Verscholen op de Veluwe

Duggie Baker tekende tijdens zijn onderduikperiode zijn sprong van de trein. Als krijgsgevangene op transport gesteld naar Duitsland lukte het hem toen de trein vaart minderde, uit een raam naar buiten te klimmen en te springen. beeld uit Schuilplaats de Veluwe
6

De Veluwe was in de Tweede Wereldoorlog een belangrijke schuilplaats voor gestrande geallieerde piloten. Wolter Noordman uit Heerde onderzocht hoe het netwerk van het verzet zich over hen ontfermde.

Of hij er interesse in had, vroeg een kennis. Dat had Wolter Noordman zeker. „Hij wist van mijn belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog op de Veluwe. Op een ruilbeurs had hij een gastenboek gevonden waarin onderduikers een afscheidswoord noteerden als dank voor de verleende gastvrijheid. Vaak waren deze achtergelaten berichten bedoeld voor contact met hun familie zodra de oorlog voorbij zou zijn. De onderduikers wisten immers niet of zij wel in leven zouden blijven.”

Het boek was van dokter Joop Kruimel, die in Garderen buitenhuis De Ruif bezat. In het verzet was hij beter bekend als Oom Joop. Geallieerden kenden hem als Uncle Joe of Joe Smith. „Van sommige vliegers en para’s weet ik dat ze enkele dagen of weken in Kruimels huis zijn geweest, maar de meesten werden op adressen in de omgeving ondergebracht, in Nieuw-Milligen, maar ook in Staverden, Garderen, Stroe, Hoenderloo, Kootwijk of Harskamp. In het boek stonden nogal wat namen van geallieerde piloten. Dat stimuleerde me om te reconstrueren hoe het hen verder was vergaan.”

Noordman (70) publiceerde al eerder over verzetsmensen, onderduikers en geallieerden op de Veluwe. In zijn nieuwste boek, ”Schuilplaats De Veluwe” staan ruim twintig persoonlijke verhalen. „Geschiedenis boeit me, en zolang er geen Derde Wereldoorlog uitbreekt, wat God moge verhoeden, blijft de periode 1939-1945 actueel. Ik ben er midden jaren tachtig mee begonnen, toen veel geallieerde piloten nog leefden. Ze gingen in die tijd net met pensioen. Hun belevenissen kon ik nog uit hun mond optekenen. Het was een kwestie van contact zoeken met de andere kant van de Noordzee of de Atlantische Oceaan. Menigeen kwam later nog naar Nederland om de plekken terug te zien waar ze ondergedoken waren geweest.”

Van de trein gesprongen

Op de Veluwe waren veel onderduikadressen. Noordman noemt in die context ook Kootwijkerbroek, De Valk, Barneveld, Voorthuizen, Vierhouten, Epe, Heerde en buurtschap Assel. Geallieerde militairen vonden er onderdak nadat hun vliegtuig was gecrasht, nadat ze van een trein met krijgsgevangenen waren gesprongen of nadat ze uit een hospitaal waren ontsnapt. Een deel van hen beleefde op de Veluwe de bevrijding van Nederland. „Anderen probeerden bevrijd gebied te bereiken”, aldus Noordman. „Op hun vlucht werden ze vaak alsnog in België en Frankrijk opgepakt, door Duitse infiltratie in de ontsnappingslijnen. Slechts enkelen bereikten Spanje. Wellicht lieten de Duitsers dat toe om bij de geallieerden de indruk te wekken dat hun vluchtlijnen toch wel werkten.”

In een van de langste hoofdstukken, ”Van Oldebroek naar Gibraltar’”, vertelt de Canadees Earl Price hoe hij wist te ontkomen. Noordman: „Hij doet dat heel gedetailleerd. Ik kan helemaal volgen waar hij liep. Eerst ’t Harde, daarna Hoenderloo, later België.” Bij de crash van zijn vliegtuig verloor Price een laars. Na twee dagen rondzwerven in de bossen, geregeld de overgebleven laars van voet verwisselend, kreeg hij in de omgeving van Gortel een paar schoenen van twee jonge knapen in wandeluitrusting. De laars mochten ze als souvenir houden.

Gouvernante

Behalve aan het gastenboek van dokter Kruimel ontleende Noordman veel gegevens aan het archief van de familie Van Eysinga uit Elspeet. „Daarin trof ik ook het dagboek aan van de gouvernante van jonkvrouw Ima van Eysinga, Liesbeth Verweij. Die noemt ook namen van geallieerden die enige tijd bij hen of in de omgeving waren ondergedoken, onder andere in de boswachterswoning Kijkuit in het Leuvenumse Bos bij Hulshorst.”

Een derde bron was het archief van de familie Eskes. „Dirk Eskes was ook arts. Alex was zijn schuilnaam. Kruimel en Eskes trokken in het verzetswerk met elkaar op, ik kwam veel dezelfde namen tegen.” Eskes en zijn vrouw Nelly vingen onderduikers op in Nieuw-Milligen nabij Garderen. Een piloot herinnerde zich: „Overdag kon ik me daar vrij bewegen, maar als het donker werd moest ik naar een schuilplaats in het bos. Die ruimte was niet veel groter dan een graf. Het luik werd achter mij gesloten en ik moest liggend op een matras het daglicht afwachten, totdat ik weer naar buiten kon. Dat was een tamelijk ruige stijl van leven, die wel enige zelfdiscipline vergde.”

Eskes stierf in april 1945 door een vuurpeloton op de Geldersedijk in Hattem. „Nel, ik kan het nog steeds niet geloven dat Dik er niet meer is”, schreef een piloot na de oorlog aan zijn weduwe. „Mensen zoals hij zijn er niet veel en meestal snel vergeten. Ik zal hem echter nooit vergeten. Nu de meesten van ons weer veilig terug in Canada zijn, dringt het besef door hoe goed jullie ons geholpen hebben. God weet dat jullie nauwelijks genoeg voor jezelf hadden en dat weinige zelfs met ons gedeeld hebben.”

