Zwitser Carl Lutz redde in Hongarije duizenden Joden het leven

Carl Lutz samen met zijn vrouw Gertrud in Boedapest aan de oever van de Donau.​ beeld SRF
2

Hij was een weinig bespraakte, nogal stijf uitgevallen diplomaat. In de Tweede Wereldoorlog liep hij tussen de puinhopen van Boedapest nog in driedelig pak met keurig gepoetste schoenen. Maar, Carl Lutz had een hart van goud.

Uiterlijk een ambtenaar in optima forma, innerlijk een bewogen mens. Zo valt Carl Lutz het best te karakteriseren. De Zwitser hielp, net als zijn landgenoot Paul Grüninger, met onbaatzuchtige ijver Joden aan beschermpassen. In dit opzicht was hij een evenknie van de Zweedse diplomaat Raoul Wallenberg. Wat bewoog hem om grote gevaren te trotseren en zich zo voor de geknechte Joden in te zetten?

Carl Lutz kwam in het jaar 1942 als Zwitsers diplomaat van Jaffa naar Boedapest. In Jaffa had hij zes jaar in het toenmalige Britse mandaatgebied de Duitse inwoners van deze regio vertegenwoordigd. Hij leidde er een betrekkelijk onbekommerd bestaan en had tijd genoeg om zijn hobby, fotografie, uit te leven.

Reddingsactie

Toch trok hij in het midden van de Tweede Wereldoorlog samen met zijn vrouw Gertrud van Jaffa naar Boedapest. In deze stad liep het leven van de Joden toen groot gevaar en dat zou in maart 1944 nog erger worden. Toen marcheerden Duitse troepen Hongarije binnen. Die dwongen de regering-Horthy zich actief bezig te houden met de zogenoemde ”Endlösung der Judenfrage”. Ze kregen ook nog steun van de ultrarechtse beweging van de Pijlkruisers, die meedogenloos tegen de Joden optrad.

Viceconsul Lutz was zich er terdege van bewust dat hij in een hachelijk avontuur was beland. Hij voelde zich door de gruwelijkheden die de Joden ondervonden echter aangespoord om een reddingsactie op touw te zetten. Het zou volgens de Zwitserse historicus Xavier Cornut een van de grootste reddingsacties van de Tweede Wereldoorlog worden.

De in 1895 in Appenzell geboren Carl Lutz groeide op in een methodistisch gezin. Zijn ouders richtten zich op Bijbelse waarden en normen en voelden zich verantwoordelijk voor de minderbedeelden. Deze mengeling van christelijke waarden en ontluikende ondernemingsgeest maakten van Lutz een ”Draufgänger” die niet bang was om riskante plannen door te voeren.

Glazen Huis

Lutz zag dagelijks lange rijen Joden staan voor de ingang van het Zwitsers gezantschap, ook wel het Glazen Huis genoemd. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen deze arme mensen aan hun lot over te laten. Hij wilde ingrijpen en daadwerkelijk hulp bieden. Zo kwam hij op het idee van de beschermpas.

De diplomaat kreeg van de Britse autoriteiten 7800 emigratiedocumenten voor vertrek naar Palestina. Deze wilde hij gebruiken als beschermpassen. Het plan werkte inderdaad, merkte Lutz tot zijn grote vreugde. De passen werden in een mum van tijd onder de Joden verdeeld.

Ook lukte het hem om 76 gebouwen waarin Joden waren ondergebracht of werden verpleegd een beschermstatus te geven. Ze lagen allemaal in de oude stadswijk Pest, rond de bekende Dohány Utca, de grote synangoge van Boedapest.

Het Carl Lutz Monument in Boedapest staat bij de ingang van het vroegere getto. Het verbeeldt Lutz die een neergeschoten Joodse vrouw uit het water van de Donau redt.​ beeld Wikimedia

Samenwerking

Het behartigen van de belangen van de Joden vergde veel tijd en vroeg om nauw contact met hulporganisaties. Lutz kreeg ondersteuning in het zogenaamde Glazen Huis aan de Vadasz Utca 29, waar de Joodse Raad voor Palestina op dat moment gevestigd was. Ongeveer 3000 Hongaarse Joden kregen in dit ruim bemeten gebouw en in het pand ernaast tijdelijk onderdak.

