een windmolen wordt het moeilijk te delven aardmetaal neodymium gebruikt. Deze grondstof komt vooral uit China en in het gebied waar het gewonnen wordt, is geen menselijk leven mogelijk. In de hele omgeving groeit geen plant. De Chinese arbeiders die in de mijnen werken, schijnen eerder te overlijden. Ik vind het jammer dat je van zulke onduurzame praktijken in het publieke debat in Nederland zelden hoort. Wij moeten met zogenaamde duurzame energie bezig zijn, maar aan de andere kant van de wereld sterven er mensen door ons toedoen.”

Van Spronsen: „Ik ben het eens met de stelling. Al die technieken zijn in principe niet duurzaam bij de productie. Er zit wat mij betreft wel een belangrijke maar aan. Wat is het alternatief? Zijn kolen, gas en olie dan wel duurzaam? Is het duurzaam als we in Iran en Irak tonnen olie uit de grond pompen, dat verschepen naar Nederland en daarbij soms onderweg nog eens duizenden liters verliezen, waarbij op die plekken ook geen leven meer mogelijk is? Fossiele brandstoffen zijn nog minder duurzaam. Zeker met het oog op klimaatverandering. We moeten kiezen wat het minst schadelijk is, en dan komen we uiteindelijk, denk ik toch, bij zonnepanelen en windmolens uit.

Daarbij komt dat er wel degelijk onderzoeken bestaan die ook de duurzaamheid van de hele levenscyclus van producten meten. Ook zijn er talloze initiatieven die onderzoeken hoe we op een andere, nog duurzamere manier zonnepanelen, windmolens of accu’s maken.”

Van de Groep: ”Ik sluit me hierbij aan. Als je bovenstaande stelling hanteert en op grond daarvan windmolens en zonnepanelen wilt afwijzen, dan moet je wel consequent zijn en ook stoppen met het gebruik van andere elektronica, zoals telefoons en computers. Van bijna alle grondstoffen of producten die we uit derdewereldlanden halen, geldt dat het op een slechte manier voor het milieu gewonnen of gemaakt is.

Jan Willem van de Groep (48) uit Doetinchem, opinieleider en veelgevraagd spreker rond de energietransitie, directeur Factory Zero (bedrijf voor duurzame bouwcomponenten), winnaar van de Duurzame 50 Vastgoed NL 2015, bedenker van de Stroomversnelling (een initiatief rond energieneutrale woningrenovatie). beeld RD, Anton Dommerholt

Dat laat onverlet dat er nog een flinke verduurzamingsslag te maken valt. Maar ik weet een ding: de fossiele industrie -kolen, olie en gas- valt niet duurzaam te maken, maar als we met elkaar de productiemethode van deze duurzame technieken willen verbeteren, gaat ons dat stap voor stap lukken. Dan wordt kobalt in Afrika (gebruikt voor accu’s in elektrische auto’s, MK) over een aantal jaar wel op een eerlijke manier gedolven.

Trouwens, dat de zeldzame metalen uit China komen, heeft vooral een vervelende reden. Het komt niet allereerst omdat de delfstoffen alleen daar in de bodem liggen, maar vooral omdat China het op een hele goedkope, milieubelastende manier uit de grond haalt.”

Slootweg: „Schijnbaar accepteren we dat het verschrikkelijke consequenties heeft voor de omgeving daar.”

Van de Groep: „Dat klopt natuurlijk niet, maar we accepteren het voor veel producten. Het is onredelijk om het voor een telefoon wel en voor een windmolen niet te accepteren. Als het om duurzame energie gaat, is het op dit moment nog kiezen tussen de minste van twee kwaden.”

Slootweg: „Dat moeten we nog maar afwachten.”

Van de Groep: „Ik ben wel eens bij een van de grote kolenmijnen geweest in China. Daar kan eveneens niemand leven. Of wat te denken van de teerzanden in Canada of de gebieden in Amerika waar met behulp van fracking -een zeer smerige methode- schaliegas uit de grond wordt gehaald? Het laat zien dat de winning van fossiele energie qua vervuiling in ieder geval niet onderdoet voor de winning van grondstoffen voor duurzame technieken.

