Oorlog tussen Duitsland en Frankrijk opmaat naar Eerste Wereldoorlog

Proclamatie van Wilhelm I als Duitse keizer in de Spiegelzaal van Versailles op 18 januari 1871. Op het bordes brengt Frederik I van Baden de eerste toost uit op Wilhelm. Naast hem staat kroonprins Frederik; in het midden (in het wit) Otto von Bismarck. Schilderij van Anton von Werner. beeld Wikipedia
4

Op 19 juli 1870 verklaarde Frankrijk aan Pruisen de oorlog. Pruisen, de Duitse staat die in 1701 een koninkrijk was geworden en op 25 februari 1947 wegens zijn eeuwenlange militarisme werd opgeheven.

De Pruisische staat met zijn grillige vormen was in zijn bloeitijd ruim acht keer zo groot als Nederland en de grootste van alle Duitse landen. Maar waarom die oorlogsverklaring? Daar ging een lange geschiedenis aan vooraf waarin enkele personen een overheersende rol speelden.

Nog in de 19e eeuw was het politieke bedrijf doorgaans in de handen van enkelingen, die namens hun land alle of bijna alle kaarten in handen hadden. In dit geval waren het de Franse keizer Napoleon III en vooral de Pruisische premier Otto von Bismarck. Napoleon III, zoon van ‘onze’ koning Lodewijk Napoleon, was in 1848 president van Frankrijk geworden en in december 1852, „bij de gratie Gods en de wil van het volk, erfelijk keizer der Fransen.” In die tijd had Frankrijk in Europa een grote macht. En het liet zich daarop voorstaan, uiterst gevoelig als het was (en nog is) voor de eer van Frankrijk.

Napoleons grote tegenspeler was Otto von Bismarck, een landjonker uit Brandenburg die na een carrière in de diplomatie in 1862 minister-president van Pruisen was geworden. Deze Otto was zijn koning Wilhelm I keer op keer de baas. Hij werd gedreven door één grote passie: eenheid van de Duitse landen onder leiding van Pruisen. Dat hield in: grootheid van Pruisen, grootheid in oppervlakte en in macht.

Bij zijn benoeming kondigde hij al aan dat de grote vragen van zijn tijd niet door overleg en meerderheidsbesluiten, maar slechts door bloed en ijzer konden worden opgelost. Deze staatsman kan men grote bekwaamheid en charme niet ontzeggen, noch brutaliteit en boosaardigheid. De wijze waarop hij politiek bedreef is wel een demonisch spel genoemd.

Duitse Bond

Na de val van Napoleon I en het congres van Wenen (1815) waren de 35 Duitse landen en 4 steden verenigd in de Duitse Bond. Daarvan maakte ook Oostenrijk deel uit. Deze bond had iets van een vervanging van het eeuwenoude Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, waarin de Habsburgers, de heersers van Oostenrijk, enkele honderden jaren lang de eerste viool hadden gespeeld. Maar onder druk van Napoleon I was dit rijk in 1806 opgeheven. Begrijpelijk dus dat in die nieuwe opzet, de Duitse Bond, ook Oostenrijk een plaats innam.

Aan het hoofd van de Duitse Bond stond een parlement dat in Frankfurt gevestigd was en vergaderde. De gedelegeerde namens Oostenrijk was de permanente voorzitter van de bond. De bond bezat niet veel macht, want die bleef aan de vorsten van de 35 staten.

Von Bismarck, die droomde van een machtig Pruisen dat de leiding zou hebben van een verenigd Duitsland, zag Oostenrijk als de grote blokkade van de realisering van zijn droom. Nadat die twee (Pruisen en Oostenrijk) de hertogdommen Sleeswijk en Holstein door een kleine oorlog aan de invloed van Denemarken hadden weten te onttrekken (in 1864), tergde Bismarck Oostenrijk zo dat het in 1866 de oorlog aan Pruisen verklaarde. Pruisen won enkele veldslagen, onder andere de beslissende bij Königgrätz in Bohemen, onder leiding van generaal Helmuth von Moltke.

Pruisen trad uit de Duitse Bond, die nu ophield te bestaan, en annexeerde het koninkrijk Hannover en het keurvorstendom Hessen-Kassel, die aan de zijde van Oostenrijk hadden gestreden. Dit betekende een aanzienlijke vergroting van de omvang van Pruisen.

Maar macht wil altijd meer. Er werd een nieuwe bond opgericht: de Noord-Duitse Bond. Daarvan was Pruisen nummer één, zoals Bismarck het had gewenst. Maar echte Duitse eenheid, was Bismarcks overtuiging, zou pas ontstaan door een aanval van buiten het land.