Lutz kreeg hulp van ijverige medewerkers van de zionistische vereniging, die ook heel wat logistiek werk verzette voor al die Joden die in de beschermhuizen bivakkeerden. In een gezamenlijk comité zaten ook het Rode Kruis, Zwitserse organisaties die belangeloos meewerkten en de Zweedse diplomaat Raloul Wallenberg, die de fijne kneepjes van het veeleisende diplomatieke werk van Carl Lutz deels overnam.

Moedige daad

Op een dag zag Lutz een rij Pijlkruisers schoten op Joden afvuren. Ze stonden vlak aan de oever van de Donau. Een Joodse vrouw viel bloedend voorover in het koude water van de rivier. Lutz sprong haar zonder verder na te denken achterna en wist haar aan de kant te krijgen.

Lutz vroeg vervolgens de Hongaarse officier van het peloton te spreken. Hij stelde dat de gewonde vrouw een buitenlandse burger was, beschermd door Zwitserland, volgens internationale conventies. Voor de ogen van de verbaasde fascisten bracht de druipnatte consul de vrouw vervolgens naar zijn auto en reed rustig weg. Het kwam in hun hoofd geen moment op om deze diplomaat, die zo belangrijk leek en zo deftig sprak, ook maar een strobreed in de weg te leggen.

Deze moedige daad kreeg een vervolg toen Carl Lutz in de herfst van 1944 Joden in zijn zwarte Packard meenam en in veiliger oorden afzette. Ook onderhandelde hij met officieren die duizenden Joden voetmarsen lieten maken naar de Oostenrijkse grens.

In totaal stierven er in Hongarije meer dan een half miljoen Joden. Er waren 130.000 overlevenden. De inspanningen van Lutz hebben ertoe bijgedragen dat ruim 62.000 Joden voor de ondergang zijn bewaard. Het leverde hem de bijnaam de Zwitserse Schindler op.

De redding van zoveel Joodse inwoners was te danken aan de diplomatieke onverschrokkenheid van Lutz. Hij wist Hongaarse en Duitse ambtenaren, onder wie zelfs Adolf Eichmann, zo ver te krijgen dat ze zijn formele protectie van de Joden zo veel mogelijk tolereerden. Maar deze activiteiten konden ook op scherpe weerstand rekenen. In november 1944 vroeg Edmund Veesenmayer, de Duitse zaakgelastigde in Hongarije, om de dood van de Zwitserse consul. Berlijn reageerde niet op zijn verzoek.

Late erkenning

In betrekkelijk korte tijd redde Lutz de levens van duizenden Joden. Bij alle activiteiten die hij ondernam, mag zijn vrouw Gertrud echter niet onvermeld blijven. Ze heeft bij de reddingsoperaties van meet af aan een belangrijke rol gespeeld.

In januari 1945 keerde het echtpaar Lutz naar Zwitserland terug. Een jaar later liet Carl zich van zijn vrouw scheiden. In 1949 hertrouwde hij met de Joodse Magda Csányi. Aan haar en haar dochter Agnes had hij in de oorlog onderdak verleend.

Net zoals in het geval van de Zwitserse douaneman Paul Grüninger, die enkele duizenden Joden het leven redde, zijn de heldendaden van Lutz pas veel later onderkend en gewaardeerd. Hij werd aanvankelijk zelfs door de Zwiterse autoriteiten bekritiseerd omdat hij zijn bevoegdheden te buiten was gegaan en zo de neutrale status van Zwitserland in gevaar had gebracht. In 1958 werd Lutz gerehabiliteerd en werden zijn inspanningen bejubeld. In 1965 ontving hij de Yad Vashem-onderscheiding, als ”rechtvaardige onder de volkeren”.

Vlak bij de bekende Dohány Utca toont een monument zijn naam, samen met die van andere helden. Een paar straten verderop is de sprong in de Donau verbeeld die Carl Lutz maakte naar de getergde Joodse vrouw.