Dakbeplanting en rietvijver moeten 
stad vogelvriendelijk maken

Een merel neemt een bad. beeld ANP, Olaf Kraak

Het aantal vogels in de stad is tussen 1990 en 2017 afgenomen. Dertien van de twintig voor de stad kenmerkende broedvogelsoorten dalen in aantal. Tijd om de stad vogelvriendelijker te maken.

De bekende merels en zanglijsters doen het in het landelijk gebied nog goed, maar in de stad hebben deze vogels het moeilijk. De kuifleeuwerik is vrijwel verdwenen.

De Vogelbescherming en de Zoogdiervereniging hebben een zogenoemde Checklist Groen Bouwen gepubliceerd. Want de achteruitgang van vogels en vogelsoorten heeft alles te maken met het gebrek aan groen en water in de stedelijke omgeving. En dat terwijl Nederland voor 16 procent uit bebouwd gebied bestaat. Van alle Nederlanders woont zo’n 95 procent in de bebouwde kom.

„Tot voor kort was er in de bouw eigenlijk weinig aandacht voor natuur. En natuurbeschermers hadden weinig aandacht voor de stad. Het waren twee gescheiden werelden”, zeggen de Vogelbescherming en de Zoogdiervereniging. „Dat is jammer, want duurzaam bouwen staat erg in de belangstelling. Het blijkt helemaal niet kostbaar en ingewikkeld te zijn om maatregelen te treffen voor het behoud van vogels en vleermuizen.”

Voorbeelden zijn het aanbrengen van een vogelvide onder de dakrand. Zo’n vogelvide bestaat uit een rij halfopen stenen, waarin mussen en zwaluwen zich graag terugtrekken. Neststenen her en der in de gevel zijn aantrekkelijk voor de gierzwaluw en de zwarte roodstaart. Een schelpeneiland op een plat dak lokt scholeksters en visdiefjes. De slechtvalk is blij met een nestkast op een beschutte plek tegen een schoorsteen. Daken of muren met beplanting herbergen veel insecten, waar vogels op af komen.

Vogelvallei

„Mensen denken bij de bebouwde kom vaak alleen aan de woonomgeving. Maar er zijn in Nederland vierduizend bedrijventerreinen aan de rand van steden en dorpen. Daar is ook veel winst te behalen.” De Vogelbescherming pleit bijvoorbeeld voor halfopen bestrating, zodat de terreinen geen aaneengesloten betonnen vlaktes worden. Helofytenfilters (vijvers met riet) voor waterzuivering zijn een paradijs voor vogels.

In het Rotterdamse havengebied is bijvoorbeeld met succes een vogelvallei aangelegd. Voor de Hessenpoort in Zwolle is een ecologisch plan gemaakt met voor vogels en andere dieren geschikte bomen, waterpartijen en struikgewas.

„Projectontwikkelaars die rekening willen houden met de natuur in hun ontwerp, kunnen op de checklist een aantal simpele vragen met ja of nee beantwoorden. Zoals: Zijn de daken hellend of plat? Zijn er buitenruimtes? Welk bouwmateriaal wordt gebruikt? Bij elk antwoord past een diervriendelijke suggestie.”

Particuliere stadsbewoners kunnen ook zonder bouwkundige ingrepen veel doen om goed voor de vogels te zorgen. Waterschappen en natuurbeschermers zoals Sovon Vogelonderzoek waarschuwen al langer tegen het volledig ‘verstenen’ van tuinen. Tuinen die helemaal betegeld zijn, houden geen regenwater vast. Dat is slecht voor de grondwaterstand en voor dieren. Want de vogels hebben dorst, aangezien veel vijvers, beekjes en sloten droog staan in een hete zomer.

„Een ondiepe bak met drinkwater is welkom”, aldus de Vogelbescherming. „Vogels gaan er ook in badderen. Het is niet waar dat ze dan bevriezen, want de waterdruppels rollen van hun vette verenkleed af. Alleen als het hard vriest, is het beter om wat ijs te vergruizen, wat ze kunnen oppikken.”

Snavel

Het is, zegt Sovon Vogelonderzoek, inmiddels wetenschappelijk bewezen dat vogels niet lui worden van bijvoeren. „Ze eten precies wat ze nodig hebben en zullen daar altijd naar blijven zoeken.” In de winter kost het vogels veel energie om hun lichaamstemperatuur van 40 graden Celsius vast te houden. Tijdens een koude nacht kan een roodborstje wel 10 procent van zijn lichaamsgewicht verliezen. Vetbollen, pinda’s en pindakaaspotjes zijn prima extraatjes.

Overigens is volgens de Vogelbescherming aan de vorm van de snavels te zien wat een vogel het liefste eet. Een merel trekt met zijn spitse snavel het liefst wormen uit de grond. Een boomklever heeft een dun snaveltje, waarmee hij in de bast van bomen insecten kan grijpen. En vinken zijn dol op zaden en pitten. Daarvoor hebben ze een sterke, kegelvormige snavel.