Via taalles leert inburgeraar Nederlandse cultuur kennen

Nederland
Cursisten bij de inburgeringscursus in Gouda. beeld RD, Henk Visscher

De inburgeringscursus. Als het ergens over de vraag gaat wat ons Nederlander maakt, dan daar wel. Cursisten uit het buitenland worden in de lessen klaargestoomd voor een leven in de Nederlandse maatschappij. En dat begint met de taal.

Aardig zijn ze, die Nederlanders. Afifa knikt er nog eens bij om haar woorden kracht bij te zetten. Ze is een van de acht cursisten die vandaag naar de inburgeringscursus in Gouda is gekomen. In kleine groepjes zitten ze verspreid door het lokaal. Voor het digitale bord staat Andrea Korevaar, docent bij SVS Inburgering.

Vandaag gaat het over de voltooide tijd. Is het nu ”Hij heeft gewerkt” of ”Hij gewerkt heeft?” Die voltooide tijd is lastiger dan hij lijkt. Want wanneer gebruik je zijn en wanneer gebruik je hebben? „Er zijn drie families”, legt de docent uit. „Hebben, zijn, en hebben of zijn. Veel werkwoorden gaan met hebben.” „Dat is een grote familie!” roept iemand.

De cursisten zijn op weg naar niveau A2 (zie ”Inburgering en naturalisatie”). Dat betekent dat ze het Nederlands redelijk kunnen verstaan en eenvoudige zinnen kunnen maken.

Door de taalles worden elementen van de Nederlandse cultuur verweven. Soms heel subtiel, in de oefenzinnen die Korevaar met de klas doet. „Ik fiets naar school, wat wordt dat in de voltooide tijd?” Of: „Vandaag regent het. Vandaag drink ik koffie.”

De voertaal is Nederlands; niet alle cursisten zijn de taal al even machtig. Hun achtergrond is divers: Marokko, Tunesië, Syrië, Georgië, Eritrea. Komt een klasgenoot er niet uit, dan helpt een ander hem.

Dankzij het bezoek kan de docent meteen een kort lesje over de restanten van de verzuiling in Nederland geven. Het Reformatorisch Dagblad is een christelijke krant, legt ze uit. „Er zijn verschillende soorten kranten. Zoals je in Nederland ook verschillende soorten scholen hebt. Christelijke, openbare, islamitische en andere bijzondere scholen.”

De cursisten gaan vanmiddag aan de slag met een oefentekst waarin een jongen een boek bestelt bij een boekwinkel. De ene cursist speelt de jongen, de andere de winkelmedewerker. Korevaar loopt rond om de uitspraak te beoordelen.

Zinnen die voor Nederlanders bij de beleefdheidsspraak horen, roepen hier vragen op. Efraïm uit Eritrea wil weten wat „Bedankt voor de moeite” betekent. „Dat zeg je als iemand iets voor je gedaan heeft”, legt de docent uit. Dat is een lastige, want moeite is het tegenovergestelde van iets makkelijks. Maar het kan ook om iets kleins gaan, vertelt ze. „Bijvoorbeeld als iemand je tas voor je oppakt.”

Ruggengraat

Taalles is de ruggengraat van de inburgeringscursus. Want, zegt Korevaar, zonder dat je de taal kent, kun je ergens niet goed inburgeren. „Met Nederlandse les moet je beginnen. Taal is een middel om kennis van de maatschappij op te doen.”

In het lesboek is een hoofdstuk gewijd aan Nederland. Feesten, gewoontes, Hollands eten –compleet met een recept voor pannenkoeken–, het weer, sociale omgangsvormen: alles komt langs. Koningsdag staat gebroederlijk naast Sinterklaas en Kerst.

Alle feesten zijn voorzien van een korte beschrijving. Zo leren de nieuwelingen dat Pasen en chocola bij elkaar horen. En dat veel mensen met Kerst een kerstboom in huis hebben, maar sommigen dan de geboorte van Jezus vieren.

Tussen de regels door komt de Nederlandse wetgeving aan bod. Zoals dat er qua werk geen verschillen tussen mannen en vrouwen zijn. En dat twee mannen met elkaar mogen trouwen.

