Prof. Jan van Gijn: gegrepen door de beroerte

Medische topspecialisten
Een deel van de week werkt emeritus hoogleraar Jan van Gijn aan zijn boek over de geschiedenis van de diagnostiek na een beroerte. beeld Sjaak Verboom
2

Hij verwierf internationale bekendheid door zijn onderzoek naar de behandeling van beroerten. Toch bleef de uitvinding van de computertomografie voor prof. Jan van Gijn het hoogtepunt in zijn carrière. „Ineens kon je de hersenen van een nog levende mens bekijken.”

De stadstuin achter het herenhuis aan de Maliesingel in Utrecht verraadt de groene vingers van Carien van Gijn, huisarts in ruste. In het tuinhuisje achter in de hof werkt echtgenoot Jan (77), emeritus hoogleraar in de neurologie, aan zijn opus magnum: een historische studie over de diagnostiek bij patiënten met een beroerte.

Na zijn formele pensionering besloot de bekende neuroloog zijn gymnasiale kennis van het Latijn op te halen via een zogeheten ouderencursus. „Toen ik zeventig werd, ben ik met een vriend aan de Universiteit van Amsterdam Latijn gaan studeren. Niemand keek daarvan op. Er zitten altijd wel een paar grijze bolletjes tussen de studenten.” Met het bachelordiploma op zak ging zijn kameraad door naar de master Latijn, Van Gijn koos voor een master wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht.

„Ik wilde mijn verkregen kennis gaan gebruiken voor het bestuderen van de geschiedenis van de geneeskunde. Alle bronteksten uit de periode voor 1800 zijn in het Latijn geschreven. Met mijn bachelor Latijn kon ik de bronnen goed lezen, maar dan moet je nog als een historicus leren denken. Gepensioneerde artsen die zich in de historie van hun vak gaan verdiepen, hebben een slechte naam in de geschiedwetenschap. Vanuit het heden kijken ze naar wat ze herkennen in het verleden. Dan mis je allerlei wegen die in het heden niet meer bestaan.”

Rollen omgedraaid

Onlangs leverde hij zijn scriptie over de beroerte in de zestiende en zeventiende eeuw in bij hoogleraar medische geschiedenis dr. Frank Huisman, die destijds mede op advies van Van Gijn werd benoemd. „De rollen zijn nu omgedraaid.”

Het kostte hem geen enkele moeite om als hoogleraar weer plaats te nemen in de collegebanken. „In Amsterdam zat ik in een klasje met mensen van meest achttien, negentien jaar oud. Het merendeel wist niets van mijn maatschappelijke achtergrond. De ene keer kreeg Marietje van achttien een beurt, een volgende keer Jan van zeventig. Dat ging heel natuurlijk.”

Hij had ook zelden de neiging om docenten te beoordelen op hun didactische kwaliteiten. „Ik wilde niet de betweter uithangen. Bovendien was er geen reden voor kritiek. Ons eerste college in Amsterdam vond plaats in een kelder aan de Spuistraat, waar de docent in een betoog van drie kwartier het begrip middeleeuwen volledig afbrak. Verbijsterd over deze eruditie liepen mijn vriend en ik naar buiten. Later zaten we met open mond te luisteren naar de colleges van classicus en dichter Piet Gerbrandy. Een fontein van geleerdheid kwam dan over ons heen. Daar kan ik intens van genieten.”

Tegelijk zat hij er met plaatsvervangende schaamte. „Als zulke topdocenten een stukje tekst aan hun studenten willen presenteren, moeten ze in de koffiepauze naar het kopieerapparaat. Een secretaresse is er niet. Ik zal niet zeggen dat in het ziekenhuis het geld tegen de plinten klotst, maar bij de geesteswetenschappen is het pure armoe. Dat vind ik ronduit gênant.”

Ondanks zijn belangstelling voor klassieke talen ging Van Gijn na het gymnasium geneeskunde studeren. „Eerst meende ik natuurkundig ingenieur te zullen worden, net als mijn vader. Die bewonderde ik, maar hij had wel in de gaten dat ik niet echt een bèta was. Daarom adviseerde hij me geneeskunde te gaan doen.”

Neurologie

Het niveau van de medische opleiding in Leiden viel hem zwaar tegen. „Je moest een voldoende halen, dat was het. Weinig inspirerend. Pas bij het eerste patiëntencollege door een internist die een patiënt zijn verhaal liet vertellen, dacht ik: ik zit toch goed. Je hebt in de medische wereld doeners en puzzelaars. Ik ben een puzzelaar.”

Binnen het veld van de interne geneeskunde ging de neurologie hem fascineren. Dankzij zijn baantje als repetitor, ofwel ”assistent van een zwakke docent”. „Ik kreeg de werking van het zenuwstelsel toebedeeld. Door die lessen leerde ik mijn vrouw kennen, een jongere studente, en kon ik mijn eerste autootje aanschaffen. Tijdens mijn coschap in het ziekenhuis van Den Haag kwam ik in contact met een paar inspirerende neurologen. Dat gaf de doorslag voor mijn specialisatie.”

