Huisarts is geen pillenautomaat

beeld AFP, Kerry Sheridan

Een huisarts om medicijnen vragen, is tegenwoordig niet het meeste werk. Veel patiënten beschikken over een laptop, tablet of iPhone en een digitale aanvraag is zo gedaan. Toch zal elke arts per verzoek een professionele afweging willen maken. Tuchtrechtelijk gezien is dat ook een juiste instelling.

1. geschil

Er zijn meerdere manieren waarop een patiënt zijn huisarts kan vragen om een medicijn. Een voorbeeld van een beleefd verzoek zou kunnen zijn: „Kunt u mij misschien een antibioticum voorschrijven? Ik ben bang dat ik een ontsteking heb.” Dat zo’n beschaafde aanvraag bepaald geen gemeengoed is, merkt een vrouwelijke arts, werkzaam in Noord-Nederland. Ze krijgt te maken met een patiënt die als homo met wisselende seksuele contacten tot de risicogroep van mogelijke hiv-patiënten behoort.

Hiv-bestrijders en de GGD zitten over deze groep al jaren met de handen in het haar. Hoe valt het aantal nieuwe besmettingen omlaag te krijgen en hoe zijn deze mannen te bewegen tot een gezondere levensstijl?

In de homowereld wordt al jaren gesproken over het ‘wondermiddel’ Pre-Expositie Profylaxe, afgekort PrEP; een virusremmer in de vorm van een pil die veelal onder de merknaam Truvada op de markt wordt gebracht.

Over het voorschrijven van deze pil wordt verschillend gedacht. Sommige experts wijzen op het risico van een averechts effect dat kan optreden wanneer de gebruikers ervan zich zo beschermd wanen dat ze in een nog extremer gedrag vervallen. Het maakt het voorschrijven allesbehalve tot een formaliteit. Hoe dat ook zij, van de patiënt ontvangt de huisarts op zekere dag via een e-consult een verzoek. De strekking daarvan luidt: ik wil PrEP gaan gebruiken, dus graag een receptje uitschrijven a.u.b. Ook zijn partner heeft belangstelling voor het medicijn, voegt hij eraan toe.

Voor de huisarts is gehoor geven aan het verzoek geen kwestie van even doen. Het gaat, zo schat zij in, niet alleen om gevoelige, maar ook specialistische materie. Omdat het verstrekken van PrEP voor haar nieuw is, besluit zij in overleg met de andere collega’s uit de praktijk eerst informatie in te winnen bij de hoofdvestiging van de GGD in haar regio. Daar bestaat, anders dan in haar huisartsenpraktijk, al de nodige ervaring met het onder toezicht toedienen van PrEP, zo hoort ze. Eigenlijk gaat het om een toediening in de vorm van een wetenschappelijk onderzoek aan zeventien patiënten. Binnen twee maanden start de GGD met een nieuwe groep.

Na opnieuw met collega’s te hebben overlegd, staat het besluit van de arts vast. Ze zal niet ingaan op het verzoek om de PrEP-pil voor te schrijven. Wel wil ze alles doen wat nodig is om ervoor te zorgen dat de patiënt op tijd kan instromen in de GGD-groep, zoals het aanvragen van bloedonderzoek en het afnemen van een test op seksueel overdraagbare aandoeningen.

2. standpunten

Getuigt het optreden van de huisarts van voldoende zorgvuldigheid en respect? Eerder het tegendeel, vindt de patiënt. Hij verwijst naar de website van de GGD, die volgens hem duidelijke taal spreekt en aangeeft dat de pil gewoon kan worden voorgeschreven.

Op de site attendeert de dienst huisartsen erop dat ze te maken kunnen krijgen met vragen over de pil. „Mocht je geïnteresseerd zijn in het voorschrijven, bekijk dan de landelijke richtlijn”, staat er verder. En: „Je kunt PrEP voorschrijven in samenwerking met de GGD.”

Duidelijke taal, oordeelt de man. Hij voegt eraan toe dat er op internet ook voor potentiële gebruikers zoals hij meer dan genoeg informatie voorhanden is. Kortom, hij weet waar hij aan begint.

Alles bij elkaar vindt hij de weigering van de arts voldoende reden om haar voor de tuchtrechter te dagen. In zijn klaagschrift stelt hij dat hij door die weigering het risico loopt een ernstig virus op te lopen en als gevolg daarvan „psychische druk” ervaart.

3. oordeel

Ook de tuchtraad vindt de informatie op de GGD-website van belang, met name de landelijke richtlijn die is vastgesteld door de Nederlandse vereniging van hiv-behandelaren. Die leidraad benadrukt echter dat het voorschrijven van de PrEP-pil met de nodige voorzorgsmaatregelen dient te zijn omgegeven, precies de redenering die ook de huisarts volgde.

Letterlijk noemt de leidraad het uitschrijven van recepten zelfs het werk van terzake deskundige huisartsen. Welnu, zo oordeelt het tuchtcollege, de arts nam dat ter harte en concludeerde daarna met recht en reden dat het haar aan de vereiste bevoegdheid en bekwaamheid ontbrak. Dat getuigt, zo luidt de uitspraak, juist van zorgvuldigheid, evenals de inspanningsbereidheid van de arts om de patiënt over te dragen aan de GGD.

De klacht is daarmee ongegrond en de patiënt moet kiezen: aankloppen bij de GGD en anders geen pil. Drammen of de tuchtrechter erbij halen, heeft, kortom, geen zin, en terecht. Een huisarts is immers geen pillenautomaat.