De boon is te gewoon, te vanzelfsprekend

‘Vliegende’ tuinbaas Taco IJzerman en voedingskundige Yneke Kootstra. beeld Andre Dorst
8

In Amerongen groeien deze zomer oude bonen- en erwtenrassen. Reade krobbe, dikpenske, CGN 2952, Friese gele woud. Wie kent ze niet?

De SGP-wethouder van de gemeente Utrechtse Heuvelrug was gevraagd voor de offi­ciële opening. Zijn achternaam? Boonzaaijer. „Al spreken we in de tuinbouw niet over zaaien, maar over bonen leggen”, zegt Taco IJzerman, een van de initiatiefnemers van de ‘bonenetalage’ die deze zomer is ingericht in de historische moestuin van Kasteel Amerongen.

Vijf ”heilige boontjes” ‘legde’ Boonzaaijer als openingshandeling. Exemplaren van een ras dat zijn naam dankt aan de opvallende tekening die de boon heeft. „Rooms-katholieken zagen er een engeltje in, vandaar die naam”, verklaart IJzerman. „Boven de grote rivieren, bij de protestanten, heet deze boon al generatieslang ”het soldaatje”. Ze interpreteerden de vlek anders. Een kwestie van de boon omkeren.”

In de ‘etalage’ staan zo’n vijftien soorten erwten en kapucijners en eenzelfde aantal bonensoorten. Sommige zijn in de handel, de meeste niet. De genenbank van het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland in Wageningen leverde het zaaigoed. Dat centrum, onderdeel van de univer­siteit aldaar, beheert collecties genetisch materiaal van (groente)gewassen, landbouwhuisdieren en bomen en struiken.

Variëteit

Ooit was er in Nederland een variëteit aan bonen, zegt IJzerman. „Meer dan alleen de sperziebonen, snijbonen, witte en bruine bonen, tuinbonen en kapucijners die we nu kennen. Door de mechanisatie in de tuinbouw wilden telers alleen nog maar soorten die gemakkelijk te oogsten zijn. Veel oude bonenrassen zijn daardoor verdwenen.”

Vroeger had vrijwel elke provincie haar eigen ras, dat veel verrassende kleuren had van geel via rood naar zwart en van bruin tot oranje, met talloze gespikkelde en bonte tussenvormen. En dan ook nog eens met niet alleen groene schillen, maar ook gele, paarse of bonte.

Veel bonen in de genenbank zijn nog niet beschreven. IJzerman: „Soms is er alleen een nummer. CGN 2952, bijvoorbeeld. Sommige rassen werden zo kleinschalig geteeld dat het stopte als drie tuinbouwers ermee ophielden. Tenzij iemand zo snugger was om duplicaten bij de genenbank te deponeren. Meer dan een beschrijving is er vaak niet bij, zoals „leuk, laag groeiend ras, vrij productief, geteeld in Zeeland.” Je moet echt met zo’n boon aan de slag om te zien wat-ie doet.”

IJzerman wijst op erwtenplanten in een hoek van de moestuin. „Die erwten hadden bij de genenbank wel een naam: Venlose lage. „Stam- of kruiperwt”, stond erbij. Het type was dus een vraagteken. Het blijkt een heel laag plantje te zijn met weliswaar niet veel erwten in een schil, een stuk of vijf, maar er zitten er bij elkaar toch aardig wat aan. Door de geringe hoogte niet echt geschikt op natte grond, maar in een droge bodem doet deze erwt het prima. Een makkelijk plantje, echt iets voor minimoestuinen. Op een klein oppervlak heb je een leuke oogst. Ideaal dus om op balkons te telen, maar dat wisten we tot nu toe niet.”

Op de juiste plek ingezet

De historische bonenetalage sluit aan bij het Internationale Jaar van de Boon, waartoe de Verenigde Naties 2016 hebben uitgeroepen. Dat speciale etiket heeft twee doelen. „Onderzoek en promotie kunnen de functie van bonen, linzen en erwten als gezonde en duurzame bron van eiwitten verstevigen. Daarnaast zijn ze als eiwitbron en groene bodemverbeteraar ook nog eens wereldwijd van belang in de strijd tegen voedseltekorten.”

Dat spreekt IJzerman aan. Hij studeerde tropische cultuurtechniek en was enkele jaren ontwikkelingswerker. „Dat we het wereldvoedselvraagstuk niet oplossen met dierlijke eiwit­bronnen weten we langzamerhand wel. Daarom is de genenbank zo belangrijk. Het is niet altijd erg als er rassen verdwijnen, zeker niet als ze minder van kwaliteit zijn. Maar oude Nederlandse bonensoorten kunnen mogelijk elders heel goed dienstbaar zijn als ze op de juiste plek op de goede manier ingezet worden. Wellicht hebben ze eigenschappen die we daar misschien nodig hebben: goed tegen droogte kunnen bijvoorbeeld, of schimmeltolerant.”

Als ‘vliegende’ tuinbaas adviseert en begeleidt IJzerman bij het beheer van moestuinen en ander groen op landgoederen; zelf beheert hij Landgoed Huis Sevenaer bij Zevenaar. Vijftien jaar had hij een eigen tuinbouwbedrijf. „Ik wilde wat met het bonenjaar, juist ook met het oog op het voedselvraagstuk. In Amerongen was er ruimte voor.” De historische bonenetalage zette IJzerman op in samenwerking met de Bruine Bonenbende van voedingskundige Yneke Kootstra en culinair journalist Onno Kleyn, die in 2009 begon als „een ludiek initiatief om de boon populairder te maken.”