Nederlanders zijn heel stipt volgens de methode. Heb je geen afspraak met iemand, dan kun je meestal niet zomaar bij een Nederlands iemand eten, waarschuwen de schrijvers. En Nederlanders vinden het belangrijk dat je op tijd komt. Als je ergens niet op tijd kunt zijn, moet je dus even appen of bellen dat je later komt.

Markt

Afifa uit Tunesië vindt de cursus „leuk en interessant.” Ze is zes maanden geleden samen met haar man naar Nederland gekomen en merkt dat ze steeds zekerder wordt in het spreken van Nederlands. „Eerst kon ik de boodschappen niet rustig doen. Nu kan ik rustig naar de winkel en de markt.”

Tijdens de inburgeringscursus leert ze ook meer over de Nederlandse cultuur, vertelt Afifa. „Wat Nederlanders leuk vinden en wat ze niet leuk vinden. Als je bijvoorbeeld op bezoek gaat in Nederland, is het niet leuk als je de tv aandoet en daarnaar kijkt in plaats dat je met elkaar praat.”

Volgens Afifa zijn Nederlanders „aardige mensen.” „Ze zijn vriendelijk, helpen je en hebben respect voor mensen die uit het buitenland komen.”

Inburgeraars moeten niet alleen de taal leren maar ook een examen Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM) doen, vertelt Korevaar. Daarmee laten ze zien dat ze weten hoe dingen gaan in Nederland. De voorbereiding voor dit examen gebeurt deels op school tijdens de taallessen. Cursisten kunnen er ook voor kiezen een speciale korte KNM-cursus te doen. Korevaar: „Wie al veel contacten heeft met Nederlanders of met een Nederlander is getrouwd, leert veel over de Nederlandse gewoonten buiten de school.”

De cursus KNM bevat behalve informatie over de Nederlandse maatschappij veel praktische tips: hoe een afvalkalender werkt, wanneer je handen schudt, wat buurthuizen zijn.

In haar lessen ligt de focus op het leren van de Nederlandse taal, vertelt de docent. Maar het leven als Nederlander komt zeker aan de orde. „Cursisten komen vaak zelf met vragen. Bijvoorbeeld als ze naar een verjaardag gaan, of naar een begrafenis. Dan willen ze weten wat de gebruiken zijn in Nederland.”

Taart

Beneden in de andere klas inburgeraars zet Saman uit Iran net schoteltjes klaar. Hij is jarig en viert dat met taart. Typisch Nederlands? Nee hoor, lacht hij. „Gebak hoort er in Iran ook gewoon bij.”

Het groepje van zes cursisten zit een taalniveau hoger dan de groep van Korevaar. Ze werken toe naar niveau B1 en kunnen zich al aardig redden in het Nederlands.

Door de gast is er onverwachts een lesje Biblebelt. Docent Tjitske Zondag toont de kaart van Nederland op het digibord. De strook van linksonder naar rechtsboven is duidelijk gemarkeerd. „In Bodegraven zijn wel dertig kerken”, weet een cursist. Zondag: „Dat mag in Nederland. Er zijn heel veel verschillende kerken en scholen.”

Deze middag oefenen de acht cursisten met sollicitatiegesprekken. De een is de toekomstige werkgever, de ander de sollicitant. In het lesboek staan ook tips voor dat soort gesprekken: je netjes aankleden, bijvoorbeeld.

Matin, de vrouw van Saman, is erg te spreken over de cursus. „De docent is goed. Ze corrigeert me als ik iets verkeerd uitspreek. Andere mensen begrijpen me wel, maar ik wil gecorrigeerd worden.”

Elke taak in het boek gaat over iets in Nederland, legt Matin uit. „Bijvoorbeeld over het halen van je rijbewijs, of wat je kunt doen in het ziekenhuis. En vandaag over het sollicitatiegesprek.” In haar KNM-boek leert ze nog meer over de Nederlandse cultuur, vertelt de vrouw.

