Schilderij met een gouden randje

De mooiste voorwerpen in je huis zijn die met een verhaal. Het voorwerp zelf hoeft niet waardevol te zijn, het verhaal maakt het kostbaar. De naaidoos die je moeder nog gebruikte, het rookstel van opa. Een klappersteen, gevonden in de bosjes vlakbij huis. Het schilderijtje van Cor Bouter.

Het stond op een veiling, eigenlijk wat weggestopt in een kast. Een interieurtje, een fraai huiselijk tafereeltje van een moeder met twee kinderen. Zoals de schilders van de Haagse en de Larense School ze veel maakten. Bouter (1888-1966) was een navolger van Blommers en Israëls, dus dat klopte wel. De lijst was behoorlijk beschadigd, het schilderij wat rauw en dof. Maar een opknapbeurt zou zeker het licht weer te voorschijn halen.

Ik was niet de enige bieder, de prijs schoot omhoog. Dat geeft een dubbel gevoel: kennelijk heb je het terecht op je verlanglijstje gezet. Jammer, want gemakkelijk schiet de prijs je budget voorbij.

Maar dan heb je het. Je draait het in je handen, elk hoekje wordt zorgvuldig bekeken. Dan, op het raam van het doek, zie je het. Met potlood geschreven: Mevr. Scheen. Het zal toch niet waar zijn; in 1984 interviewde ik Pieter Arie Scheen, voormalig kunsthandelaar en samensteller van een schilderslexicon. Scheen stierf in 2003. De stamboom van Scheen was snel gevonden. En ook zijn zoon Pieter. Die kon mij wel op weg helpen, zei hij. Mevr. Scheen was ongetwijfeld zijn oma. Zij was getrouwd met opa Pieter Scheen. Na diens dood bleef zij achter in het huis aan de Zeestraat 54 in Den Haag. „Omdat het huis op nummer 54 zeer groot was en wellicht ook de huurpenningen interessant waren, verhuurde oma enkele kamers aan Cor Bouter. Ik herinner mij dat omdat ik als klein jongetje wel eens ging kijken in zijn atelier, een klein kamertje, als hij aan het schilderen was. Of uw schilderij bedoeld was om er de huur mee te betalen durf ik niet te zeggen.”

De jonge Scheen kon zelfs nog citeren uit nooit verschenen memoires van zijn vader Pieter Arie: „Ik zie nog bij ons aan de deur H. Schallenberg, die in de ogen van veel vrouwen schattige bloemstukjes maakte, waarvoor mijn vader een gulden per stuk betaalde. Verder kwam bij ons G. G. J. Delfgauw, een huisschildersbaas die werkelijk niet onverdienstelijk schilderde. Zo ook Piet en Cor Bouter. Piet werd wel eens een ‘smeerder’ genoemd, maar Cor was een rasartiest – die schilderde werkelijk van alles en nog wat.”

De lijst om het schilderij is bruin. Voor mij zit daar nog een gouden randje omheen.