Op jacht naar goud en geluk

Hard werken was voor veel goudzoekers geen probleem, wel de grote mate van wetteloosheid in het Wilde Westen. beeld Wikimedia

Goud en geluk. Dat dachten de tienduizenden avonturiers te vinden die rond 1850 een lange reis naar het westen van Amerika maakten in de hoop daar de vondst van hun leven te doen. Voor veruit de meesten liep het uit op een grote teleurstelling.

„Een maandenlange reis van de Amerikaanse oostkust naar Californië in het verre westen, of zelfs van het ene continent naar het andere, eindigde in een nachtmerrie van teleurstelling, armoede, beroving, ziekte of zelfs de dood”, schreef de Amerikaanse zeeman en schrijver Frank Maryatt (1826-1855). „Voor een grote groep goudzoekers was zelfs terugkeer naar hun geboorteland, familie en vrouw niet meer mogelijk. Ze hadden geen enkele dollar meer om de reis te betalen. In plaats van schatrijk waren ze straatarm geworden.”

Tot op de dag van vandaag wordt de Amerikaanse staat Californië The Golden State genoemd. Die bijnaam heeft alles te maken met de vondst die aannemer James Wilson Marshall op 24 januari 1848 deed. Tijdens zijn dagelijkse inspectie op de bouwplaats in Coloma, waar hij een zaagmolen moest bouwen voor John Sutter, vond Marshall een klompje goud aan de oever van de American River. Het was niet grote dan een erwt en de mannen die bij de bouw betrokken waren lachten hem uit. Volgens hen ging het om nepgoud.

Marshall was daarvan echter niet overtuigd. Hij reisde te paard naar Fort Sutter, waar een deskundig zakenman een eenvoudige test uitvoerde. De uitslag was verrassend. De aannemer had een klompje goud gevonden van topkwaliteit: minstens 23 karaat.

Aanvankelijk probeerden Marshall en zijn collega’s hun vondst geheim te houden. Ze wilden maximaal resultaat boeken met hun eigen zoekacties naar het edele metaal. Dat lukte echter maar even. Mormonen die ook op de bouwplaats werkten, deelden hun wetenschap met geloofsgenoten elders en dat leidde tot veel onverwachte bezoekers. De eerste goudzoekers waren succesvol, het goud lag inderdaad voor het oprapen. De meesten van die eerste groep werden in korte tijd schatrijk.

Het succes van deze pioniers kon natuurlijk niet geheim blijven. Binnen twee maanden gonsde het in grote delen van Californië van de geruchten dat er bij de American River goud te vinden was.

Vooral het optreden van zakenman Samuel Brannan droeg daar aan bij. Brannan was een vooraanstaand mormoon. Na de goudvondst liet hij een pakhuis met winkel bouwen bij Fort Sutter, de handelspost die het dichtst bij de eerste vindplaats lag. Brannan reisde vervolgens met de veerboot naar San Francisco. Daar aangekomen ging hij de stad in met een flesje goud in zijn linker- en zijn hoed in zijn rechterhand. Al zwaaiend met zijn hoed riep hij luid: „Gold, gold, gold from the American River!” Zijn boodschap veroorzaakte hevige opschudding in het kleine havenstadje dat San Francisco op dat moment nog was. Vrijwel alle inwoners trokken naar de American River om goud te zoeken.

De slimme Brannan kocht daarop direct daarop alle pikhouwelen, schoppen en goudpannen op die hij maar kon vinden, In de volgende twee maanden deed hij goede zaken. Hij verkocht voor 36.000 dollar aan gereedschap – voor dit tijd een fortuin.

Ondernemende goudzoekers namen indianen in dienst om te helpen bij het delven van goud. Zij werden betaald met kralen, kleding en voedsel. Maar ook de gewone arbeiders raakten bevangen met de goudkoorts. Zij lieten hun bazen in de steek en trokken naar de goudvelden.

