Rol vrouw wordt groter in de achttiende eeuw

Gezin van toen
Centsprent eind achttiende eeuw. beeld Nederlands Openluchtmuseum
2

Hooggestemde huwelijksidealen worden lang niet altijd in praktijk gebracht. De geschiedenis kent tal van voorbeelden van slechte huiselijke relaties. In de achttiende eeuw zien we de rol van de vrouw groter worden: ze weet zich binnen het huwelijk te emanciperen. Tegelijk komt er een proces van verburgerlijking van het gezin op gang.

Het huishouden van Jan Steen is symbool geworden van een ongeregeld gezin waarin wanorde heerst, waarin structuur ontbreekt en waarin niet geleefd wordt volgens de gulden principes van rust, reinheid en regelmaat. De huisgenoten doen allemaal precies wat ze niet behoren te doen. De schilder hield daarmee de kijkers een spiegel voor, waarbij hij vooral wilde laten zien dat slecht voorbeeld slecht doet volgen.

Op een van de huishoudens van Jan Steen heeft de grootmoeder een tekst voor zich met de woorden ”Soo voer gesongen, soo na gepepen”, letterlijk: wat (door de ouders) wordt voorgezongen, wordt (door de kinderen) nagepiept. De papegaai en de vogels in het kooitje op de achtergrond versterken die boodschap.

Schrobben en dweilen

Morele boodschappen over huwelijk en gezin werden ook in prentvorm verspreid. In de achttiende eeuw was er een populaire prent in omloop over Jan de Wasser en zijn huisvrouw Griet. Deze zogeheten ”centsprent” was een stripverhaal dat een aantal close-ups laat zien uit het huwelijk van Jan en Griet. Er verschenen ook ingekleurde versies van op de markt. De prent schetst een omgekeerde wereld en een ”strijd om de broek”.

Jan zit onder de plak van Griet. Hij moet schrobben, dweilen, koken en de baby verschonen, taken die tot het traditionele rolpatroon van de huismoeder horen. Maar Griet is niet alleen bazig, ze is ook gewelddadig, want ze slaat Jan met de zweep.

Als Jan het kind een pak slaag geeft om het op te voeden, krijgt hij er van Griet met de zweep van langs. Daarmee refereert de tekenaar aan de reputatie van de Hollandse huismoeders die hun kroost bederven en verwende kinderen kweken. Hun man is hun sloof maar kom niet aan hun kinderen!

Jan de Wasser en zijn Griet waren tot het begin van de negentiende eeuw heel populair. De prent kende voorgangers uit de zeventiende eeuw zoals ”Het bedorven huyshouden” waarin de echtgenoten met elkaar op de vuist gaan.

Uit de tekst van een centsprent die aan het einde van de achttiende eeuw werd gedrukt (zie afbeelding op deze pagina), leren we voor wie deze prenten bedoeld waren: voor kinderen:

„Hier ziet ge, ô Kinders! u ten afschrik, afgebeeld, / Welke Ongeregeldheên het kwaad Huishouden teelt.”

De prent toont slecht gedrag van beide echtelieden. De dronken man wordt door zijn vrouw met de roede opgewacht. Tijdens een ruzie slaan ze met keukengerei de boel kort en klein. „Het Jongsken ziet dit aan en schreit”, aldus het gedichtje onder de prent. „Tweedragtig Paar!”, zo roept de tekenaar hen toe, „wat wilt gy toch? Verderflyk is uw woede.”

Echtscheiding

Schilderijen en prenten lieten dus een omgekeerde wereld zien. Tegelijkertijd was dat ook een wereld die reëel bestond: niet elk gezin was in staat volgens de regels van burgerlijk fatsoen en christelijke liefde onder één dak samen te wonen. De mogelijkheden voor het formeel beëindigen van een huwelijk waren echter zeer beperkt. ”Divortie” oftewel echtscheiding was wettelijk slechts in twee gevallen toegestaan: op grond van overspel en kwaadwillige verlating.

Echtgenoten die van elkaar af wilden, konden nog wel andere middelen beproeven. Ze konden onderling een regeling treffen, waarbij het huwelijk gewoon intact bleef. Ze konden het ook formeel regelen. De overheid stond in sommige gevallen ”separatie” toe, dat wil zeggen scheiding van tafel en bed, dus ontheffing van de samenwoningsplicht. Ook daarbij bleef het huwelijk juridisch intact. Een andere vorm betrof huwelijksdispensatie: als de man of vrouw te lang afwezig was, kon de overheid een nieuw huwelijk toestaan.