En wat betreft de schaarsheid van de metalen die gebruikt worden voor duurzame energie: daarover ben ik hoopvol gestemd. Schaarste lokt innovatie uit om alternatieven te ontwikkelen.”

2. De productie van windmolens en panelen kost energie en dus CO2.

Van de Groep: „Uiteraard kost de productie energie, maar het is een mythe dat het vele jaren duurt voordat deze technieken energiepositief zijn. De huidige generatie windmolens op zee draaien al na enkele weken quitte. Voor windmolens op land ligt dat punt op 7 weken. Daarna maken ze dus nog tientallen jaren puur duurzame energie. Dat kan geen enkele fossiele brandstof zeggen.

Voor een zonnepaneel zijn de cijfers wat minder voordelig. Daarvoor geldt dat het zo’n tweeëneenhalf jaar duurt voordat deze de stroom heeft opgewekt die het kostte om het paneel te maken. Maar ook een zonnepaneel werkt daarna nog minstens 25 jaar groene stroom op.”

Slootweg: „Als je een elektrische auto over zijn hele levenscyclus bekijkt, is die zo duurzaam nog niet. In Nederland komt de elektriciteit voor die wagens nog vooral van kolencentrales, dus ze rijden feitelijk gewoon op fossiele brandstof.”

Van de Groep: „Klopt. Maar zelfs dan zijn ze al schoner dan fossiele auto’s. De energiemix moet nog beter worden uiteraard, maar dat gaat ook al de goede kant op. In 2017 was de emissie CO2 450g/kWh en een jaar later 390g/Kwh. Onlangs deed op LinkedIn een wild verhaal de ronde dat een dieselauto beter zou zijn dan een elektrische auto. Dat was fakenews, er klopte niets van. Ik had het al eerder voor mijn eigen elektrische auto berekend. Over een levensduur van 10 jaar deed-ie het qua CO2-uitstoot en qua kosten beter dan eenzelfde type auto op benzine. Ik kwam uit op 1500 kg CO2 minder per jaar inclusief de productie van de auto. Dat viel me wel iets tegen. De berekening deed ik op basis van de huidige energiemix. Ervan uitgaande dat die vergroent en dat een auto veel langer dan 10 jaar meegaat, wordt het plaatje positiever.”

3. Zonnepanelen en accu’s zijn niet te recyclen. Ze vormen het nieuwe asbest.

Slootweg: „Ik hoorde onlangs van een bedrijf dat een aanbod kreeg om het dak vol te laten leggen met zonnepanelen. „Oke”, zei de eigenaar, „maar dan tekenen we wel een overeenkomst dat de panelen er over 25 jaar weer vanaf worden gehaald.” Dat werd dus niet getekend, volgens mij omdat men niet weet waar de zonnepanelen heen moeten als ze worden afgedankt.”

Van de Groep: „Dat is simpelweg niet waar. Zonnepanelen bestaan vooral uit silicium, zeg maar zand. Verder zitten er nog wat waardevolle materialen in. Een paneel is prima te recyclen (alleen commercieel is het nog niet zo interessant, MK). Voor batterijen geldt dat deze al voor 96 procent zijn te hergebruiken.

Overigens kan ik me wel voorstellen waarom de overeenkomst niet getekend werd. Het businessmodel klopt daar niet bij. De onderneming was er niet op ingericht om de panelen na 25 jaar weer terug te nemen.”

Van Spronsen: „Waar dit argument vandaan komt, snap ik wel. Het klopt dat de eerste generatie zonnepanelen nog niet te recyclen waren. Maar je ziet dat de sector er zonder sturing van buitenaf al mee aan de slag is gegaan. De ontwikkeling naar nog beter recyclebare zonnepanelen zal vast doorzetten.

Dat zonnepanelen het nieuwe asbest zouden zijn, vind ik onzin. Asbest is een kankerverwekkende stof en zonnepanelen bevatten enkel wat metalen.”

Slootweg: „Ja, misschien is dat zo. Maar tientallen jaren lang dachten we dat asbest prima materiaal was. Je weet niet wat we over 25 jaar van zonnepanelen vinden.”