De opleiding tot neuroloog volgde hij aan het toen nog jonge Academisch Ziekenhuis Rotterdam Dijkzigt, het eerste academisch ziekenhuis in Nederland waar alles onder één dak gebeurde. „De andere academische centra bestonden uit losse paviljoens. Het waren koninkrijkjes met de professor als koning en de hoofdzuster als koningin. Elk paviljoen had z’n eigen regeltjes; coassistenten waren per definitie dom en lastig.

Als je in Rotterdam dienst had, zat je samen met de internist en de chirurg op de afdeling spoedeisende hulp. De professoren waren voor het merendeel jonge mensen. Als er iets misging, werd er niet drie dagen gekissebist over de vraag wiens schuld het was, maar overlegden we met elkaar hoe het morgen beter kon.”

CT-scan

In 1977 promoveerde Van Gijn op een dissertatie over de voetzoolreflex, waarna zijn belangstelling zich op hersenbloedingen en -infarcten richtte. Met name de vraag hoe die te voorkomen. „Er zijn mensen die vooraf een waarschuwing krijgen, wat we nu een tia noemen. Ze kunnen even niet praten, hebben korte tijd een hangende mondhoek of iets dergelijks. Mogelijk kon je iets doen om een grote beroerte te voorkomen. In Canada en Amerika raakte preventieve behandeling met aspirine in zwang.”

Nog veel spectaculairder was de uitvinding van de computertomografie, bekend als de CT-scan. „Tijdens het deel van mijn opleiding in Engeland kwam ik er voor het eerst mee in aanraking. Tot die tijd zagen neurologen alleen hersenen van overleden patiënten. Pas na hun dood kon je zien wat er precies mis was. Dan kom je in een Londens ziekenhuis op een röntgenafdeling waar iemand op een tafel ligt, zijn hoofd verdwijnt in een soort droogkap, er klinkt gezoem en vervolgens verschijnen op een scherm de hersenen van die persoon. Dat was een openbáring.

Raakt iemand ineens aan één kant verlamd, dan kan de oorzaak een bloeding of een verstopping van een bloedvat in de hersenen zijn. De verschijnselen zijn gelijk, de behandeling is totaal verschillend. Dankzij de CT-scan konden we ineens heel gemakkelijk de juiste diagnose stellen.”

Een tweede belangrijke ontwikkeling was het vergelijken van groepen patiënten, om het nut van behandelingen te testen. „Die manier van onderzoek was totaal nieuw. In Nederland heb ik de clinical trial in de neurologie geïntroduceerd. Bij zo’n trial kon je gebruikmaken van de nieuwe diagnostische methodieken, waarvan de CT-scan voor de neurologie de belangrijkste bleef.”

Hoogleraar

In 1983 werd Van Gijn benoemd tot hoogleraar neurologie in Utrecht. Daar kwam hij weer in de wereld van de paviljoens. „Neurologie zat samen met psychiatrie in een gebouw dat het karakter van een gesticht had. Hoge gangen, gele tegels, de hele dag gegalm. Op mijn polikliniek kon je de mensen in de isoleercel horen gillen. Patiënten werden met een karretje naar de röntgenafdeling gereden. De mannen die het karretje bestuurden, stopten soms bij een tuinman om even een praatje te maken. Alsof ze een zak aardappels vervoerden.”

Mevrouw Borst, lid van de commissie die zijn aanstelling bewerkstelligde, verzekerde hem dat er binnen zes jaar een nieuw ziekenhuis zou staan. „Anders was ik er nooit aan begonnen. Sommige mensen lieten tranen bij de verhuizing van de Catharijnesingel naar de Uithof, ik sprong een gat in de lucht. Mensen die de nieuwe sfeer niet aankonden, zijn gauw met pensioen gegaan. De rest functioneerde op een veel modernere manier.”

Als hoogleraar toonde Van Gijn onder meer aan dat een dreigend herseninfarct door een veel lagere dosis aspirine dan de toen gebruikelijke kan worden voorkomen. „We leerden ook breder te kijken dan het eigen vakgebied. Als iemand op straat dood neerviel door een hartinfarct, had een neuroloog in de jaren 70 het idee dat dit niets met zijn specialisme had uit te staan. Terwijl het om eenzelfde stolsel gaat. Het enige verschil is dat het in het hart belandt en niet in de hersenen. We moesten leren veel meer naar de totale patiënt te kijken. Holistisch, zoals ze dat nu noemen.”

Supervisor

Het bevredigende van zijn subspecialisatie in vaatziekten van de hersenen was voor Van Gijn de mogelijkheid van interventies bij dreigende beroerten. „Neurologie stond bekend als een vak voor slimme mensen die knappe diagnoses stelden waar ze vervolgens niks mee konden. Voor een deel van de hersenziekten geldt dat helaas nog steeds. Bij de vaatziekten in de hersenen veranderde het. Met aspirine kon je in veel gevallen een herseninfarct voorkomen, een in Amerika ontwikkeld middel maakte het mogelijk stolsels op te lossen. Later is in Rotterdam de trombectomie ontwikkeld, het verwijderen van een bloedstolsel via de bloedbaan met een katheter die voorzien is van een knijpertje, maar toen was ik al met emeritaat.”

