Alleen platanen profiteren van de droogte

Droogvallende geul bij Everdingen. beeld Theo Haerkens
2

Het weer van de laatste weken grijpt diep in de natuur in. Vennen en beken verdrogen en vissen gaan dood. Natuurorganisaties zien een opeenstapeling van de gevolgen van de hitte en de droogte van dit moment in combinatie met het effect van de versnippering van leefgebied en verandering van het klimaat die al veel langer spelen.

Zelfs de muggen verdwijnen. De poeltjes en plasjes waar ze normaal eitjes leggen en waar larven zich ontwikkelen, staan droog. Het beeld dat Lars Soerink van de Vogelbescherming schetst van de gevolgen van de hitte en droogte die Nederland treffen, klinkt niet onmiddellijk als een angstvisioen. Het wordt dat wel zodra je je realiseert dat muggen en andere insecten het belangrijkste voedsel vormen voor veel vogels en andere kleine dieren.

„In de hogere delen van het land zijn de natte plekken opgedroogd en is er niets meer te halen voor insecteneters”, stelt hij. „Zelfs de huismus, die zaden eet maar zijn jongen voedt met insecten, kan in de problemen komen. De meeste jonge vogels zijn al wel uitgevlogen, maar de nood is hoog.”

Vooral dieren die zich moeilijk verplaatsen zijn de klos, lijkt het. Vogels zijn mobiel en kunnen, afhankelijk van de soort, enorme afstanden afleggen. „Gierzwaluwen uit de Randstad vliegen rustig 50 kilometer om bij het IJsselmeer muggen te vangen.” De warmte zelf is niet zo bezwaarlijk. „Grutto’s brengen een groot deel van het jaar door in Mauritanië, waar dit soort temperaturen normaal is”, illustreert Soerink. De huismus gaat in zijn leven niet veel verder dan 400 meter en behoort tot de vogels die zich onder deze omstandigheden minder kunnen aanpassen.

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor adders en levendbarende hagedissen die omkomen bij heidebranden. Daar komt bij dat deze dieren erg honkvast zijn, waardoor ze bij gebrek aan voedsel of water niet gemakkelijk een geschiktere plek opzoeken. „Ringslangen daarentegen kunnen zich in de loop van een jaar wel een paar kilometer verplaatsen”, aldus Tariq Stark van Ravon, dat zich richt op de studie en bescherming van amfibieën, reptielen en vissen. „Stedelijk en landbouwgebied is voor de ringslang een minder groot obstakel dan voor de adder en de levendbarende hagedis.”

Kleine dieren

Ook kleine zoogdieren hebben het zwaar. Muizen, wezels en hermelijnen kunnen moeilijk de kleine rommelhoekjes waar ze leven ontvluchten als daar gebrek is aan voedsel of water. „Eikel- en hazelmuis kunnen niet in de harde bodem graven, en de bramen die op hun menu staan, zijn verdroogd. De boer heeft zijn oogst al binnengehaald. Dat versterkt het voedselprobleem van deze dieren”, schetst Maurice la Haye van de Zoogdiervereniging. „Ook een groter dier als de das heeft daar last van. De mais, waar de dassenpopulatie de laatste jaren erg van heeft geprofiteerd, staat er erbarmelijk slechts bij. Er komen maar weinig kolven in. De regenwormen, die deel uitmaken van zijn menu, kruipen dieper in de bodem.”

De buizerd, waarvoor de regenworm stapelvoedsel is, heeft daar volgens de Vogelbescherming ook last van. Maar deze roofvogel is net als de vos een opportunist en eet net zo goed aas en allerlei kleine dieren.

Voor vlinders speelt afstand soms ook een rol. Samen met Staatsbosbeheer heeft de Vlinderstichting afgelopen week op de Veluwe nectarkroegen –potten met bloeiende planten– geplaatst in een poging de kleine heidevlinder, een grijs vlindertje, te redden. Op de enige plaats waar het diertje voorkomt, is geen voedsel meer omdat de bloeiende heide is verdroogd. „De vlinder zelf kan wel uitwijken naar de dorpen rond het Kootwijkerzand en overleven op de nectar van andere bloemen”, aldus Kars Veling van de Vlinderstichting. „Het probleem is dat hij daarna niet teruggaat naar de heide om daar eitjes af te zetten op het buntgras.”

Zonder deze waardplant zijn de rupsen kansloos; ze eten geen ander groen. Dat zou niet alleen het einde betekenen van de populatie in Nederland, maar ook een ernstig verlies zijn voor heel Noordwest-Europa, want ook elders is maar een enkele levensvatbare populatie. Veling benadrukt dat het plaatsen van nectarkroegen „geen nieuw beleid” is, maar een noodgreep om uitsterven te voorkomen: „De heide herstelt zich wel weer, we willen voorkomen dat het dan voor de kleine heidevlinder te laat is.”

Keizersmantel

Vlinders hebben het al decennialang zwaar. Door verdroging en de grote hoeveelheid stikstof in het milieu is hun aantal sinds 1990 met 40 procent afgenomen. Al zijn er uitzonderingen: de keizersmantel, die zelfs als uitgestorven te boek stond, doet het erg goed dit jaar en ook de koninginnenpage profiteert, vertelt Veling. Deze grote vlinders verplaatsen zich gemakkelijk, en dat heeft grote voordelen. De koninginnenpage zet zijn eitjes af op wilde peen, dille en kervel, waar geen gebrek aan is.

Met de buxusmot, een exoot, gaat het beter dan menige tuinliefhebber wenselijk acht en de eikenprocessievlinder –afkomstig uit Zuid-Europa– trekt al jaren op de golven van de klimaatverandering naar het noorden en beleeft een piekjaar.

Doordat het oppervlaktewater schoner is geworden, doen libellen en waterjuffers het al tientallen jaren beter dan de vlinders. Een andere soort die profiteert, is de vleermuis. Deze insecteneters doen het dit jaar erg goed. Mogelijk omdat ze minder energie nodig hebben om op temperatuur te blijven, oppert La Haye. „Als ze het te warm krijgen, vinden ze wel een koeler plekje.”

Het is moeilijk om nu al te zeggen hoe deze kurkdroge zomer uiteindelijk uitpakt. „Reptielen laten zich op dit moment bijna niet zien, ze hoeven immers niet te zonnen om op temperatuur te komen en ook hoeven ze maar een beperkte tijd te foerageren. Maar gebrek aan vocht drijft ze wel voort, waardoor er meer worden doodgereden dan normaal.” Stark van Ravon denkt pas in het najaar, wanneer er weer wordt gemonitord, zicht te krijgen op de gevolgen.

Woordvoerster Joke Bijl van Staatsbosbeheer benadrukt dat nadelige invloeden zich opstapelen. De nieuwe essen die zijn aangeplant vanwege de essentaksterfte die vorig jaar de kop opstak, hebben het niet gemakkelijk. Veel bomen laten hun blad vallen omdat ze anders verdrogen. Pas volgend jaar blijkt of er structurele schade is. In elk geval ziet het er niet naar uit dat het een goed mastjaar –een jaar waarin bomen veel meer vrucht dragen– wordt voor eiken en beuken. De enige uitzondering vormen platanen, die volgens Natuurmonumenten floreren als nooit tevoren. De bomen kunnen met weinig vocht toe en groeien zo hard dat de bast in platen van de stammen valt.