Nunspeet was geliefde plek voor menig kunstschilder

De Thuishaven, Nunspeet. Woning en atelier van de schilder Jos Lussenburg. beeld Noord-Veluws Museum
2

Schilderskolonies spreken tot de verbeelding. Wie zou ooit van Rijsoord hebben gehoord, als zich daar in de negentiende eeuw niet een clubje kunstenaars had gevestigd? Of het Franse Barbizon, het Drentse Vries? Daar, waar de natuur schoon was, het licht verrassend en de bevolking authentiek, klonterden de schilders samen. Juist in de tijd dat de uitvinding van de verftube het mogelijk maakte ”en plein air” te schilderen. Gewoon je ezel uitklappen op een schilderachtig punt en aan het werk in je ‘buitenatelier’.

En ’s avonds –onder het genot van het dorpsdestillaat– bomen en filosoferen over de ware kunst en vooral over de nieuwe uitdagingen in de kunst.

Zo zette ook het Veluwse Nunspeet zich op de kaart als een geliefd plekje voor menig schilder. En het Noord-Veluws Museum probeert al vijf jaar de herinnering daaraan levend te houden en daarmee zichzelf staande. Reden om een mooi boek uit te geven, grotendeels bestaande uit werk uit eigen collectie. Want het relatief kleine museum herbergt een grootse schat aan schilderijen die in of rond Nunspeet zijn gemaakt. Door schilders die nu tot de top van de Haagse School worden gerekend, of tot de beste kunstenaars van de Noordwest-Veluwe.

„Was het niet dat ik met Voerman afgesproken had een schilderij met beesten te maken, dan was ik allang hiervandaan en zat [ik] in Nunspeet”, schreef Willem Bastiaan Tholen in mei 1885 aan zijn collega Willem Witsen. Nunspeet werkte rond 1900 als een magneet op kunstenaars; „de karakteristieke huisjes aan de Zoom met hun eenvoudige bewoners, huiselijke tafereeltjes, bossen in wisselende seizoenen, heidevelden met schaapskudden, zandverstuivingen, boerenerven, lieflijke buurstadjes met kleine havens aan de Zuiderzee, zoals Elburg en Harderwijk.” Het is het beeld en het zijn de onderwerpen die evengoed van toepassing waren op Renkum en Oosterbeek, De Steeg, Laren en Blaricum, Rijsoord en Bergen. Interessant blijft de vraag waarom kunstenaars voor juist bepaalde kolonies kozen en of daarmee een onderscheid valt te maken tussen de verschillende kolonies. Dat vraagt om breder onderzoek. En wat deed kunstenaars van de ene naar de andere kolonie trekken?

Overigens leerden ze ook veel van elkaar. Jaap Hiddink (1910-2000) vertrouwde mij in 1985 toe dat hij –terwijl zijn vrouw op de drogisterij paste– door de bossen rondom Nunspeet dwaalde. Liefst vergezeld door zijn schildersvrienden Arthur Briët, Jos Lussenburg of Ben Vieggers. Met name van Vieggers stak hij veel op.

Het Nunspeets boek behandelt de schilders in min of meer chronologische volgorde. Het begint met Sientje Mesdag-van Houten (1834-1909), die overigens behalve in Scheveningen en Nunspeet ook in het Drentse Vries te vinden was. Het boek eindigt bij Gaby Bovenlander (1931).

Boekgegevens

Nunspeet schildersdorp, Margot Jongedijk en Lies van de Beek; uitg. Wbooks; 220 blz.; € 22,95