Troelstra sloeg met revolutiepoging de plank mis

Standbeeld van Pieter Jelles Troelstra aan het Oldehoofsterkerkhof te Leeuwarden​. beeld RD, Anton Dommerholt
2

Pieter Jelles Troelstra, de socialist die een eeuw geleden een jammerlijk mislukte revolutiepoging deed, was niet de standvastige leider die een partij nodig heeft. Op cruciale momenten kreeg hij een zenuwinzinking.

Toch bleef hij aan het bewind. Andere hoge SDAP’ers –Vliegen, Schaper, Oudegeest– beseften dat Troelstra iets had wat zij ontbeerden: charisma. Troelstra was een tactische advocaat, een strateeg. Maar ook een agitator, een romanticus, die zo opzwepend sprekend kon dat hij niet alleen zijn gehoor maar ook zichzelf in vervoering bracht.

Die typering geeft Rob Hartmans in ”De revolutie die niet doorging”, zijn boek over ”De tragedie van Troelstra, november 1918”. De Eerste Wereldoorlog liep op een eind, rijken vielen uiteen, vorstenhuizen verloren troon en kroon.

Onvrede

Troelstra achtte ook in Nederland de tijd rijp voor een revolutie. Het werd echter nog geen schim van de grootse omwenteling die hij voor ogen had.

Vergiste Troelstra zich? Het is de vraag die Hartmans in zijn slothoofdstuk aan de orde stelt.

Ja, Troelstra vergiste zich. Zeker, er heerste veel onvrede. Maar „leger en politie waren geen onbetrouwbare factor geworden; de arbeidersklasse stond niet als één man gereed om de macht te grijpen; veel werknemers hadden nog altijd vertrouwen in hun kerkelijk leiders; het feit dat sommige vertegenwoordigers van de bourgeoisie knikkende knieën hadden, wilde nog niet zeggen dat het hele establishment het geloof in het politieke en maatschappelijke bestel verloren had; het koningshuis was aanzienlijk populairder dan de sociaaldemocraten hadden gehoopt; en het kader van zijn eigen beweging voelde er bitter weinig voor om alles wat in een kwarteeuw was opgebouwd nu in de waagschaal te stellen. Maar bovenal vergiste hij zich in zichzelf: Troelstra was veel en kon veel, maar hij was niet de man om leiding te geven aan een revolutie.”

Turbulent

Hij was wel de man om Nederland kortstondig op zijn grondvesten te doen schudden, dat wel. Want zijn roep om een omwenteling, in de weken die voor Europa toch al zo turbulent waren, maakte veel los. Nederland kwam in beweging, maar met name het cóntrarevolutionaire deel ervan. En dat weet Hartmans allemaal op toegankelijke wijze te beschrijven.

Troelstra’s tragedie was niet alleen dat hij moest afdruipen, als een hond met de staart tussen de poten, maar ook dat hij de sociaaldemocraten voor ruim twintig jaar in de oppositie manoeuvreerde. Tot 1939 werd de SDAP buiten het kabinet gehouden; ze mocht pas meedoen toen Nederland na allerlei kabinetscrises bijna onbestuurbaar was geworden. Niet aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, maar aan de vooravond van de Tweede kregen de socialisten een plaats in de regering. Troelstra heeft dat niet meer meegemaakt.

Spaanse griep

Hartmans schrijft een hoofdstuk over ”Nederland in 1918”: levensmiddelen op de bon, spanning aan de grens, de Spaanse griep, de aardverschuiving –van liberaal naar confessioneel– bij de verkiezingen.

Hij beschrijft in een volgend hoofdstuk ”socialisten in soorten en maten” – van anarchistisch tot „uiterst bezadigd.”

”Relletjes of revolutie?” is de vraag die de historicus stelt bij de stenengooierij op legerplaats De Harskamp bij Ede. Een relletje, was het, maar geen revolutie. Dat hoopten de socialisten wel. Dat vreesden anderen evenzeer. „Grijpt met ons het oogenblik, dat u zal vrijmaken...” spoorde Troelstra de niet-socialistische arbeidersbewegingen aan. Maar hij onderschatte de verzuiling.

Hij was de enige niet. „De Bolsjewiki-bacil is overgeslagen naar deze landen”, jubelde een linkse journalist. De aanleiding tot het opstootje was echter niet van politieke aard, maar nogal ordinair: de soldaten baalden van het schrale eten, het eindeloze wachtlopen, de zinloze oefeningen, het ingetrokken verlof. Ze wilden maar één ding: naar huis. Niks bezielende bacil.

Ook de arbeiders ontbrak het aan revolutionair elan, tot spijt van degenen die op een revolutie hoopten. „Een revolutie is in een democratisch geregeerd land een dwaasheid”, stelde voorzitter W. H. Vliegen van de SDAP.

Bezinning

Maar het duurde nog even voordat Troelstra tot bezinning kwam, wat in zijn geval betekende dat hij mentaal instortte, zoals al eerder was gebeurd. Dat alleen al laat zien dat hij niet de man was om een revolutie te ontketenen. En Nederland was niet een land om een revolutie te ondergaan.

Toch werkte het tumult wat uit. De nood van de arbeiders moest gelenigd worden, dat zagen de gezagsdragers wel in. „Het is mijn verlangen de voorgenomen hervormingen door te zetten en aan te vullen met de snelheid, die past bij den polsslag van dezen tijd”, zei koningin Wilhelmina, nauwelijks bekomen van de aanhankelijkheidsbetuiging die haar daags tevoren op het Malieveld ten deel viel.

De revolutie die niet doorging. De tragedie van Troelstra. November 1918, Rob Hartmans; uitg. Omniboek; 206 blz.; € 20,-.