Van een andere piloot hoorde Noordman over diens helpers op de Veluwe: „Ik bewonderde hun moed en opofferingsgezindheid. Er was niet veel voedsel en het meeste eten was gerantsoeneerd, toch deelden ze het weinige met ons, die ze als bevrijders zagen.”

Dick Kragt, een Nederlandse geheim agent die voor de geallieerde piloten voedsel, onderduikadressen, kleding en identiteitspapieren moest regelen en onder andere opereerde vanuit Barneveld, oordeelde: „Op de Veluwe was de ondergrondse goed georganiseerd. Zonder de hulp van die mensen had ik geen succes gehad. Wat zij gepresteerd hebben, grenst aan het ongelooflijke. Daarvoor verdienen ze enorm veel waardering. In die tijd was ik nog vrijgezel en had dus niets te verliezen. De hulpverleners met hun families, vaak met jonge kinderen, waren elke dag in gevaar. Desondanks gingen ze gewoon door met dit gevaarlijke werk.”

De verzetsmensen waren niet bang, zegt Noordman. „Hun inzet was niet zelden gemotiveerd vanuit het geloof. Zij zagen in de nazi’s de hand van de duivel. Na de oorlog liet ik eens een Engelse weduwe en haar dochter zien waar hun man en vader ondergedoken had gezeten. Een verzetsman uit Barneveld ging met ons mee, hij bestuurde de auto. Die weduwe wilde op een gegeven moment van hem weten waarom hij en zijn maten in de oorlog hun leven zo hadden gewaagd terwijl ze ook kinderen hadden. Ik vertaalde en de man uit Barneveld moest even nadenken. Daarna antwoorde hij met regels uit het Lutherlied: Beef, satan! Hij, die ons geleidt, zal u de vaan doen strijken! Delf vrouw en kind’ren ’t graf, neem goed en bloed ons af, het brengt u geen gewin: wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken! We reden terug van Otterlo naar Barneveld en het was wel even stil in de auto…”

Schuilplaats De Veluwe. De vluchtlijnen voor geallieerde piloten 1942-1945, Wolter Noordman; uitg. Omniboek, 2019; 352 blz.; € 23,99

Razzia

Liesbeth Verweij, dochter van dichter, essayist en vertaler Albert Verweij, beschreef in haar dagboek verzetsactiviteiten in de omgeving van Elspeet, Hulshorst en Garderen in het najaar van 1944. In die periode woonde zij op buitenverblijf Sterrenhoveke in Elspeet, uitvalsbasis voor het verzetswerk van jonkheer Dirk van Eysinga. Een fragment: hoe twee piloten naar Sterrenhoveke kwamen.

„Daar er op De Ruif zeven parachutisten tegelijk waren, werd besloten er twee naar ons te zenden. Dirk zou met Oom Joop de dag van overbrenging bepalen. Dit was omstreeks 10 oktober. Op die dag echter was er een zo’n uitgebreide razzia, dat Dirk zich niet buiten kon wagen. In plaats van Dirk, die met een kruik en enige dekens in de vrij tochtige schuilplaats achter het waterreservoir op zolder vertoefde, fietste ik naar De Ruif, om een afspraak met Oom Joop te maken.

Ik sprak af de volgende avond om zeven uur de twee parachutisten te komen halen; dan was het donker genoeg. We richtten de zolder voor de nieuwe gasten zo onopvallend mogelijk in. Zij zouden in de Perzische tapijten slapen en waren zij eenmaal boven, dan trokken wij de trap op.

Om zes uur de volgende avond arriveerde ik op De Ruif. Om kwart over zeven kwam Oom Joop thuis uit Terschuur en hij was onmiddellijk klaar om de tocht naar Elspeet mee te maken. Het beste leek hem als ik ongeveer twintig meter vooruitreed en een teken kon geven bij onraad. Na mij volgden Tom en Sam en de rij werd besloten door Oom Joop. We reden langs de fietspaden en over binnenwegen. Bij ieder kruispunt keek ik om en alles ging goed. Maar Engelsen zijn geen helden op de fiets en ik moest mijn tempo inhouden. Nog voor de molen was het al pikdonker en ik verloor mijn metgezellen. Het duurde lang voor ze weer opdoken; wel meer dan een kwartier. Misschien hadden ze een andere richting genomen. Maar eindelijk hoorde ik oom Joops stem en de gefluisterde Engelse woorden van Tom en Sam.

Rond acht uur gaf ik de gebruikelijke tik op het zijraam van de woonkamer van Sterrenhoveke en deed Dirk opgelucht de deuren van het atelier open. Het vuur brandde in de haard, voor een Engelsman waarschijnlijk een vertrouwd gezicht.

Tom, een Schot, had een hoofdwond die nog steeds niet genezen was. Hij was van beroep mijnwerker, ernstig en koelbloedig en met een typisch Engels gevoel voor humor. Sam was een machinist met aspiraties om het verder te brengen.

Het leven met Tom en Sam was regelmatig en gedisciplineerd. Zij mochten niet opstaan voor Dirk hen riep. Was er onraad, dan werd het woord ”coffee” naar boven geroepen. Dirk zei dat het ongelooflijk was zo vlug, handig en geruisloos ze plachten te verdwijnen achter het waterreservoir, na de Perzische tapijten opgerold te hebben. Daar het met het oog op hun eigen veiligheid verstandiger leek dat zij zo weinig mogelijk in huis waren, gingen zij overdag hout sprokkelen in het Elspeter Bos. Zij namen dan ieder een andere weg erheen.”