De meest vergaande juridische ingreep was opsluiting op verzoek. De maatregel was rond 1500 in zwang geraakt voor familieleden die de naam en eer van de familie te schande maakten. Als zij bijvoorbeeld het familiefortuin er op een onverantwoorde wijze doorheen joegen, konden ze tijdelijk opgesloten worden. Daartoe moest een verzoek bij het college van schepenen ingediend worden, dat getuigen hoorde over het ”kwade gedrag”.

Gewoonlijk werd een verzoek tot opsluiting in twee zittingen afgewikkeld, omdat de schepenen graag hoor en wederhoor toepasten. De opsluiting in het verbeterhuis of het werkhuis was altijd tijdelijk van aard. Een schrijnend voorbeeld hiervan is de kaarsenmaker Alexander de Vroom.

Zijn vrouw, Maria Reissenberg, diende in 1776 bij de schepenen van Amsterdam een verzoek tot opsluiting in. Ze werd mishandeld en haar man verwaarloosde zijn bedrijf door zijn voortdurende dronkenschap. Bovendien vormde Alexander met zijn lichtvaardige gedrag in de smelterij een gevaar voor zijn omgeving: een klein ongelukje kon een stadsbrand veroorzaken. Maria had eerst gedreigd met een verzoek tot opsluiting, maar dat hielp niet. In 1776 voegde ze de daad bij het woord en werd Alexander in het werkhuis opgesloten.

Volgens het vonnis moest hij twee jaar achter gesloten deuren verblijven, maar na een jaar was hij weer thuis op belofte van beterschap. Spoedig ging hij weer drinken, ontvreemdde geld uit de winkel en bleef ’s nachts weg.

Opnieuw volgde opsluiting. Na een half jaar kwam hij op verzoek van Maria vrij omdat ze hem niet kon missen in de smelterij – zelf dreef ze de winkel.

Maar de kaarsenmaker liet dat niet op zich zitten. Hij liet nu zijn vrouw opsluiten. Ze zou teveel drinken en met haar voortdurende ruzies de buurt onveilig maken. Na een paar maanden koos ook hij eieren voor zijn geld. Hij haalde haar weer uit het werkhuis, want hij kon zijn vrouw evenmin missen in de kaarsenmakerij. Kennelijk werd toen de vrede gesloten en werd het echtelijke machtsevenwicht hersteld.

Vrouwen en moeders

De affaire De Vroom-Reissenberg speelde in de jaren 1776-1778. Dat was ook de periode waarin volgens gezinshistorici sprake is van een verburgerlijking van het gezinsleven. De moeder wordt meer exclusief de huisvrouw en echtgenote, die binnen de muren van het huis haar machtspositie uitbreidt. Ze krijgt meer huismacht of ”domestic power”, ze heeft meer dan eerder de touwtjes in handen, de man moet een stukje macht inleveren in de bestiering van het huis en de opvoeding van jonge kinderen.

We zien dat terug in de ”Proeve over de opvoeding” (1780) van de schrijfster Betje Wolff. Zelf bleef ze kinderloos maar ze wist wel op een andere manier zichzelf te emanciperen. Ze trad in 1759 als 21-jarige in het huwelijk met de 52-jarige predikant en weduwnaar Adriaan Wolff.

Een eeuw eerder zou daar schande van zijn gesproken omdat het een ongelijk huwelijk was. In de achttiende eeuw werden zulke individuele keuzes vaker geaccepteerd. Betje Wolff droeg ook bij aan de emancipatie van de vrouw door een eigen ruimte te creëren in het schrijverschap. Daarmee was ze voor velen een voorbeeld.

Hoewel ze geen kinderen had, pleitte ze in de ”Proeve over de opvoeding” voor uitbreiding van de vrouwelijke huismacht. Moeders waren volgens haar de meest natuurlijke opvoeders, die kinderen beter aanvoelden dan vaders, die meer op afstand stonden.

”Huizelyk geluk” past bij het ”eigentlyk karakter” van de vrouw. Met een vakterm heet dat ”romantische geslachtspolarisatie”.

Ook voor Betje Wolff zelf hoorde het ”huizelyk geluk” bij haar eigenlijke karakter. Hoe verlicht en geëmancipeerd ze ook was, haar ”Proeve” laat zich ook lezen als een jammerklacht over onvervuld moederschap. ”Vrouwen! hoe vermeerderen uwe gelukzaligheden als gy Moeders wordt!”

serie

Gezin van toen

Dit is de derde aflevering in een serie artikelen over de geschiedenis van het gezin.