Van de Groep: „Een zonnepaneel bestaat op dit moment voor het overgrote deel uit gewoon glas wat niet giftig is. En verder wat waardevolle metalen (koper en tin, MK) voor bijvoorbeeld de geleiding van de stroom. In dunnefilm zonnecellen zit wel het giftige cadmium, maar zulke panelen worden amper in Nederland gebruikt.”

Slootweg: „De wieken van windmolens zouden ook niet goed te recyclen zijn.”

Van de Groep: „Het is een composiet (materiaal van met vezels versterkt kunststof, MK). Er zijn nu onderzoeken gaande om te proberen de wieken te recyclen, maar dat blijkt inderdaad verdraaid lastig. Een interessant idee is om de wieken in de shredder te stoppen en de snippers te gebruiken voor het maken van andere producten. Het recyclaat kan worden hergebruikt in bruggen, straatmeubilair en beton. Er bestaan bedrijven die dat nu al doen. Dit betekent uiteraard downcycling (zuiverheid en kwaliteit van grondstof gaan omlaag, MK). Maar ook hiervoor geldt: dit is geen argument tegen windmolens, omdat downcycling met talloze producten gebeurt die u en ik gebruiken.”

4. Wind en zonneschijn zijn er niet altijd. Dat kan nooit goed gaan met de elektriciteitsvoorziening.

Van de Groep: „Het eerste deel van de stelling is een feit natuurlijk. Het is echter te simplistisch om daarmee deze bronnen af te schrijven. Een windmolen op zee kan tegenwoordig als 50 procent van het totaal aantal beschikbare uren per jaar energie leveren. Wind op land slechts 20 procent. Zon en wind vullen elkaar mooi aan. In de zomer schijnt de zon en in de winter waait het. De vraag is dus niet hoe we seizoenen matchen maar hoe we pieken en dalen gaan overbruggen. Dat zal vooral gebeuren met kortetermijnopslag, van een dag tot hooguit een week.”

Slootweg: „Ik vraag me serieus af of het goed kan gaan. Hoe ziet u die hele energietransitie naar aardgasvrije huizen voor u? Zonne- en windenergie zouden de oplossing zijn, maar we kunnen moeilijk half Nederland volstouwen met windmolens en zonnepanelen? Want we hebben nogal wat nodig om huizen te gaan verwarmen op elektriciteit.”

Johan Slootweg (63) uit Maartensdijk, zelfstandig ondernemer in de detailhandel, SGP-fractievoorzitter in gemeenteraad van De Bilt.

Van de Groep: „De eerste stap is energiebesparing. Een belangrijk deel van de huizen moet een flinke isolatieslag maken. Het terugbrengen van die warmtevraag is misschien wel de grootste uitdaging. Ik ga ervan uit dat er dan een alternatief moet komen voor nog 50 procent van de huidige warmtevraag. Daar wil ik graag een aantekening bij plaatsen: de discussie wordt vaak vertroebeld doordat er van uit wordt gegaan dat de hele huidige warmtevraag over zou moeten op elektriciteit, dat is dus niet het geval.

Maar, hoe produceer je die warmte? Wind en zon zullen daarbij belangrijke, maar niet de enige oplossingsrichtingen zijn. Verder kun je denken aan aardwarmte, restwarmte en biogas. Het wordt een energiemix. Om een beeld te schetsen: als je de warmtevraag met 50 procent omlaag brengt en voor alle huizen in Nederland kiest voor elektrisch verwarmen – waar ik dus niet voor pleit–, dan zou je genoeg hebben aan een windmolenpark dat even groot is als het aantal windmolens dat nu is gepland tot 2023.”

Slootweg: „U noemt geothermie, dat is een techniek die nog in de kinderschoenen staat. We weten niet wat dat gaat uitrichten in de bodem. Wilt u -net als in Groningen- nog meer aardbevingen?”

Van de Groep: „Geothermie is in wezen geen nieuwe techniek. Het belangrijkste deel van de techniek ook wordt ingezet bij de winning van olie en gas. Wat de gevolgen zijn voor de bodem is nu nog niet bekend het water wat uit de bron wordt gehaald gaat ook weer terug de bodem in. De techniek is dus veel beter te beheersen dan de winning van fossiele bronnen.”

