Voltreffer op ziekenhuis kost predikanten het leven

Het getroffen ziekenhuis (zie pijl), dicht bij de spoorwegen. beeld nieuws030
4

„Groote ongerustheid heerschte tevens omtrent twee dominees, die beiden kort voor het ongeluk in het gebouw waren gesignaleerd”, schreef de directrice van het Stads- en Academisch Ziekenhuis in Utrecht (SAZU). Ds. M. Heikoop (54) en ds. J. R. Immink (55) bleken bij het bombardement op 6 november 1944 te zijn omgekomen.

Er vielen 21 doden en tal van gewonden toen geallieerde bommen het ziekenhuis troffen. Het stond op een gevaarlijke plek: tussen de Catharijnesingel en het spoorwegcomplex bij het Centraal Station. Geallieerde piloten hadden het vaak op de spoorwegen voorzien. De Duitsers hadden een munitietrein tot dicht bij het gebouw gerangeerd, waarschijnlijk opzettelijk, in de hoop dat de vijand een ziekenhuis zou ontzien. Die hoop bleek tevergeefs.

Het was al dagen onrustig. Op 13 oktober was er „een geweldige slag, een bominslag dichtbij. Dadelijk het gezegende bericht dat alle patiënten en zusters er zonder eenig letsel waren afgekomen”, schreef directrice M. Stenvers.

Op 5 november noteerde ze: „Een rustigen Zondag, veel wind en regen, ’s avonds in de verte gedreun als van zwaar geschut.”

De volgende dag trof een ramp het ziekenhuis. Geneesheer-directeur K. Keyer noteerde: „In den morgen van den 6den november was de actie van vliegtuigen groot. Van 8 uur tot 8.10 en van ongeveer 10 uur tot kwart over tien was reeds luchtalarm gegeven. Te 10.27 volgde wederom een aanval van jachtvliegtuigen op het station, waarbij ook bommen werden afgeworpen, zonder voorafgaand luchtalarm. Het gebouw der Psychiatrisch-Neurologische Klinieken bekwam hierbij een voltreffer midden op het dak van den voorgevel aan de Nicolaas Beetsstraat.”

Ravage

Stenvers was toen net met Keyer aan het overleggen: „Maandag 6 November, toen ik ’s morgens bij de directeur was voor de dagelijksche bespreking, werd er geschoten. Dit werd zoo hevig, dat we ons van de ramen verwijderden en achter in de kamer gingen staan, tot er een ontzettende slag kwam en de grond dreunde onder onze voeten.”

Gebouw III werd getroffen. Keyer: „Gezien de gevolgen schijnt het dat de bom eerst op een lagere verdieping explodeerde. Door scherfwerking werden velen van het personeel en ook van de patiënten min of meer ernstig getroffen. De voorgevel stortte van boven tot onder ineen, onder zijn verpletterend gewicht velen bedelvend.”

Stenvers: „Reeds bij de wasscherij kwamen de eerste gewonden me tegemoet loopen, bloedend en onherkenbaar door de dikke laag grijs stof, die hen bedekte. Enkele patiënten werden door twee personen gedragen, meerderen kwamen al op brancards. Bij de achterdeur gekomen keek men dwars door het gebouw, daar het middenstuk van de voorgevel tot aan ’t trappenhuis was weggeslagen. Een voltreffer had het huis daar getroffen. De ravage overal was onbeschrijfelijk. Over glasscherven, uitgeslagen deuren en neergestorte plafonds hielpen allen mede de getroffenen eruit te dragen, zelfs meerderen, die zelf waren gewond. De houding van allen was voortreffelijk. Niemand aarzelde één moment. Iedereen hielp mee en pakte oogenblikkelijk ten volle aan.”

Helpers schoten toe, maar niet alleen zij. Keyer: „Onder het mom van hulpverlening hebben duistere elementen kans gezien eenige objecten uit het getroffen gebouw te stelen. Ook een geval van lijkroof is bekend geworden.”

Beroep aangenomen

Onder de 21 slachtoffers waren twee bezoekers: twee predikanten. Jan Rutger Immink was hervormd predikant in Berkenwoude, Delden en Heerenveen geweest en sinds 1934 voorganger van de afdeling Utrecht van de Nederlandse Protestantenbond. Hij was op ziekenbezoek. Voor ‘gewoon’ bezoek zal het nog te vroeg geweest zijn, maar voor predikanten golden die bezoektijden niet. Op een later tijdstip had het aantal slachtoffers nog veel groter geweest kunnen zijn.