Richard Mason, de militaire gouverneur van Californië, zag niet alleen al zijn bedienden vertrekken maar werd bovendien geconfronteerd met de desertie van honderden soldaten die hun geluk gingen beproeven. Henry Bee, de commandant van de gevangenis van San Jose, ging zelfs zover dat hij tien indiaanse gevangenen meenam naar de goudvelden om daar voor hem te delven.

Geruchten dat er in California goud te vinden was, verspreidden zich in de loop van 1848 over heel Amerika. Op 19 augustus 1848 publiceerde The New York Herald als eerste landelijke krant over de vondst van goud aan de westkust. Het gevolg was dat de goudkoorts oversloeg naar andere staten van de VS.

Er kwam een massale trek naar het Westen op gang. Veel gelukszoekers organiseerden zich in groepen om gezamenlijk de maandenlange tocht naar Californië te ondernemen. De eersten arriveerden in het voorjaar van 1849. In de loop van het jaar volgden er 50.000 à 60.000 Amerikanen. Zij werden forty-niners genoemd, een verwijzing naar het jaar van aankomst.

De ontdekking van rijke goudvelden werd wereldnieuws op 5 december 1848, toen president James Polk in een brief aan het Congres de vondst van het goud officieel bevestigde. Kranten in vrijwel alle landen pikten dit nieuws op, waardoor de goudkoorts zich over de hele wereld verspreidde. Zo’n 30.000 buitenlanders trokken in 1849 naar de Californische goudvelden.

Wie na een maandenlange reis bij de goudvelden aankwam, ontdekte al snel dat het bestaan daar niet gemakkelijk was. In de eerste plaats was het een klus om een eigen zoekplaats te vinden. Dat kostte tijd, want er waren al duizenden mensen die hun territorium hadden afgebakend. In de tweede plaats bleek het gerucht dat het goud voor het oprapen lag, gewoon niet (meer) waar te zijn. Alleen de eerste groep had dat even meegemaakt. Maar die oogst was al lang binnengehaald. Om een paar gram goud te vinden moest je hard werken en een beetje geluk hebben.

Voor goudwinning waren er verschillende methoden. Eén manier was panning (afgeleid van goldpan). De delver mengde in een goudpan water met grond uit de rivierbedding, draaide de pan vervolgens behoedzaam rond en waste de lichtere materialen weg zodat het goud achterbleef. Deze methode was echter weinig effectief en leverde zeker in de latere periode van de goudkoorts weinig op.

Later ging men aan de slag met de goudzeef, de schop en de pikhouweel. Maar ook die methode leverde doorgaans weinig op en vergde veel van het lichaam. Desondanks deden de goudzoekers hun werk met overgave en volharding. Want stel je voor dat je een goudklomp vond.

Hard werken vonden veel goudzoekers niet erg. Een groter probleem vonden ze de wetteloosheid die er in het goudland heerste. Officieel was de grond waarin naar goud werd gezocht gemeenschappelijk gebied zonder eigendomsrechten. Er was geen wetboek, geen politie en geen gevangenissen. Voor de allereerste groepen goudzoekers was dat geen probleem. Zij volgden de regel: het is leven en laten leven. Zolang er voldoende goud was, waren er ook geen problemen.

Toen er in 1849 grote groepen boeren en landarbeiders uit de noordoostelijke staten en het Middenwesten kwamen, groeide de behoefte om dingen te regelen. Deze nieuwe gelukszoekers hadden namelijk grote kosten gemaakt en wilden meer zekerheid.

Na aanvankelijk verzet raakte het gewoonterecht ingeburgerd dat een goudzoeker een claim kon leggen op een afgebakend stuk grond. Het claimrecht was aanvankelijk primitief. Als iemand een gat groef en er een schop, houweel of koevoet in liet liggen, was dat een teken dat het mijngat niet verlaten was en dat niemand het recht had het te betreden. Zo’n claim bleef maanden geldig. Later werd het claimrecht uitgewerkt tijdens vergaderingen waarin goudzoekers die in hetzelfde kamp werkten afspraken maakten, de zogenoemde miners’ meetings.