Slootweg: „U noemt verschillende energiebronnen, maar dan zit je nog steeds met het onregelmatige aanbod van zon en wind.”

Van de Groep: „Dat is niet zo’n probleem hoor. De kunst is om het elektriciteitsnetwerk slim te maken. Met slimme software kun je veel sturen. Software gaat gedragspatronen van mensen herkennen en weet bijvoorbeeld wanneer er pieken warm water te verwachten zijn in een huishouden en wanneer niet. Op basis van de weersverwachting -bijvoorbeeld de zon gaat over een aantal uur schijnen- beslist de software om het boilervat niet gelijk met warm water te vullen maar te wachten op de elektriciteitspiek van het zonnesysteem op het dak. En de elektrische auto laadt om negen uur ’s avonds op, omdat het dan harder gaat waaien.”

Slootweg: „Dat klinkt nog heel experimenteel.”

Van de Groep: „Zeker niet. Bij u vlakbij, in Soest, is er een woonwijk waar dit draait. En ook in Amsterdam en Utrecht zijn er experimenten gaande. De eerste veelbelovende pilots lopen dus al. Het grote voordeel hiervan is dat de elektriciteitsnetten minder zwaar ontworpen hoeven te worden.”

Slootweg: „Dan zit je nog met de winter. Je kunt de elektriciteit niet even een half jaar opslaan.”

Van Spronsen: „Een mogelijke oplossing is om waterstofgas te produceren als er pieken zonne- en windenergie zijn.”

Van de Groep: „Dat is de belofte ja, maar ik weet het persoonlijk niet met waterstof. Geen ondernemer peinst erover om een waterstoffabriek te bouwen voor de pieken. Dat is niet rendabel.

Wat betreft stroomvoorziening in de winter: de gedachte heerst dat het draait om de zon in de zomer, maar wind is juist nog belangrijker en waaien doet het -zoals gezegd- meer in de winter. In de winter hoeven we dus geen maanden te overbruggen, wel dagen en hooguit weken. Voor deze zogenaamde Dunkelflaute (langdurige perioden zonder zon en wind in de winter, MK) zullen we nog best lang gascentrales nodig hebben als buffer. Ergens tussen 2040 en 2050 zullen we dat gasverbruik waarschijnlijk vervangen door waterstof”

Slootweg: „Moeten we niet meer investeren in andere opties, zoals thoriumcentrales? Deze vorm van kernenergie is een alternatieve energiebron die weinig afval met zich meebrengt en ook geen CO2-uitstoot heeft.”

Van de Groep: „Thorium klinkt veelbelovend, maar het staat nog in de kinderschoenen. Dat betekent niet dat we er niet in moeten investeren, maar we moeten er op dit moment nog niet teveel van verwachten. Van zonne-energie riep men in de jaren 60 ook dat het zo’n mooie techniek was, we zijn -nu het doorbreekt- inmiddels vijftig jaar verder.

Hoewel ik niet per definitie tegen kernenergie ben, is ook dat geen efficiënte oplossing. Waarom niet? Het duurt minstens 15 jaar om zo’n ding te bouwen en dan zijn we te laat. Daar komt nog bij dat als we zo’n centrale zouden bouwen de kostprijs per kWh elektriciteit op 10 à 11 cent zou komen te liggen. Windenergie van molens op zee kost nu per kWh al rond de 4,0 cent. Financieel gezien is het dus ook niet aantrekkelijk.”

Slootweg: „Naar die windparken gaat nog een hoop subsidie. Hoewel de nieuwste windparken geen geld meer krijgen voor de exploitatie, komt er wel subsidie kijken bij de aanleg van de kabels en de ‘stekker’. De aansluiting wordt betaald vanuit de ODE (Opslag Duurzame Energie, MK).”

Van de Groep: „Eens, maar al reken je die kosten door, dan zijn dat geen centen per kWh en kom je nog niet op een prijsniveau van andere energieopties.”

Slootweg: „Als het gaat om de discussie over gasloos wonen, dan vraag ik me ook regelmatig af: vanwaar die enorme haast? Soms krijg je de indruk dat het al binnen een paar jaar geregeld moet zijn.”