Martinus Heikoop, sinds 1929 predikant in de Gereformeerde Gemeenten, was als patiënt naar het ziekenhuis gekomen. Utrecht was tot nu toe zijn enige gemeente geweest, maar hij had een beroep van buurgemeente Zeist aangenomen nadat hij bepaald zei te zijn bij Johannes 11:28: „De Meester is daar en Hij roept u.” Hij is echter niet in Zeist bevestigd; de tekst bleek voor hem een andere betekenis te hebben.

Zijn laatste preken hield hij op zondag 17 september, de dag waarop operatie Market Garden begon. Psalm 31:20a was ’s morgens zijn tekst: „O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen.”

Los van beide

Volgens zijn biograaf, ouderling Joh. Fama, leed ds. Heikoop aan aderverkalking en kon hij zich steeds minder goed concentreren. „Met wankelen tred ging hij naar den predikstoel. Wij zagen dat hij, derwaarts gaande, een paar maal aan een kerkbank greep, wegens zijn hevige duizelingen. (...) Enkele dagen later stortte hij dermate in, dat aan geen preeken meer viel te denken.”

Veel had hij in zijn laatste levensjaar over de dood gedacht en gesproken. Volgens Fama zei hij op het laatst: „Nu ben ik los van Utrecht en Zeist beide. Ik geloof ook niet dat ik in Zeist kom.”

Op 6 november had hij in het ziekenhuis een afspraak met een neuroloog, prof. dr. W. G. Sillevis Smitt (1894-1985). Ds. Heikoop zat nog in de wachtkamer toen de bom viel.

Als laatste gevonden

Het ziekenhuisbestuur beraadslaagde daags na het bombardement over evacuatie, want patiënten en personeel waren bang voor herhaling. Zo dicht bij het station hadden ze geen ogenblik rust meer. Het stadsbestuur stelde een ambachtsschool beschikbaar en ook in het Diaconessenhuis was er ruimte.

Op 8 november schreef Stenvers dat het lichaam van portier Ras onder het puin was gevonden, „hetgeen nu voor z’n jonge vrouw die binnenkort haar tweede kindje verwacht, een vermindering van de enorme spanning van de laatste dagen betekende.”

Later op de dag werd ds. Immink onder het puin uit gehaald. „De pathologieploeg heeft al deze dagen de wel zeer zware, droevige taak op rustige wijze volbracht en is trouw op z’n post gebleven.”

Op donderdag 9 november had de eerste begrafenis plaats: die van dokter Van der Plaats. Aan het eind van de middag werd ds. Heikoop in het puin van Gebouw III gevonden, als laatste van de twintig slachtoffers. Twee dagen later kwam er nog één bij, toen een analiste aan haar verwondingen bezweek.

Zes omgekomen verpleegkundigen worden deze avond op brancards overgebracht naar de kerkzaal van het ziekenhuis. „Het was een zeer droevig, indrukwekkend gezicht deze zes baren op een rij te zien staan in ons mooie, intieme kerkzaaltje, bedekt met bloemen”, schreef directrice Stenvers.

Op 10 november waren er meerdere begrafenissen. Ds. Immink kreeg een graf op begraafplaats Tolsteeg, ds. Heikoop op 14 november op 2e Algemene Begraafplaats Kovelswade aan de Koningsweg.

Op de ziekenhuismuur werd een herdenkingsplaquette bevestigd. Die besluit met een strofe uit ”Avond in de cel” van ds. K. A. Beversluis uit het Geuzenliedboek 1940-1945: „Op maandag 6 november 1944 is dit gebouw door bominslag getroffen en gedeeltelijk vernield. Daarbij verloren het leven: De arts C. H. van der Plaats, de zusters J. C. Bohm, B. Drenth, T. Groen, J. Sanders, D. Wellema, A. M. Zwaal, D. Zijlstra, broeder W. van Laarhoven, de analyste M. Gips, de dienstboden E. van den Berg, H. Nagtegaal, de portier W. Ras, de patiënten Ch. Barten, zuster R. Brummelkamp, N. Bronkers, C. P. Carthier, E. Niessen van Wijnen, J. Slim, de bezoekers ds. M. Heikoop en ds. J. R. Immink.

Weer is een zware dag traag weggevloeid. Waarom, o God, kwam over mij dit leed? Maakt gij mij stille, Vader, dat ik weet, dat uit elk kwaad door U een zegen groeit.”