Bokjes met meerwaarde

Geiten. beeld ANP

Melkgeitenbedrijven zijn biologisch als de geiten van april tot oktober in de wei lopen en biologisch geteeld voer krijgen, waarvan niet meer dan 40 procent krachtvoer. De geit, vroeger ook wel de koe van de armen genoemd, kan met weinig toe. Maar als ze melk moet produceren, heeft ze wel degelijk behoefte aan een stevig menu, anders gaat de melkgift snel achteruit. Verder moeten de dieren op stal voldoende ruimte en daglicht hebben.

De houders van biologische melkgeiten hebben besloten bokjes biologisch af te mesten en er geleidelijk minder naar de gangbare afmesters te sturen. Dit jaar moet dat 30 procent van de bokjes zijn en volgend jaar 50, daarna gaat het via 75 procent naar 100 procent in 2022.

Tachtig procent van de biologische geitenhouders levert zijn melk aan de Organic Goatmilk Coöperatie, de rest levert direct aan klanten of verwerkt de melk zelf en maakt er kaas van.

De biologische melkgeitenhouders bundelen de krachten om de bokjes, die een bijproduct zijn van de melkproductie, meerwaarde te geven. Ze willen de kosten beperken, de dieren langer aanhouden en het vlees in Nederland aan de man brengen.

Nieuwsgierig storten de jonge geiten zich op wie zich maar in hun omgeving begeeft. Ze springen tegen je op en knabbelen aan je jas, je broek en als ze de kans krijgen aan je haren. Boerin Aafke van Tilburg-Gratama van Andel heeft er nog steeds plezier in. Samen met haar man Jan runt ze in Oude-Tonge op Goeree-Overflakkee (Zuid-Holland) een biologisch bedrijf met 770 melkgeiten –vooral witte Sanengeiten met lichtbruine Franse Alpines– en daarnaast ongeveer 250 jonge dieren.

De geitjes houdt het stel aan ter vervanging en verjonging van de veestapel, want na een jaar of zes geeft een geit niet zo veel melk meer. Jaarlijks wordt zo 20 tot 30 procent van de geiten vervangen. Niet alle geiten werpen elk jaar. „We laten ze alleen dekken als de melkproductie minder wordt dan een liter per dag”, aldus Van Tilburg. Jonge geiten zijn niet meer dan een bijproduct van de melkgeitenhouderij.

Dat geldt zeker voor de bokjes, die immers niet worden aangehouden. Het familiebedrijf heeft een stuk of acht dekbokken, en dat is voldoende. De bokjes vormen een kostenpost: ze blijven drie weken op het bedrijf en kosten algauw drie tientjes voordat ze worden geslacht.

De biologische geitenhouders zoeken naar manieren om de bokjes een tijdje aan te houden en de kosten terug te verdienen. Met behulp van de coöperatie Bio Goat Meat proberen ze een afzetmarkt te creëren voor het vlees van de jonge dieren dat nu veelal naar Zuid-Europa gaat. Daar is men meer dan in Nederland bekend met geitenvlees. „Met Pasen kopen gezinnen graag een heel zuiglam, een ”capretto”, dat 4 tot 6 kilo vlees oplevert”, licht Van Tilburg toe. „Het mag niet te groot of te zwaar zijn, want dat krijgen ze niet op en is te duur.” Het vlees van de allerjongste dieren wordt wel verwerkt tot honden- en kattenvoer.

Vegetariërs

De biologische geitenboeren verzetten zich daartegen. Zij willen op hun eigen bedrijf meerwaarde geven aan het leven van de bokjes en zien graag dat het vlees beter wordt benut. „Eigenlijk zouden de vegetariërs die zo van geitenkaas houden ook eens wat geitenvlees moeten eten, want het één krijg je niet zonder het ander”, peinst de boerin, die net als haar man in een werkgroep zat die een jaar geleden leidde tot de oprichting van Bio Goat Meat. Zij regelt de aanvoer van bokjes naar de slager voor de aangesloten boeren en verzamelt de orders bij de klanten.