Van de Groep: „We mogen er samen 30 jaar over doen, maar hoe sneller we zijn, hoe beter het is. Want iedere kilogram CO2-uitstoot die we kunnen verminderen is er een.”

Van Spronsen: „Ik denk dat we die discussie inderdaad niet los kunnen zien van de opwarming van de aarde.”

Van de Groep: „Denkt u zich het volgende eens in. We kunnen het ons niet permitteren te luisteren naar klimaatsceptici en dan erachter komen dat ze ongelijk hebben. In dat geval hebben we een enorm probleem en loopt klimaatverandering gierend uit de hand. Andersom kunnen we het ons wel permitteren de energietransitie in te zetten en erachter te komen dat klimaatverandering wel meevalt, op dat moment hebben we een hele nieuwe economie gecreëerd.”

Slootweg: „Dan kom je wat mij betreft ook op een principieel punt. Wij denken dat er brandende haast bij is, en dat we als mens God een handje moeten helpen. Dat staakt haaks op wat er staat in de Heidelbergse Catechismus Zondag 10. Want zolang deze aarde bestaat, zal zon en maan, zomer en winter en zaaiing en oogst door God worden onderhouden.”

Van Spronsen: „Als christen hoeven we inderdaad niet mee te doen met het maakbaarheidsdenken van seculiere politici. Dat betekent niet dat we niet onze verantwoordelijkheid hoeven te nemen. We zijn ook gesteld om te onderhouden wat God ons gegeven heeft. Overigens vraag ik me wel eens af: als je al het mogelijke doet qua zonnepanelen, windmolens en wat niet al, doen we het dan goed?”

Slootweg: „Nou, ik denk dat een christen er in ieder geval een sobere levensstijl op nahoudt en niet aan verspilling doet. We zouden wat dit betreft best wat vaker in de spiegel mogen kijken. Als we gaan verduurzamen, maar niet zorgen dat het op een goede manier gebeurt, dan is het zinloos. Dan doen we het puur en alleen om onze luxe levensstijl op peil te houden en zijn we overduidelijk met de verkeerde dingen bezig.”

Van Spronsen: „Daar heb ik nog wel een vraag over. Want als we zo willen leven dat we geen schade toebrengen aan de aarde, dan moeten we terug naar het welvaartsniveau van de jaren 50 van de vorige eeuw. Hoe komen we daar?”

Van de Groep: „Ik ben het met jullie eens dat zuinigheid van belang is. De beperking van de energieconsumptie is een van de sleutelfactoren in de energietransitie. Isoleren is op de lange termijn altijd rendabel. Iedere euro die je investeert in bijvoorbeeld isolatie of kierdichting is goed besteed. Of besparing ten koste moet gaan van welvaart, daar ben ik niet uit. Sowieso zal dat lastig zijn om te realiseren, omdat veel mensen dat niet zullen zien zitten. Ik weet wel dat we met z’n allen 14 miljard per jaar over hebben voor de levering van energie. Daar kunnen we veel mooiere dingen mee doen dan verbranden van fossiele brandstoffen.”

5. Als we huizen gaan verwarmen met warmtepompen, kan het elektriciteitsnet het niet aan.

Van de Groep: „Als we uitgaan van een bestaande wijk en de huidige manier waarop we dingen doen, kan het elektriciteitsnet het inderdaad niet aan. Maar zoals ik al aangaf: wijken zullen ingrijpend veranderen en krijgen een slim net. Op wijkniveau zal alle elektriciteit continue worden herverdeeld. Het zou goed kunnen dat fabrieken hun productie -en dus hun energievraag- gaan aanpassen op het aanbod dat er op een bepaald moment beschikbaar is.

Verder ben ik ervan overtuigd dat de doorbraak van de elektrische auto een zegen gaat worden. Die dingen staan voor 90 procent van de tijd stil. Op het moment dat er lokaal een elektriciteitsoverschot is, gooi je de accu’s vol. Deze slimme elektriciteitssystemen klinken als toekomstmuziek, maar zijn zeker geen rocketscience. De software hiervoor bestaat al.

