Toch medicatie voor een op de twintig uitbehandelde kankerpatiënten

Medicatie die onderzocht is voor een bepaalde kankersoort kan in sommige gevallen ook gebruikt worden voor andere soorten kanker, met dezelfde type tumor of DNA-fout. Dat bleek uit een publicatie deze week in Nature, waaraan een aantal Nederlandse onderzoeksinstituten hebben meegewerkt. beeld iStock
2

Kankerpatiënten die uitbehandeld leken, blijken baat te hebben bij medicijnen die zijn bedoeld voor andere kankersoorten. Dat is de opvallende uitkomst van een studie die deze week naar buiten kwam.

Een dozijn Nederlandse onderzoeksinstellingen werkte eraan mee, waaronder het Nederlands Kanker Instituut (NKI) in Amsterdam en het Centre for Personalized Cancer Treatment in Rotterdam.

Prof. dr. Emile Voest, werkzaam bij het NKI, is lyrisch over de studie. „Niet voor niets is de publicatie in Nature terechtgekomen. Op een internationaal congres van oncologen, eind september in Barcelona, waren artsen zeer enthousiast over de resultaten.”

De uitkomsten waren dan ook niet mis. Van de 215 kankerpatiënten die deelnamen aan de studie hadden er 73 „klinisch voordeel” van de behandeling. Dat betekent volgens Voest dat de tumor bij een derde van de deelnemers kleiner werd of minimaal vier maanden stabiel bleef. Gemiddeld bleven patiënten zelfs negen maanden langer in leven.

Niet voor elke uitbehandelde kankerpatiënt is er niet-reguliere medicatie beschikbaar, nuanceert Voest. „Ongeveer 13 procent heeft een DNA-fout waarvoor medicatie op de plank ligt.” Eén op de circa twintig uitbehandelde patiënten zou daarom kunnen profiteren van medicatie die normaliter bij een ander kankertype wordt voorgeschreven.

Melanoom

Voorafgaand aan deelname werd bij elke patiënt het DNA van de tumor bepaald. Gebaseerd op het tumortype en het aangedane orgaan werden de deelnemers ingedeeld in 72 unieke groepen, die elk een specifiek medicijn of immuuntherapie kreeg. Het effect van de medicatie hangt volgens Voest namelijk niet alleen af van de fout in het DNA, maar ook van het orgaan waarin de tumor zich bevindt. „Zo heeft de helft van de melanoompatiënten een mutatie in het zogeheten BRAF-gen. Het medicijn dat gericht is op die mutatie werkt in 80 procent van de gevallen. Bij darmkanker komt deze mutatie ook voor, maar werkt het medicijn slechts bij 5 procent van de patiënten.”

Twee cohorten zijn inmiddels voltooid, waarvan één heel succesvol bleek: een groep patiënten met tumoren veroorzaakt door genetische instabiliteit (microsite instability, MSI). Van de 24 deelnemers reageerden er 15 goed op de behandeling. „Dus twee op de drie patiënten hadden gemiddeld negen maanden voordeel. Helaas komen MSI-tumoren maar bij 2 procent van de kankerpatiënten voor.”

Voest pleit ervoor dat tumor-DNA routinematig wordt geanalyseerd bij kankerpatiënten. „Dat gebeurt nu al op kleine schaal, maar er kunnen nog veel slagen gemaakt worden. Weet je eenmaal om welke DNA-fout het gaat, dan kun je gericht op zoek gaan naar passende medicatie.”

Deelnemen aan de studie kan nog steeds bij zo’n 45 ziekenhuizen in het land, zegt Voest. „De behandelende oncoloog kan uitzoeken om welke DNA-fout het gaat en of er mogelijk medicatie voor beschikbaar is.”