Na zijn pensionering in 2007 deed Van Gijn er alles aan om zijn vertrek bij het Universitair Medisch Centrum Utrecht uit te stellen. „Geneeskunde is zó mooi. Tegen wil en dank was ik wat in de regelsfeer verzeild geraakt; ik heb gevraagd mij nog een poosje te laten werken als supervisor op de polikliniek.”

Pijnteam

Daarnaast werd de emeritus hoogleraar consulent bij het pijnteam van de afdeling anesthesiologie. „Daar komen mensen die al jaren pijn hebben zonder medisch verklaarbare oorzaak. De oorzaak ligt vaak in psychologische factoren: angst, depressie, relatiestoornissen, of een mix daarvan. Tijdens mijn loopbaan als specialist kreeg ik gaandeweg oog voor het lijden van deze mensen. In het begin reageerde ik zoals alle jonge dokters bij een patiënt die niet in hun boek staat. „Ik kan niet zo veel voor u doen.” Waarmee je eigenlijk zegt: „Ik wil u liever niet zien.”

Op een gegeven moment ging er iets knagen. Die mensen komen niet voor hun plezier naar je toe. Ze vóélen die pijn. Ik heb me er wat in verdiept en af en toe succesjes behaald. Ook verschrikkelijke nederlagen geleden. Sommige mensen eindigen onder de dekens in het verpleeghuis, zonder dat ze iets herkenbaars mankeren. In het algemeen kun je al veel voor deze patiënten betekenen door ze serieus te nemen en echt naar ze te luisteren. In mijn uitleg maakte ik bewust gebruik van fysieke metaforen, zoals kortsluiting of een schakelfoutje in het zenuwstelsel. Alleen door het getoonde begrip verlieten mensen soms met tranen in de ogen de spreekkamer.”

De verhouding tussen brein en geest is volgens Van Gijn nog altijd een mysterie. De functionele MRI, waarmee hersenfuncties zichtbaar kunnen worden gemaakt, veranderde daar niets aan. „Over de samenhang van die 100 miljard zenuwcellen weten we nog steeds heel weinig. Het is een complexiteit waartegen we niet zijn opgewassen. Ik geloof niet in een locatie van emoties zoals angst of depressie in een bepaald deel van het brein.”

Rel

In 1998 was Van Gijn hoofdrolspeler in een medische rel. Onder zijn leiding werd er onderzoek uitgevoerd naar het effect van gewone antistollingsmiddelen ter voorkoming van een herseninfarct in vergelijking met aspirine. Onder de patiënten die een antistollingsmiddel kregen, kwamen beduidend vaker hersenbloedingen voor. „Dat was reden om de trial tussentijds af te breken. De kranten stonden er vol mee. Minister Borst belde me zelf op: „Jan, hoe zit dat?” Ik beleefde het als een bange droom, maar na een week was het rumoer over. Toen was er iets met Clinton en een jongedame wat de gemoederen beroerde.”

In 2013 kwam de Utrechtse neuroloog opnieuw landelijk in het nieuws. Nu omdat hij was gevraagd leiding te geven aan het medisch team dat prins Friso verzorgde op Huis ten Bosch. Een opsteker wil hij het niet noemen. „Dat klinkt me te positief. Ik ervoer het wel als een blijk van vertrouwen. Het was mijn laatste taak als praktiserend arts. Kort erna verviel mijn registratie als neuroloog, vanwege mijn leeftijd.”

De ontwikkelingen op zijn vakgebied houdt hij alleen globaal bij. „Ik ga nog wel elke week met een collega naar een patiëntenbespreking in het ziekenhuis. We zitten op de achterste rij en het lukt me meestal om mijn mond te houden. Na afloop drinken we samen een borreltje en houden we een nabespreking. Het vak blijft toch trekken.”

En dan is er de arbeid aan het grote boek over de beroerte. „Mijn scriptie is goed voor de eerste twee hoofdstukken. Nu ga ik beginnen aan de beschrijving van de diagnostiek van de beroerte tussen 1800 en 1971, het jaar waarin de CT-scanner werd geïntroduceerd. Ik verwacht dat ik nog een jaar of drie nodig heb. Ja, ik ben er wel zo’n dertig uur per week mee bezig. Meer dan mijn vrouw leuk vindt.”

Biografie

Jan van Gijn

Geboren 22 juli 1942

Emeritus hoogleraar neurologie aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht (1983-2007)

Lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen

Voormalig hoofdredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en de Journal of Neurology

Serie Kanjers in hun vak

Gepensioneerde medische topspecialisten blikken terug op hun loopbaan. Deel 2. Vrijdag 16 augustus deel 3: kinderarts prof. dr. Henk Visser.

2019-07-19-katVR2-homanvdheide1-5-FC_webPionier in de hartchirurgie