Raquel van Haver schildert de rafelranden

”Reason for being”.​ beeld Gert Jan van Rooij
5

Uiteindelijk wil kunstenaar Raquel van Haver vooral verhalenverteller zijn. De rode draad in haar schilderijen? Hoe kariger bedeeld een gemeenschap, hoe meer oog en zorg er voor elkaar is. En met een minimum aan welvaart valt er nog veel vreugde uit het leven te oogsten.

Raquel van Haver (29) wordt getipt als de meest talentvolle Nederlandse kunstenaar onder de dertig jaar. Dat ”Nederlandse” vraagt om een korreltje zout. Raquel is Colombiaans adoptiekind en herbergt een wereld in zich. Ze wíl ook breed kijken, observeren, en zoeken naar de dingen die je overal op aarde tegenkomt. Te beginnen in Amsterdam Zuidoost, waar ze haar atelier heeft. Tijdens reizen naar Nigeria, Colombia, Suriname, Zimbabwe en Cuba mengt zij zich ook daar onder de mensen. Kruipt ze –soms niet ongevaarlijke– gemeenschappen binnen. Wint vertrouwen en ziet kans duizenden foto’s en schetsen te maken.

Bij het rangschikken van al dat beeldmateriaal dringen de vaste patronen zich als vanzelf op. Rijkdom en welvaart zijn voor slechts enkelen; de meeste mensen bivakkeren aan de rafelranden, ergens op de grenzen waar een dagelijkse maaltijd niet vanzelfsprekend is, onderwijs een luxe en een dak dat niet lekt een uitzondering. Tegelijk is hier in de marge saamhorigheid te vinden, het opzoeken van elkaar; wordt het bestaan beleefd als groep. Hier zijn –naast alle sores– gezelligheid en onderlinge zorg vanzelfsprekend. Buiten de schijnwerpers van de toeristische attracties en het kloppende, economische hart van de steden speelt zich het echte sociale leven af. Buiten, onder de zon, op onverwoestbare plastic stoeltjes en bij ventilatoren. Aan ruwhouten tafels, waaronder de plastic bierkratjes staan met de overbekende groene flesjes, worden eten en plezier gedeeld. Wordt honderduit gekletst, gezongen, gedanst; het zijn de verbroederende rituelen van het straatleven. Hier worden de onmiskenbare zorgen en verdrietigheden even vergeten, bewaard voor de nacht.

Raquel ziet nog iets; als gevolg van de Afrikaanse diaspora zijn er wereldwijd veel gelijkenissen in taal, gebaren, spelletjes en geloof.

Raquel slaat het allemaal op in haar hoofd en in haar fotoarchief. Daar vermengen de beelden, landen en gemeenschappen zich tot grootste gemene delers. Die schildert zij. Je mag het ook boetseren noemen. De kunstenares maakt haar eigen verf, vermengt die met teer, zand en hars. Dit pasteuze mengsel brengt ze duimendik aan op een doek van grof jute. Waar nodig voegt ze kroonkurken, sigaretten, kralen en desnoods mobiele telefoons toe. De afgebeelde figuren krijgen door de rauwe bewerking iets karikaturaals. De lijst wordt bewerkt met karton en papier-maché. Het eindresultaat is een kleurrijk hedendaags ‘schuttersstuk’ waar de levendigheid vanaf druipt.

Speciaal voor de tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft Van Haver een zestal werken gemaakt. Uit al de verschillende mensen die op de doeken voorkomen, heeft zij er een aantal geselecteerd en die samengebracht in een slotstuk van 9 bij 4 meter: ”We do Not sleep as we Parade all Through the Night”. Monumentaal en typisch voor Van Haver, zegt de curator hedendaagse kunst van het Stedelijk, Martijn van Nieuwenhuyzen. Maar tegelijk is ze „trefzeker, met bravour en met het vermogen om marginale gemeenschappen een onontkoombare menselijkheid te geven.” „Raquel past niet bij de gevestigde orde, daarvoor is ze te eigenzinnig en te tegendraads. Haar onderwerpen vindt ze in de zogenaamde periferie.”

Toch beperkt Van Haver zich niet tot „de gekleurde, gemarginaliseerde mens, als overblijfsel van slavernij, kolonialisme, migrantenstromen en randgroeperingen”, tekent Stephan Sanders in de Groene Amsterdammer uit haar mond op. „Ik zoek het gevaar niet, ik kick niet op armoede of zo. Ik maak ook werk over ”autochtone” Nederlanders, werk waar geen slums in voorkomen. Maar dat is kennelijk toch minder interessant.”

Area boys

Zes zalen heeft het Stedelijk Museum vrijgemaakt voor het werk van Raquel van Haver. De bezoeker mag ervan vinden wat hij wil, hij wordt nauwelijks geïnformeerd over de werken. Dat is jammer. Want juist uitleg bij de voorstellingen laat het werk spreken. ”A shrine of a Deity: L’enyin ise aye Lo Ku” bevat tal van elementen. Maar zonder verklaring is het niet toegangelijk. Het werk neemt je mee naar het Nigeriaanse Lagos, vertelt Van Haver aan schrijver en beeldend kunstenaar Jorik Galama. „In het midden is een vrouw afgebeeld. Het is de leidster van een soort gangstergroep, de area boys, die tegelijk de Robin Hoods van de buurt zijn. Niets ontgaat de vrouw van wat er in de buurt gebeurt. Hebben de boys wat ‘verdiend’, dan krijgt zij een deel; moet er bij iemand iets worden gerepareerd, dan regelt zij dat. Ze heeft een centrale plaats in de buurtgemeenschap. Daarmee vult zij een leegte op. Want in Lagos, de stad die te snel is gegroeid, is er geen toezicht meer. De collage laat het leven zien van de vrouw en de boys. De jongens spelen vaak gokspelletjes, dus je ziet geld, bier en dobbelstenen. Ventilatoren zijn erg belangrijk in het leven, waar diesel en olie duur zijn. De ventilator symboliseert luxe en krijgt bewust een plaats achter de hoofden van de jongens.”

Als een hedendaagse genreschilder legt van Haver herkenbare taferelen vast. Eigentijds, maar wie goed kijkt, ziet juist heel oude composities. De doeken doen soms denken aan ”De aardappeleters” van Vincent van Gogh. En is de tafelschikking van ”We do Not Sleep as we Parade all Trough the Night” niet overgenomen van Leonardo da Vinci’s ”Het Laatste Avondmaal”? Zo plaatst Van Haver, hoe eigentijds haar werk ook is, zich toch in een traditie.

Raquel van Haver

Raquel van Haver is in 1989 geboren in het Colombiaanse Bogotá. Zij werd al jong geadopteerd en groeide, samen met een zusje uit Sri Lanka, op in Hoorn. In 2012 studeerde ze af aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU). Ze maakte veel reizen, op zoek naar gemeenschappen wier verhaal niet vaak wordt verteld in de kunstwereld.

In 2017 is ze bekroond met ”De Scheffer”, een aanmoedigingsprijs voor jong talent van de Vereniging Dordrechts Museum. Vorig jaar won ze –na al meer keren genomineerd te zijn– de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst.

”Spirits of the soil” is tot 7 april te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

www.stedelijk.nl