Voorlinden exposeert de aaibare vertrekken van Do-ho Suh

Rubbing/Loving Project: Company Housing of Gwangju Theater, 2012, Do-ho Suh. beeld Jaco Hoeve
4

Wandel deze zomermaanden in Wassenaar door de deur van een Berlijns appartement, via een halletje in Londen naar een woonkamer in Seoul.

Dat kan in Museum Voorlinden, dankzij een aantal stoffen installaties van Do-ho Suh, de Zuid-Koreaanse kunstenaar die daarmee zijn eerste solotentoonstelling in Nederland heeft.

Fragiel en monumentaal tegelijk, dat zijn de installaties die Suh (1962) maakt. De exacte replica’s van zijn huizen in Seoul, New York, Berlijn en Londen bestaan uit geweven stoffen. Als een lange gang zijn de installaties opgesteld. De bezoeker wandelt van de ene ruimte in de andere.

„Ik zie het leven als een gang zonder vast startpunt of vaste bestemming. We hebben de neiging om ons aldoor te focussen op de eindbestemming, waardoor we de tussentijd vergeten”, heeft Suh eens gezegd. De gekleurde ruimtes van stof noemt de kunstenaar ”hubs”, knooppunten. En daarmee wordt een gang, een overloop of een ander relatief onbestemd halletje een ruimte die ertoe doet.

Dat vindt ook museumdirecteur Suzanne Swarts. „Zijn installaties maken me bewuster van de ruimte. Deze hal is als een sluis, een ruimte die essentieel is en ons helpt in de beweging van de ene naar de andere ruimte”, zegt Swarts, terwijl ze in de blauwe entree van een Berlijns huis staat.

Tot in de kleinste details zijn deurknoppen, stopcontacten en lichtknopjes nagemaakt. Alles in een stof die lijkt op fijnmazig tule. Swarts: „Zijn moeder had een kast vol met stoffen, daar is Suh’s gevoel voor textiel ontwikkeld. Hij heeft een groot tactiel vermogen.” Jammer voor de bezoeker: zoals de meeste kunstwerken mogen ook Suh’s creaties niet aangeraakt worden, hoe aaibaar het er allemaal ook uitziet.

Klederdracht

Met een 3D-scanner zijn de oorspronkelijke kamers –van toilet tot overloop– vastgelegd. In Suh’s studio worden de scans omgezet in naaipatronen, die zijn medewerkers in een atelier in Seoul in elkaar zetten.

De stoffen waarmee Suh zijn kunstwerken maakt, zijn dezelfde als die gebruikt worden voor de kleurrijke Zuid-Koreaanse klederdracht. Het polyester wordt met de hand gekleurd in een door de kunstenaar gewenste kleur, die past bij de gevoelens en herinnering die hij aan de verschillende huizen heeft. De entree van een Berlijns huis is koningsblauw, een hal in Londen rood en zo vormt de gang van ruimtes in het Wassenaarse museum een kleurrijk geheel.

Opstand

Met een vader als kunstenaar, een broer die succesvol architect is en een moeder die erg betrokken is bij het behoud van de Koreaanse cultuur, voelt Suh zich de verbindende factor van zijn familie. Al is hij zelf inmiddels een echte wereldburger, zijn wortels zijn onderdeel van zijn werk.

Dat blijkt bijvoorbeeld bij de twee ruimtes die Suh voor de Gwangju Biënnale in 2012 maakte. Ze zijn als een herinneringsmonument aan de honderden doden die vielen bij het bloedbad van Gwangju in 1980. Het leger sloeg de volksopstand neer. Suh, zelf student in die tijd, wist niets van de politieke situatie en de opstand, vanwege de censuur. Het leger sloot de stad volledig van de buitenwereld af.

Voor het ”Rubbing/Loving Project” bekleedde Suh het interieur van een nagebouwde kamer van het theater in Gwangju waar mensen bescherming zochten, volledig met papier. Geblinddoekt tastte hij samen met zijn assistenten de ruimte tot in het kleinste detail af met houtskool in de hand. De blinddoek staat voor Suh voor de onwetendheid. Het papier nam de kunstenaar mee uit de oorspronkelijke ruimte; hij bouwde de kamer met hout na en bekleedde die met het papier uit de kamer in Gwangju. Suh: „Wat mij interesseert, is geschiedenis opgraven, of nooit vertelde verhalen van achter de muren tevoorschijn halen.”

Dat lukt de kunstenaar uitstekend: de donkere ruimte in Wassenaar brengt het leed van de opstand in Gwangju angstaanjagend dichtbij. „Te bedenken dat hier mensen verscholen zaten”, fluistert een bezoeker voor zich uit.

Vriend

Het museum heeft in de zalen een goede spanningsopbouw weten te creëren. Van de herinnering aan Gwangju voert het via de kleurrijke gang van ruimtes naar de slotzaal waar menig bezoeker in verwondering stilvalt. Een rode gloed overvalt iedereen in deze grote zaal. Het plafond is volledig bedekt met rode doorschijnende stof en in het midden hangt een trap waarvan de onderste trede op zo’n halve meter van de grond zweeft.

De installatie is een replica van de smalle en nauwe trap die het appartement van Suh verbond met dat van zijn huisbaas in New York. Jaren bleef de huisbaas voor Suh een mysterie; de deur bovenaan de trap bleef altijd dicht. De ontmoeting die na al die jaren volgde, was het begin van een vriendschap die voor Suh erg dierbaar was en duurde tot 2016, toen huisbaas Arthur op 90-jarige leeftijd overleed. Daarmee raakte de kunstenaar niet alleen zijn vriend, maar ook zijn New Yorkse huis kwijt.

Hoewel de trap het persoonlijke verhaal van Suh vertelt, mag elke toeschouwer er zijn eigen interpretatie bij maken. Dat is de kracht van het werk van de Zuid-Koreaan: zijn installaties zijn zowel persoonlijk als universeel en daarmee is zijn werk toegankelijk voor jong en oud.