Slootweg: „Maar bij alle software hoort ook hardware.”

Van de Groep: „Klopt, maar met deze software kan de mogelijke netverzwaring met factor vijf omlaag. Dat vraagt wel wat van de overheid. De toepassing van dit soort smart-grids in combinatie met de inzet van flexibele tarieven (bij groot aanbod van duurzame energie lage prijs en bij laag aanbod hoge prijs, MK) wordt nu nog tegen gehouden door wetgeving. Als energie goedkoop is bij een groot aanbod dan wordt het investeren in opslag bijvoorbeeld heel interessant voor bedrijven maar ook voor particulieren.

Overigens lijkt deze stelling ervan uit te gaan dat elektrisch verwarmen de enige mogelijkheid is voor gasloze woningen. Dat is niet het geval, je kunt ook met warmtenetten aan de slag.”

Slootweg: „Ja, maar die warmte moet wel ergens vandaan komen.”

Van de Groep: „Je hebt restwarmte, warmte uit het riool, warmte uit de bodem. In de energietransitie bestaan er geen favoriete energieoplossingen. Er is een scala aan mogelijkheden die we allemaal moeten benutten.”

6. Oude gebouwen krijg je nooit duurzaam verwarmd.

Slootweg: „In de gemeente De Bilt zitten we hiermee. We hebben ongeveer 11.000 woningen van voor 1980. Als we al die woningen gasloos zouden maken, dan gaat dat bij elkaar 500 miljoen euro kosten. In het ongunstigste geval moet iemand, bij wijze van spreken, 200 jaar oud worden om het verduurzamen van zijn woning terug te verdienen.”

Van Spronsen: „Vooral voor panden met een historische waarde is verduurzaming een probleem. Niet monumentale panden worden vast een keer gesloopt en dan kun je het in een keer duurzaam terugbouwen.”

Arnoud van Spronsen (26) uit Houten, adviseur ruimtelijke adaptatie en omgevingswet bij een waterschap.

Van de Groep: „Inderdaad zit Nederland met 2,4 miljoen woningen van vooroorlogse bouw die niet effectief te verduurzamen zijn. Dat is een flink probleem. Dat krijg je niet in 2030 al opgelost. Iedere gemeente die zegt in dat jaar energieneutraal te zijn, begrijpt niet voor welke uitdaging ze staan.

Gelukkig hebben we meer tijd. In de toekomst zullen vast slimme oplossingen bedacht worden voor woningen die nu moeilijk te verduurzamen zijn.

De overheid moet gaan proberen om de verduurzaming van woningen te faciliteren op het moment van een natuurlijke mutatie. Per jaar wisselen er zo’n 220.000 woningen van eigenaar. Op dat moment kun je je slag slaan wat betreft isolatie en nieuwe installaties. Een hogere hypotheek of een ander type lening kun je vervolgens wegstrepen tegen een lagere energierekening. De voorraad particuliere huizen krijg je dan binnen 30 jaar wel energieneutraal.”

Van Spronsen: „Niet elke investering in een huis kun je duurzaam noemen.”

Van de Groep: „Inderdaad zijn sommige keuzes niet CO2-besparend. Denk daarbij aan het installeren van een warmtepomp zonder de woning fatsoenlijk te isoleren. Of het omwisselen van een cv-ketel voor een elektrische kachel. Stel dat die gasketel 2.000 m3 gas verbruikte. Voor een elektrische kachel heb je dan 20.000 kWh elektriciteit nodig. Je bent dan alleen van het gas af maar je bent duurder uit en stoot meer CO2 uit.

De kreet „van gas los gaan” is dan ook best ongelukkig. Gasloos mag nooit een doel op zich worden.”

Slootweg: „Ik begreep dat het rendement van een HR++-ketel -95 procent- sowieso hoger is dan systemen met een warmtepomp. Omdat een groot deel van de elektriciteit gewoon uit kolen- of gasgestookte elektriciteitscentrales komt met een hoog rendementsverlies.”