Apocalyptisch

Over deze gang van zaken, waarbij recht het tegen brute macht moest afleggen, was in Nederland mr. G. Groen van Prinsterer erg bezorgd. Hij had vrienden in Berlijn, die meer en meer onder invloed van Bismarck kwamen. Dat was in zijn ogen een gevaarlijke ontwikkeling. Ter waarschuwing schreef hij twee uitgebreide brieven, brochures, waarin hij de gang van zaken in apocalyptisch licht beschouwde. Hij wees erop dat Bismarck en dus Pruisen meenden dat het doel de middelen heiligt.

Van wie zou de overtuiging van de Haagse jurist en Evangeliebelijder de ogen hebben geopend? In ieder geval niet die van Bismarck. Hij had Oostenrijk van Pruisen afgeschud, maar er was nog een andere macht die hij als een geducht gevaar beschouwde. Dat was Frankrijk.

Frankrijk was militair actief in Italië, had overwogen in te grijpen in de oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk en onderhield vele relaties met Europese staten. Frankrijk van zijn kant was beducht voor een groot en sterk Pruisen.

Het leger van Pruisen was de laatste jaren goed op orde, goed getraind, maar daarmee Frankrijk aanvallen? Dat toch liever niet.

Zonderlinge gelegenheid

Toen deed zich een onverwachte gelegenheid voor. Na 150 jaar moeten we wel zeggen: een zonderlinge gelegenheid.

De Spaanse troon was vacant geworden doordat koningin Isabella II in 1868 ten gevolge van een revolutie was afgezet en het land was ontvlucht. Maar men wilde wel een nieuwe koning en liet het oog vallen op prins Leopold von Hohenzollern-Sigmaringen. Hij behoorde tot de rooms-katholieke tak van dit vorstenhuis, waartoe ook de protestantse koning Wilhelm van Pruisen behoorde. Deze ontwikkeling zag men in Parijs heel bezorgd aan.

Pruisen was een buurland geworden, een dreigende macht en zou nu Frankrijk worden ingesloten door twee staten die door een Hohenzollern werden geregeerd? Nee, dat moest Frankrijk zien te voorkomen.

De Franse ambassadeur aan het hof in Berlijn, Vincent graaf Benedetti, kreeg de opdracht met koning Wilhelm daarover een gesprek te hebben. De graaf begaf zich naar Bad Ems, waar de koning verbleef, en sprak koning Wilhelm over dit onderwerp aan. Het Franse verzoek hield in of koning Wilhelm prins Leopold wilde verbieden de kroon van Spanje aan te nemen. Dit weigerde koning Wilhelm. Zijn verre verwant bedankte wel voor de benoeming tot koning van Spanje, maar dat was de Franse regering en Napoleon III niet genoeg.

Ambassadeur Benedetti kreeg opdracht koning Wilhelm nogmaals te benaderen met het verzoek zijn verre neef te verbieden ooit op diens weigering om koning van Spanje te worden terug te komen. Wilhelm weigerde op deze vraag in te gaan en verklaarde de onderhandelingen voor geëindigd.

Op 13 juli werd per telegram aan Bismarck bericht gedaan over de ontmoetingen die de koning met de Franse ambassadeur had gehad. Bismarck publiceerde dit telegram (de ”Emser Depesche”), maar verkortte en verdraaide dit verslag van de onderhandelingen die waren gevoerd. De Franse Nationale Vergadering voelde zich hierdoor diep beledigd en verklaarde, hoewel Napoleon III aarzelde, op 19 juli aan Pruisen de oorlog.

Pruisen was daarop goed voorbereid, maar Frankrijk niet, dit bleef militair ver achter bij Pruisen. Het werd voor Pruisen een zegetocht: de Franse legers werden verslagen, Metz en Parijs belegerd en ingenomen. Wat Bismarck zo vurig had gewenst gebeurde: ook de Zuid-Duitse staten (Beieren en Württemberg) sloten zich bij de Noord-Duitse staten aan.

Het werd een Duitse oorlog tegen Frankrijk, met als ‘hoogtepunt’ dat de koning van Pruisen op 19 januari 1871 nota bene in de Spiegelzaal van het paleis van Versailles tot keizer van Duitsland werd uitgeroepen. Dat geschiedde onder luid gejuich.

Eén juichte er niet, dat was de koning van Pruisen. Aan de vooravond van het plechtig gebeuren verklaarde Wilhelm I: „Morgen is het de ongelukkigste dag van mij leven. Dan dragen wij het Pruisische koningschap ten grave.” Heeft hij meer onheil vermoed? Deze oorlog legde de basis voor een volgende: de Eerste Wereldoorlog.