Issa, die tegenover haar zit, heeft al een paar sollicitatiegesprekken achter de rug. Hij woont sinds korte tijd in Nederland; is gevlucht vanuit Syrië. „Nederlanders zijn soms te nieuwsgierig in sollicitatiegesprekken”, vindt hij. „Ze stellen veel waaromvragen. Ik vind het vervelend als ze iets willen weten en ik dat niet wil vertellen. Over mijn geloof bijvoorbeeld.”

Waar Iranees Saman maar niet aan kan wennen, is het eten in Nederland. Typisch Nederlands eten is volgens hem stamppot. En die vindt hij nogal flauw. „Ik zou er meer kruiden aan toevoegen, meer zout. Voor ons is Nederlands eten een beetje saai.”

Vrijwilligerswerk

Korevaar is nu twintig jaar NT2-docent. Ze vindt het „geweldig” om te zien hoe cursisten werken om de taal te veroveren. „Een cursist zei een keer tegen me: Jij bent mijn taalmoeder. Door jou heb ik Nederlands geleerd en ben ik in een nieuw leven geboren.”

Mensen nieuwe perspectieven bieden is de drijfveer van de docent, die voorheen in het bedrijfsleven werkte. „De mensen die hier komen, hebben vaak al zoveel verloren. Hun familie, status, bezittingen. Sommigen zijn zo getraumatiseerd dat ze lastig leren. Doordat ze de taal niet beheersen, zitten ze in een afgesloten bubbel. Op deze manier kunnen ze nieuwe verbindingen maken.”

Meedoen in deze maatschappij is heel belangrijk, vindt de docent. Sinds enkele jaren is er een verplichte participatieverklaring die inburgeraars moeten ondertekenen bij de gemeente na het volgen van een korte cursus. „Echt participeren gaat toch het beste door betaald werk of vrijwilligerswerk. Daar leren mensen de Nederlandse taal in de praktijk.”

Wat zoal getoetst wordt op examen

Kennis van de Nederlandse maatschappij is onderdeel van het inburgeringsexamen. Drie voorbeeldopgaven.

Een mevrouw in een verzorgingshuis doet onaardig tegen Zara. Wat kan ze het beste doen?

Een klacht indienen bij de directeur

De mevrouw geen koffie geven

Rustig blijven en zeggen: Dit vind ik niet leuk

Emma maakt een werkstuk met klasgenoten. Emma is de leider. Een jongen zegt dat meisjes geen goede leiders zijn. Wat kan Emma het beste doen?

Niets zeggen en bij een ander groepje gaan zitten

Zeggen dat de jongen leider mag zijn

Zeggen dat meisjes even goede leiders zijn als jongens

Ali is op zijn werk. Zijn collega Henk is jarig. Henk geeft iedereen een stuk taart. Wat kan Ali het beste doen?

De volgende dag ook iets lekkers meenemen

Een hand geven en zeggen: Gefeliciteerd

Henk uitnodigen om ’s avonds te komen eten

Inburgering en naturalisatie

De inburgeringscursus is voor statushouders en voor nareizigers, mensen van wie al familie in Nederland woont. Ze krijgen Nederlands op taalniveau A2 en daarnaast uitleg over wonen en werken in Nederland. Sommige cursisten volgen eerst een alfabetiseringstraject. Anderen kunnen een snel traject volgen en zich voorbereiden op niveau B1, dat toegang geeft tot bijvoorbeeld het mbo. Voor het afleggen van het inburgeringsexamen is nu minimaal taalniveau A2 vereist; in de toekomst B1.

Op het inburgeringsexamen worden zes onderdelen getoetst: kennis van de Nederlandse maatschappij, oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt en kennis van de Nederlandse taal in spreken, schrijven, luisteren en lezen. Daarnaast ondertekenen inburgeraars een participatieverklaring, waarmee ze aangeven actief te willen deelnemen aan de maatschappij en de Nederlandse normen en waarden te onderschrijven.

Naturalisatie is een stap verder dan inburgering. Dat is mogelijk voor mensen ouder dan 18 jaar die 5 jaar onafgebroken in Nederland wonen en hun inburgeringsdiploma hebben behaald. Op de naturalisatieceremonie ontvangen ze het Nederlands staatsburgerschap.