Van de Groep: „Dat rekensommetje klopt niet. Al zou alle elektriciteit voor een warmtepomp van een gascentrale komen dan nog is het rendement van een warmtepomp twee keer zo hoog als de HR-ketel. Door rendements- en transportverliezen komt slechts 50 procent van de energie bij de woning aan in de vorm van stroom. Echter een warmtepomp gebruikt de elektrische energie om gemiddeld zo’n vier keer zoveel warmte-energie te produceren. Dat levert een uiteindelijk een rendement van 200 procent, tegenover de 95 procent van de HR-ketel.”

7. De maaiende wieken van windmolens doden vogels en de bouw van windparken op zee is slecht voor het zeeleven.

Van Spronsen: „Uit een onderzoek van vijf jaar rond een windmolenpark begreep ik dat de aanwezigheid van windmolens over het algemeen niet schadelijk is voor het zeeleven. Na de bouwwerkzaamheden komen ze schijnbaar gewoon terug. Per jaar zouden windmolens 50.000 vogels het leven kosten (cijfers uit 2005, MK). Dat is amper 2 procent van het aantal vogels dat omkomt door auto’s. Dat plaatst zo’n stelling wel in perspectief. En ook hier geldt, ja, er gaan vogels dood, maar bij olierampen net zo goed.”

Van de Groep: „Dit heb ik ook nog even opgezocht voor we dit gesprek ingingen. Uit studies blijkt dat slechts 1 op de 10.000 vogels die windmolens passeren worden geraakt. Op zee blijkt trouwens ook het tegendeel. Rond de windmolens mag er vaak niet gevist worden en is er geen scheepvaart. Dat creëert nieuwe biotopen voor het leven in zee. De windparken blijken juist goed voor biodiversiteit.”

8. De aanleg van zonneparken gaat ten koste van natuur of goede landbouwgrond.

Slootweg: „Mee eens. Als je een besef hebt van het wereldvoedselprobleem, dan is het onvoorstelbaar dat we onze vruchtbare akkers vol leggen met zonnepanelen. Met het oog op de stijgende wereldbevolking wordt het voedselprobleem alleen maar urgenter. Ik vind zonneparken op kostbare en broodnodige landbouwgrond geen christelijke invulling van goed rentmeesterschap.”

Van Spronsen: „Inderdaad, daar ben ik ook zeer kritisch op. Op het moment dat het voor een boer winstgevender wordt om zonnepanelen op zijn land te plaatsen, waardoor hij zijn koeien op stal moet gaan voeren met uit Argentinië geïmporteerde soja, dan schiet je je doel voorbij. Dan stoot je uiteindelijk dus meer CO2 uit, omdat het voer van ver komt.”

Van de Groep: „Ik ben het grotendeels met jullie eens. We hebben nog voldoende lege daken in Nederland. Laten we die eerst vol met zonnepanelen leggen.

Toch is er niets nieuws onder de zon. De energievoorziening heeft in iedere periode in de geschiedenis het landschap ingrijpend veranderd. In de tijd dat we nog veen verstookten, groeven we complete gebieden af om aan brandstof te komen. Tegenwoordig vinden we de natuur van de afgegraven veengebieden prachtig. De energievoorziening van de periode ervoor was nog dominanter: de bomenkap leverde kaalslag op in sommige gebieden.

Zonnepanelen vragen nu eenmaal om ruimte. Willen we daar onze kostbare ruimte in Nederland aan besteden? Duidelijk moet zijn: als je op lokaal niveau vergroent, maar op wereldschaal meer vervuilt, ben je niet goed bezig.

Wat je tegenwoordig ook steeds meer ziet is de optie van meervoudig landgebruik. Er zijn goede voorbeelden van energieparken die goed ingericht worden waar dieren kunnen grazen en die een belangrijke functie vervullen voor waterberging en het behoud van biodiversiteit. Daarnaast zijn er in de openbare ruimte natuurlijk nog heel veel mogelijkheden. Denk alleen maar eens aan de stukken grond rondom snelwegen en spoor die we kunnen benutten voor de opwek van energie. Grote parken zijn toch al snel de helft goedkoper dan een paneeltje op je dak.”

9. Het stimuleren van biomassa voor groene energie is geen duurzame optie.

Alledrie gesprekspartners knikken. Ze zijn het op dit punt roerend met elkaar eens.

