„Diagnose ADHD te snel gesteld”

Foto André Dorst

Onder kinderen is ADHD volksziekte nummer één. Ze zijn druk, vaak ongeremd en kunnen zich moeilijk concentreren. Is ADHD een ziekte, een stoornis, een modeverschijnsel of een droomdiagnose van de farmaceutische indus­trie?

Het gebruik van medicijnen tegen ”attention deficit hyperactivity disorder” (ADHD) steeg het afgelopen decennium sterk. Kregen in 2005 zo’n 70.000 mensen de middelen voorgeschreven, in 2011 waren dat er 200.000. In 2012 zet die stijging naar verwachting door.

Ter behandeling van ADHD is methylfenidaat veruit het populairste middel, verkocht onder namen als Ritalin, Concerta, Medikinet en Equasym. Kinderen en jongvolwassenen in de leeftijd tot 20 jaar vormen de grootste groep gebruikers.

Staatssecretaris Veldhuizen van Zanten (Volksgezondheid) meldde onlangs dat ze wil dat kinderen hier minder van gaan gebruiken. Ze wil met artsen en kinderpsychiaters het gespek aan gaan hoe het toenemend medicijngebruik aan te pakken.

De bewindsvrouw kreeg daarin bijval van de artsenorganisatie KNMG. Zo vraagt Lode Wigersma, KNMG-directeur beleid, zich af of mensen niet te snel het etiket ADHD krijgen opgeplakt: „Psychiaters die voorstander zijn van medicijngebruik blijken veel connecties te hebben met de farmaceutische industrie.”

Hoge eisen

Met haar boek ”Hoe voorkom je ADHD? Door de diagnose niet te stellen” gooide psycholoog dr. Laura Batstra (ISBN 9 789 057 1234 43, 2012) de knuppel in het hoenderhok. Volgens haar zijn er veel misverstanden over de aandoening en is het voor veel kinderen beter om uit het psychiatrisch circuit te blijven. „Te vaak en te snel krijgen hyperactieve kinderen het stempel ADHD opgedrukt, met bijbehorende medicatie. Terwijl het in verreweg de meeste gevallen een gedragsprobleem is en geen psychiatrisch probleem dat medicatie behoeft.”

Batstra is tot die conclusie gekomen toen ze enkele jaren als psycholoog in een instelling voor jeugd- en kinderpsychiatrie werkzaam was. Op dit moment is ze onderzoeker en docent bij de afdeling orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen.

Haar boek heeft onder collega’s veel stof doen opwaaien. „ADHD is geen ziekte en ook geen gedragsstoornis als gevolg van een falende opvoeding, maar een ontwikkelingsstoornis die in de kinderleeftijd is begonnen, aangevuld met een complex aan factoren”, aldus Batstra. Ze stelt dat steeds meer kinderen en jongvolwassenen vastlopen door de hoge eisen die de maatschappij aan hen stelt.

Overigens erkent de psycholoog dat een medicijn –tijdelijk– uitkomst kan bieden in situaties waarin de gedragsproblemen ernstig zijn. „Met ouder- en leerkrachttraining zijn de meeste hyperactieve kinderen en ouders voldoende geholpen. De groep waarbij dat niet opgaat, kan alsnog worden doorverwezen naar de psychiatrie.”

Ouders die met hun hyperactieve kind bij de huisarts aankloppen, worden negen van de tien keer rechtstreeks doorverwezen naar een kinderpsychiater. Batstra: „Die stelt al te gemakkelijk de diagnose ADHD, wat ertoe heeft geleid dat het aantal kinderen met ADHD de afgelopen jaren explosief steeg en nog steeds toeneemt.”

Ruime criteria

Batstra stelt dat de ruime criteria voor ADHD in het handboek voor psychiaters, de DSM-4, uitnodigen tot het stellen van die diagnose. Batstra: „De DSM-4 beschrijft negen criteria van aandachtsproblemen en negen van hyperactief of impulsief gedrag. Wanneer iemand aangeeft dat de twee groepen van negen criteria bij hem of haar minimaal zes keer ”vaak” voorkomen, is er sprake van ADHD. Maar wat is vaak? Is dat niet erg subjectief? Er kan dus niet gesproken worden van een gouden standaard.”

Iemand die deze kritiek onderschrijft, is prof. dr. Robert Vermeiren, onder andere hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie in het Leids Universitair Medisch Centrum en VU medisch centrum in Amsterdam. „Om van ADHD te kunnen spreken, moet men op de kenmerkende punten disfunctioneren. Het probleem is niet het herkennen van de symptomen, maar het inschatten van de ernst ervan en wat dit betekent voor het functioneren.”

Vermeiren zegt zich zorgen te maken over de ADHD-hype. „De aandoening is verworden tot een modeterm, een label voor iemand die een beetje drukker is, een tikkeltje impulsief en af en toe niet goed oplet. Voor gezinnen met kinderen met ADHD moet de hetze stoppen. Hun leven is al moeilijk genoeg. Stigmatiseren maakt het alleen maar erger”, stelt de hoogleraar.

Opgestapt

Het nieuwe handboek voor psychiaters, de DSM-5, die op dit moment wordt samengesteld, zal het probleem alleen nog vergroten, vermoeden Batstra en Vermeiren. „Daarin hoef je aan nog slechts vier van de negen criteria te voldoen om de diagnose ADHD te krijgen. Er gaan er dus steeds meer in dat hokje passen.”

Om die reden is prof. dr. Roel Verheul, hoogleraar persoonlijkheidsstoornissen aan de Universiteit van Amsterdam, uit de werkgroep ADHD gestapt van de commissie die een revisie van de DSM voorbereidt. Zo’n revisie gebeurt eens in de twintig jaar. Verheul is van mening dat de criteria om aan de diagnose ADHD te voldoen in DSM-5 zo worden opgerekt „dat een diagnose niet meer betrouwbaar kan worden gesteld. Er zullen dan nog meer verkeerde behandelingen plaatsvinden.”