Schrijvers uit het verleden over de Nederlandse volksaard

Wat typeert de Nederlander? Een paar observaties uit de afgelopen eeuwen.

Sir William Temple, ambassadeur van Engeland in de Republiek, ”Observations”, 1673:

„Holland is een land waar de grond beter is dan de lucht en men meer naar winst vraagt dan naar eer, waar meer verstand is dan scherpzinnigheid, meer goedhartigheid dan opgewektheid en meer rijkdom dan plezier. Waar men liever zou willen reizen dan wonen, meer op te merken zal vinden dan te begeren en men meer mensen aantreft die men achting toedraagt dan mensen die men bemint.”

Ds. Willem Anthonie Ockerse, ”Ontwerp tot eene algemeene characterkunde”, 1797:

„De Nederlander is gevolglijk uit zijnen Physieken aart langzaam, dralende, omzichtig, nadenkend, wantrouwende, koelzinnig, niet licht ingenomen, noch innemende op het eerste voorkomen, geduldig tot laagheid toe als hij beledigd word; maar te gelijk standvastig, gezet, doorzettend, vasthoudend aan gevoelens en plichten, warsch van gedurige verandering, en hardnekkig wanneer hij éénmaal verbitterd word. [...] Alles wat lang en diep nadenken, moeilijk blokken en gezetten arbeid vordert, is berekend voor zijn natuurlijk verstand. Hij is minder een scheppend genie, een vlug spelend vernuft, dan een diepe doordenker. […] Met één woord, hij vereenigt in zich meest alle de goede en kwade hoedanigheden van het Phlegma, waarvan zijn natuurlijk gestel zoo onderscheidend bedeeld is.”

Groen van Prinsterer, ”Over volksgeest en burgerzin”, 1829:

„Bedaardheid, onpartijdigheid, nederigheid, zijn hoofdtrekken van het Hollandsche Volkskarakter: doch menigwerf is bedaardheid in laauwheid en onverschilligheid overgegaan, onpartijdigheid in vooringenomenheid met het vreemde veranderd, en zedigheid een gevaarlijk voorbijzien van eigene voortreffelijkheid, eene voor Nationale zelfstandigheid en volmaking verderfelijke zucht tot navolging geworden.”

Conrad Busken Huet, ”Het land van Rembrandt”, 1882-1884:

„Nederland is roomsch geweest; Nederland is gereformeerd geworden; doch toen de revolutionaire beweging, die aan het protestantisme te onzent de overwinning verzekerde, had uitgewerkt en de landaard weder bovengekomen was, heeft de nederlandsche beschaving, blijkens de gematigdheid van vorsten, regenten, en kunstenaars, zich aan de zijde van den Rotterdammer geschaard. La Hollande est de la religion d’Érasme, (Nederland is de religie van Erasmus, RL) is gedurende meer dan driehonderd jaren, ondanks de gereformeerde staatskerk en den Heidelbergschen Katechismus, eene getrouwe beschrijving van de stille algemeene denkwijze der Nederlanders geweest.”

Johan Huizinga, ”Nederland’s geestesmerk”, 1935:

„De eenheid van het Nederlandsche volk is bovenal gelegen in zijn burgerlijk karakter. Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër. Onze nationale cultuur is burgerlijk in elken zin, dien men aan het woord hechten wil. (...) De burgerlijke levensopvatting heeft zich meegedeeld aan alle groepen of klassen, die ons volk telt, landelijke en stedelijke, bezittende en niet-bezittende. Onze gansche geschiedenis weerspiegelt die burgerlijke aspiraties. Om burgervrijheid hielden onze voorouders het verzet tegen Spanje vol. In burgerzeden wortelden de politieke eigenschappen der Republiek, die ik hierboven opsomde (...). Uit een burgerlijke sfeer sproten onze weinig militaire geest, de overwegende handelsgeest. De burgerlijke samenleving verklaart de geringe oproerigheid der volksklassen, en in het algemeen die effenheid van het nationale leven, die maar licht rimpelde onder den wind der groote geestesberoeringen. (...) Men ziet het: ik laat aan den term een deel van zijn negatieven klank. In burgerlijkheid wortelen ook onze hinderlijkste nationale gebreken: de vrijdom der baldadigheid, het gemis aan publieke wellevendheid en de vaak beklaagde krenterigheid.”

De burgerlijke levenshouding brengt ook teweeg die lange inzinking van ons volksbestaan in de achttiende eeuw en de loome, langzame ontwaking in de negentiende.”