Van de Groep: „Biomassa bijstoken is bijna nooit een goede keuze. Van iedere plantenvezel, kun je bouwmateriaal maken. Het grote voordeel daarvan is dat je daarmee CO2 voor een langere periode opslaat. Als je het in de hens steekt, komt de CO2 juist vrij in de lucht.”

Van Spronsen: „Biobrandstof van algen is misschien nog wel een optie.”

Van de Groep: Daar hoorde je tien jaar geleden heel veel over, tegenwoordig amper meer. Ik vraag me af of dat echt groot gaat worden.”

Problematisch aan bijna alle biobrandstoffen is dat het ruimte gebruikt en dat de vastlegging van CO2 traag gaat. Het is eenvoudig om grote hoeveelheden houtpellets (pellets zijn een soort snippers, MK) te verstoken en daarmee CO2 de lucht in te blazen, terwijl het zeker 25 tot 30 jaar duurt voordat die CO2 weer gebonden wordt.”

Slootweg: „In Duitsland verbouwen ze enorme hoeveelheden mais als energiegewas die ze zo in biovergisters kieperen. Dat kan nooit de bedoeling van de schepping zijn. Goed voer wordt zomaar weggegooid.”

Van Spronsen: ”Dankzij het gas dat het oplevert leven we er als mensen op een andere manier van, maar ik ben het zeker met u eens.”

Van de Groep: „In Nederland staan er -onder meer bij boeren- ook vergisters voor reststromen van biomassa, zoals snoeiafval, slib mest. Deze vergisters draaien vaak financieel niet goed. Sommige reststromen moeten we zeker benutten voor het opwekken van energie, maar dat gaat niet om significante hoeveelheden. Gewoon snoeiafval kan uiteindelijk beter worden gebruikt om houten plaatmateriaal te maken.”

10. Windmolens en zonnepanelen hoef ik niet (in mijn achtertuin), ze zijn gewoon lelijk.

Slootweg: „Als ik naar de provincie Utrecht kijk, is het een feit dat er maar een zeer beperkt aantal locaties geschikt zijn voor het bouwen van windmolens. Het zou een teloorgang van het Utrechtse landschap zijn, als daar massaal windmolens geplaatst zouden moeten worden. Ik vind het frappant dat sommige politieke partijen geen enkel probleem hebben met de bouw van windmolens in het buitengebied, maar wel grote problemen hebben met de bouw van woningen buiten de huidige bebouwingsgrenzen.”

Van Spronsen: „Ik ben het oneens met deze stelling. Windmolens zijn misschien niet mooi om naar te kijken, maar als je duurzame energie wilt, en dat wil ik, moet je ook concessies doen. Die molens wennen vanzelf.

Hetzelfde geldt voor zonnepanelen. Op oude boerderijen is het niet mooi, maar een gemiddeld huis kan prima zonnepanelen hebben. Ik ben van mening dat functionaliteit boven esthetische waarde hoort te gaan.”

Van de Groep: „Van iedere energiebron moet je de schoonheid zien. Welk uitzicht een windmolen zou verpesten is mij nog steeds niet duidelijk. Als het regent vallen ook niet alle waterdruppels op jou. Kijk er eens langs zou ik zeggen. En laat mensen die zo’n ding in de buurt krijgen direct financieel meeprofiteren van windmolens. Dan ga je ze toch anders zien, vermoed ik.

Hetzelfde geldt voor zonnepanelen. Een mooie, Engelse uitdrukking luidt: Beauty is in the eye of the beholder (oftewel: schoonheid is subjectief, MK). Ik vind ze niet lelijk maar een criticaster zal ze altijd lelijk blijven vinden.”

serie Duurzaamheidsdebat

De huidige discussie rond klimaat en duurzaamheid valt gerust verhit te noemen. Er klinken sceptische geluiden, er zijn kritische stellingnames. Maar wat is er waar van al die statements? In deze serie gaan diverse kritische lezers het gesprek aan over verschillende thema’s.

Deel 1: klimaatverandering

Deel 2: duurzame ambities

Deel 3: duurzame technieken

Deel 4: theologische aspecten