Rare plek op schijf van vijf

„Bonen hadden bij de schijf van vijf van het Voedingscentrum altijd een rare plek”, vertelt Kootstra. „Inmiddels is dat wel veranderd, ook doordat we er een beetje tegenaan geschopt hebben. Het was onduidelijk; de ene keer werden bonen bij de koolhydraten genoemd als vervangers van aardappelen. Dan stond er weer ergens een zinnetje waarin bonen als alternatief voor vlees werden aangeprezen. Maar dat bonen goed voor je zijn en dat je ze vaker zou moeten eten, was nergens heel duidelijk. Ik had graag gezien dat in een beleidsnotitie van het ministerie van Economische Zaken de boon nadrukkelijker als vleesvervanger zou zijn genoemd. Eerst gaat het over kweekvlees, over insecten en algen, daarna volgt pas een kleine paragraaf over bonen, terwijl die voor de consument veel aantrekkelijker zijn.”

Kootstra heeft wel een vermoeden waar die onderwaardering op berust. „Het grappige van bonen is dat ze zo veel goede eigenschappen hebben dat het heel moeilijk is om er een goed marketing­verhaal aan te koppelen. Iedere marketeer zou zeggen: En wat is nu het unieke pluspunt van de boon? Het zijn er vele: super­lekker, goed voor de bodem, duurzaam in productie, verwerking en transport, gezond, vezelrijk, eiwitrijk en ook nog eens goedkoop. De boon is te gewoon, te vanzelfsprekend. Als we topkoks van restaurants vragen hoe het bij hen is gesteld met bonen op de kaart, zeggen ze vaak: „Ja, supermooi product, je kunt er heel creatief mee zijn.” Maar op het moment hebben ze toch geen boon op het menu staan. „Maar nu je het zegt…”, hoor je dan.”

De Bruine Bonenbende heeft goede hoop dat de boon „meer gaat leven.” „Het helpt mee dat de consument minder koolhydraten wil eten, en anders in elk geval goede. Maar we zouden wel wat meer waardering voor de boon mogen tonen. De bonenetalage laat zien dat de boon helemaal met onze cultuur verweven is. In Italië, in Umbrië, hebben ze linzenfeesten. In de oogstmaand worden linzen daar als specialiteit in de markt gezet. Waarom is er ook niet zoiets met voluit Nederlandse producten als bruine bonen en kapucijners?”

In de historische moestuin van Kasteel Amerongen heeft op 1 oktober een publieksdag plaats met lezingen, een proeverij en activiteiten voor jonge en oudere bezoekers. Thema: ”Dop je eigen boontjes”. 

www.kasteelamerongen.nl

----

„Een van de beste producten uit de natuur”

„Voedingskundig gezien behoren bonen en andere peulvruchten tot de beste producten uit de natuur”, zegt Yneke Kootstra. „Peulvruchten bevatten meer vezels dan de meeste andere vezelrijke producten en zijn rijk aan eiwit.”

Op de internetpagina’s van de Bruine Bonenbende worden vijf pluspunten van peulvruchten genoemd.

1. Peulvruchten zijn lekker, gezond, makkelijk (blik en pot), veelzijdig, puur natuur, zonder toevoegingen en niet duur.

2. Peulvruchten bevatten van nature veel vezels, (plantaardige) eiwitten en mineralen. Ze leveren relatief veel voedingsstoffen per calorie.

3. Door peulvruchten te eten, vergroot je de variatie aan vezels in de voeding.

4. Peulvruchten hebben een lage glycemische index. Dat betekent dat de koolhydraten langzaam in het lichaam beschikbaar komen. Hierdoor blijft de bloedsuiker­spiegel stabieler, en dat maakt peulvruchten tot een gezonde energie­bron.

5. Peulvruchten verzadigen goed door een hoog percentage eiwit en de lage glycemische index. Dit is aantrekkelijk voor mensen die op hun gewicht letten.

Kootstra: „De Gezondheidsraad, het Voedingscentrum en het Wereld Kanker Onderzoek Fonds raden aan meer peulvruchten te eten, om diverse positieve voedingskundige eigenschappen, met name het vezelgehalte. Dat is van belang voor het voorkomen van overgewicht, hart- en vaatziekten maar ook van darmproblemen.

Van de Nederlanders eet 90 procent te weinig vezels. Het Voedingscentrum heeft onlangs in de richtlijnen voor een goede voedselkeuze berekend dat je met standaard Nederlandse voeding niet of amper aan de aanbevelingen voor vezels kunt voldoen. Met regel­matig een portie peulvruchten wordt de dagelijkse hoeveelheid van 30 tot 40 gram vezels gemakkelijker bereikt. Twee opschep­lepels (100 gram) gekookte bruine bonen bevatten al 8 gram vezels. Ter vergelijking, één volkorenboterham bevat 2,5 gram vezels.”

Peulvruchten zijn rijk aan plant­aardig eiwit. „Op zichzelf zijn ze geen volwaardige vleesvervanger, maar in combinatie met graanproducten wordt wel een volledig pakket verkregen aan aminozuren, vergelijkbaar met dierlijk eiwit”, aldus Kootstra. „Het is niet nodig om binnen een maaltijd deze combinatie te maken, maar het is natuurlijk goed mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan rijst, brood of burrito’s. Peulvruchten zijn niet alleen een goedkope eiwitbron, ook de duurzaamste in vergelijking met zuivel, kip, vlees en vis. Dat maakt peulvruchten een voor de hand liggende keuze voor vegetariërs en flexitariërs, mensen die één of meer dagen per week geen vlees willen eten.”

www.bruinebonenbende.nl