Bij de organisatie zijn 35 van de 45 biologische geitenhouders in Nederland aangesloten. Met elkaar proberen ze restauranthouders te interesseren voor biologisch vlees. „Het is mager vlees, rijk aan mineralen, en de smaak is zachter dan van schapenvlees. Bokkenvlees smaakt ook niet anders dan dat van geiten.”

Van Tilburg wijt de moeite die de geitenhouders in het algemeen moeten doen om het vlees af te zetten aan de onbekendheid. „Wie het eet, vindt het lekker.” Al speelt ongetwijfeld mee dat het nogal prijzig is: zo’n 24 tot 30 euro per kilo als het bij de consument op zijn bord ligt. „Niet-biologisch geitenvlees kost ongeveer de helft”, schat ze.

Vers gras

Zodra het weer het toelaat lopen de geiten buiten in de 25 hectare grasland rond het bedrijf. Elke dag krijgen ze er een stuk met vers gras bij. Aan het eind van de middag gaat het hek weer open en hollen ze naar de melkmachine, waar 62 dieren tegelijkertijd in een carrousel worden gemolken. Twee keer per dag kost dat het stel en hun vaste medewerker Jors twee uur. Voor de geiten verbouwen ze
30 hectare met kuilvoer, mais en voederbieten en daarnaast nog uien, aardappelen en spruiten.

In de stallen staan de jonge geiten aanvankelijk nog bij elkaar in een dikke laag vers stro, maar na verloop van tijd worden geitjes van de bokjes gescheiden. De bokjes krijgen extra krachtvoer –mais en bieten– om wat vlees op de botten te kweken. De geitjes worden zo snel mogelijk onthoornd omdat ze elkaar gemakkelijk beschadigen bij schermutselingen die nu eenmaal gepaard gaan met het bepalen van de rangorde in de groep. Omdat de bokjes toch weggaan, is dat voor hen niet nodig; een deel van de dieren heeft helemaal geen hoorns, een kwestie van erfelijkheid.

Ook de dekbokken zijn onthoornd omdat dat veiliger is voor de geiten. „Ze kunnen er zelfs poten mee breken”, vertelt de boerin terwijl twee jonge dieren zich op de achterpoten verheffen en de koppen tegen elkaar kletsen; een derde geit bemoeit zich met het conflict, geeft één van twee een ferme por tussen de ribben en de strijd is gestreden.

Een deel van de bokjes gaat na 23 dagen naar de slager, ze wegen dan circa 8 kilo. De rest wordt nog wat langer aangehouden en een deel blijft zelfs tot negen maanden omdat de afnemer graag grotere stukken vlees wil en de kosten voor het slachten van zo’n ”chevon” gelijk zijn. „Met grotere dieren is het uitbenen nog wat makkelijker, al is het vlees wat minder mals dan van de capretto’s.”

Bio Goat Meat streeft ernaar afnemers het hele jaar door van vlees te voorzien. Dat er op het bedrijf in Oude-Tonge in het voorjaar én in het najaar lammeren worden geboren helpt daar flink bij.

De 35 samenwerkende boeren proberen af te stemmen wie wanneer bokken kan leveren voor de slacht. Een deel van het vlees wordt diepgevroren bewaard en pas later uitgeleverd aan restaurants, die het als streekproduct op de kaart zetten –„Ze vinden het nogal duur”– en aan webwinkels. Van Tilburg vindt het wel jammer dat restaurants het niet als biologisch product op de kaart zetten.

De oudere geiten die onvoldoende melk geven, gaan naar de (halal)slager in Engeland en landen buiten Europa. Hun vlees leent zich prima voor stoofpotjes. „Heel lekker als je het serveert met een aardappeltje en rodekool bijvoorbeeld.” In de Nederlandse keuken speelt geitenvlees een bescheiden rol, maar dat betekent niet dat dit niet anders kan. Van Tilburg legt ter ondersteuning van haar woorden kookboeken op tafel van Nel Schellekens en de Britse kok James Whetlor waarin talloze recepten staan.

Pogingen om geitenvlees te laten verwerken in biologische kant-en-klaarmaaltijden hebben nog niet veel opgeleverd. Toch is de boerin optimistisch: „Geitenkaas was aanvankelijk ook niet populair en nu kun je het overal krijgen, zo kan het met geitenvlees ook gaan.”