Duidelijkheid nodig in communicatie met patiënten

beeld iStock

Een groot deel van het vak van huisarts bestaat uit praten met patiënten. Achterhalen wat hen bezighoudt, waar ze bang voor zijn, wat hun hulpvraag is. Soms gaat het niet goed. Maar waar ligt dat aan? Aan de zender of aan de ontvanger van de boodschap?

Mevrouw Uyl is een dame van een eind in de negentig. Haar hoge leeftijd heeft geleid tot zeer veel beperkingen. De thuiszorg komt regelmatig bij haar langs. Haar gezichtsvermogen is matig, haar gehoor is minder en behalve hartklachten heeft zij ook veel last van haar gewrichten. Dit resulteert in een grotendeels zittend bestaan. Dat frustreert haar. Vroeger is zij een bezige bij geweest. Haar stemming lijdt er geregeld onder, vooral sinds zij weduwe is.

Op een dag wordt een visite aangevraagd in verband met vocht in haar benen. Dit blijkt te kloppen: tot haar bovenbenen is de huid gespannen en haar onderbenen zijn in omvang verdubbeld. De behandeling bestaat uit krachtige plastabletten. Omdat deze van invloed kunnen zijn op de nierfunctie en het zoutgehalte wordt er een week later bloed geprikt.

Na een week zijn de benen veel dunner. Mevrouw Uyl is ook spraakzamer. Zij praat nogal luid, vanwege haar verminderd gehoor. „En dokter, hoe was het bloedonderzoek?” Ik kijk op de uitdraai van haar dossier: „Prima, alleen uw kaliumgehalte is wat aan de krappe kant.” Ook mijn stem is luider geworden.

„En wat betekent dat?”

„Nou, het is niet ernstig, maar u moet de komende week maar wat meer sinaasappels of tomaten eten, daar zit extra kalium in.”

Mevrouw Uyl kijkt me een tijdje aan. „Moet dat?” „Ja, dat is goed voor u.”

„Oh, en mag dat geen mandarijn zijn? Die zijn lekkerder,” „Prima, geen probleem. Twee mandarijnen bevatten evenveel kalium als een tomaat. Als u er vier opeet dan hebt u ook wel genoeg binnen.”

We nemen afscheid. Na een week wordt door de thuiszorg per fax weer een visite aangevraagd. Op de fax staat de hulpvraag: Mevrouw Uyl ziet het niet meer zitten.

Allerlei gedachten gaan er dan door je heen. Zou ze depressief zijn geworden? Jaren daarvoor had ze een ernstige depressie. Vorige week was me dat niet opgevallen, heb ik iets over het hoofd gezien? Enfin, weer ernaartoe.

„Ha mevrouw Uyl, u zit het niet meer zitten?” val ik met de deur in huis.

„Dokter…, nee…” Het blijft even stil. „Nee, ik zie het niet meer zitten.” Weer blijft het stil.

„Wat bedoelt u daarmee?”

„Ja, die mandarijnen en tomaten natuurlijk.” „Mandarijnen en tomaten?”

„Ja elke dag vier tomaten en acht mandarijnen, dat moest toch? Voor elke tomaat twee mandarijnen en ik moest er vier opeten. En dat krijg ik niet meer voor elkaar. Ik heb nu 28 tomaten en 56 mandarijnen op. Het lukt niet meer. Mag ik stoppen?”

Ik moet moeite doen om een lachsalvo te onderdrukken. Met een ernstig gezicht antwoord ik: „Doe dat dan maar, dan controleren we het kalium nog wel een keer over een paar weken.”

„Gelukkig, een pak van m’n hart.”

Een onderdeel van communicatie is de verstaanbaarheid. Blijkbaar had ik niet duidelijk of hard genoeg gesproken en haar brein had een eigen interpretatie gemaakt. Gelukkig ging het hier over vruchten, maar deze fouten worden soms ook met medicijnen gemaakt, met alle gevolgen van dien. Communiceren blijft nodig, luid en duidelijk.