Leek het invoeren van claimrechten een oplossing om de toenemende wetteloosheid te beteugelen, na verloop van tijd werden juist de claimrechten oorzaak van toenemende criminaliteit. De goudkoorts lokte immers ook ongure elementen naar Californië. Oplichters, overvallers, professionele gokkers en anderen wilden profiteren van de rijkdom. Na 1851, toen het goud moeilijker te vinden was, nam de misdaad toe. De zogenoemde claim jump, het bezetten van de claim van iemand anders, kwam veel voor. Een andere malafide praktijk was dat oplichters een stuk grond voor veel geld probeerden te verkopen door er eerst een beetje goud over uit te strooien, het zogenaamde salting. Als de koper eenmaal de prijs had betaald en goud ging zoeken, kwam hij erachter dat er geen gram te vinden was.

Tijdens de eerste jaren van de goudkoorts was er geen enkele overheidsbemoeienis. De mensen namen het recht in eigen hand. Kleine misdaden werden gestraft met zweepslagen en op ernstiger misdaden, zoals overval en moord, stond de strop. Lynchpartijen kwamen vaak voor, als de volksmenigte uitzinnig raakte en iemand zonder proces ophing.

In de eerste helft van de jaren vijftig droogde de grote stroom goud- en gelukzoekers op. De goudwinning werd overgenomen door ondernemingen die voldoende kapitaal hadden om mijnbouwmachines te financieren.

Voor veruit de grootste groep restte niets anders dan even arm of nog armer dan ze waren naar thuis terug te keren – als ze ten minste genoeg geld voor hadden. Het goudland had hun alleen teleurstelling gebracht.

Voor Californië zelf lag dat anders. De toestroom van goudzoekers had plaatsen zoals San Francisco en Los Angeles een enorme impuls gegeven. Het inwonertal van San Francisco steeg tussen 1848 en 1870 van ongeveer 1000 tot 150.000. Plaatsen als Stockton en Sacramento ontwikkelden zich tot belangrijke verkeers- en handelsknooppunten.

De goldrush stimuleerde verder de economie van zowel Californië als de rest van de Verenigde Staten. Ook de internationale handel kreeg een impuls. Sommige gouddelvers stuurden een deel van het goud dat ze gewonnen hadden naar hun familie. Het meeste goud gebruikten ze echter om er levensbehoeften en gereedschappen van te kopen. De kooplieden op hun beurt betaalden hun leveranciers met het goud dat ze ontvangen hadden. Van het goud dat ze overhielden, stuurden velen een deel naar hun thuisfront. Zo verdween veel goud naar andere staten van Amerika en naar andere landen. Later werd het ook mogelijk om goud in te wisselen voor waardepapieren, die alleen lokaal geldig waren.

Omdat er ineens veel extra goud in omloop kwam, stegen de prijzen wereldwijd, namen de investeringen toe en groeide de werkgelegenheid. De inflatie was vooral sterk in Californië. Meel dat aangevoerd werd vanaf de oostkust van de Verenigde Staten en daar 5 dollar per barrel (115,6 liter) kostte, bracht in Californië 50 dollar per barrel op. De prijs van ruw hout steeg van 17 dollar per kubieke meter naar 425 dollar. Voor kleine bouwkavels, die eerst enkele tientallen dollars gekost hadden, moesten binnen enkele maanden duizenden dollars betaald worden. De vondst van het goud had de economie op haar kop gezet.

serie Wilde Westen

De geschiedenis van westelijk Noord-Amerika, deel 3.

2019-09-11-katWO6-cowboykudde11-6-FC_webDe meeste cowboys hadden iets op hun kerfstok

Het harde bestaan van een pionier