Niet gevochten tegen eigen bond- en landgenoten

75 jaar vrijheid
Duitse soldaten tijdens de gevechten die een deel van de Arnhemse binnenstad verwoestten. Een Nederlandse Landstormer dreigde tegen wil en dank te worden ingezet in de strijd. Aan de verkeerde kant. Maar dat werd verhinderd. beeld Arnhems Oorlogsmuseum

Hij diende in het Duitse leger én hij behoorde tot de gereformeerde gezindte. Bij de Slag om Arnhem vreesde hij tegen eigen bond- en landgenoten te moeten vechten. Dat dit werd verhinderd, heeft hij altijd als een wonder beschouwd.

Een naam wil zijn zoon niet gepubliceerd zien. Het verhaal zelf verdient het volgens hem doorverteld te worden. Hij schreef het op onder de titel ”Als mij bange was...” En dat was het; zeer bang.

Zijn vader –hij overleed geruime tijd geleden– sprak er nooit over. De zoon moest zelf op onderzoek uit om het verhaal te reconstrueren.

De familie is Zeeuws; geen wonder dat de zoon schrijft over de „Hinkelse heide.” Het was een van de geallieerde landingsterreinen tijdens operatie Market Garden.

Per fiets

De zoon schrijft verder: „Terwijl het geallieerde leger op weg van Eindhoven naar Nijmegen vruchteloos alle moeite deed om vooruit te komen naar het noorden, en terwijl de soldaten van het luchtlandingsleger vochten als leeuwen om de Arnhemse Rijnbrug in handen te krijgen, snelde op 20 september 1944 een leger van Landstorm-SS-soldaten succesvol per fiets naar het zuiden. Zij hadden geen tegenstand. Zij hadden geen oponthoud. Mogelijk eens een enkele lekke band.

Ze kwamen uit Hoogeveen, waar ze in opleiding waren om als weerbare nazi-soldaten toegevoegd te worden aan het strijdtoneel in Europa. Het waren… Nederlanders. Jonge jongens nog, twintigers veelal. Nederlanders, maar geen vaderlanders meer. Ze hadden een keus gemaakt om met de bezetter mee te doen.”

Waren ze eenmaal in Duitse dienst, dan was ontsnappen moeilijk, ook al waren hen de ogen opengegaan en hadden ze spijt als haren op hun hoofd. „Ze hadden beter kunnen weten, ze hadden beter moeten weten. En nu?” Nu waren ze op weg naar het front bij Arnhem.

Eldert van Gelder –het is dus een pseudoniem– had begin 1944 vrijwillig dienst genomen bij de Landstorm, om maar niet tewerkgesteld te worden in Duitsland. Van de NSB moest hij niets hebben. Maar thuis was het armoe troef, zijn vader kon geen werk vinden, grootvader moest ploeteren om het hoofd boven water houden.

NSB-gezind

Toen kwam de oproep voor Duitsland. Onderduiken? Er was angst in zijn hart. Familieleden die meer NSB-gezind waren, kwamen met een oplossing: Neem een jaar vrijwillig dienst bij de Landstorm en je bent van alles af.

De naam klonk vertrouwd: voor de oorlog was er ook een Landstorm geweest, al vanaf 1813. In 1943 was Landwacht Nederland opgericht om het Nederlandse grondgebied te verdedigen. Om verwarring met de landwachters, die politietaken hadden, te voorkomen, was de naam al snel veranderd in Landstorm Nederland. Vooral NSB’ers meldden zich aan, maar aanvankelijk ook anderen. Zoals Van Gelder.

Deserteurs

En nu was hij onderweg naar Arnhem. Om te vechten tegen de bevrijders. Tegen eigen landgenoten wellicht. Het leek hem onmogelijk.

Sommigen probeerden in de duisternis te ontsnappen. De Apeldoornse Ortskommandant trok echter de bossen in om de deserteurs op te sporen. Van Gelder fietste nog in de colonne mee. Maar hij kreeg het al benauwder en een gebed rees in hem op.

Plotseling doemde een onverlicht voertuig voor hen op. De voorste fietsers konden het gevaarte nog net ontwijken. Van Gelder knalde erop en werd van zijn fiets geslingerd. Met een beenwond kwam hij in het Apeldoornse ziekenhuis terecht.

Toen hij na een aantal dagen werd ontslagen, was de strijd bij Arnhem en Oosterbeek voorbij. Het maakte hem klein.

Zijn zoon verwoordde het zo: „Hij… zo wonderlijk bewaard om niet mee te hoeven doen aan de gevechten tegen zijn eigen volk. Hij, gespaard boven zoveel anderen die juist kwamen voor de bevrijding van het land. Hij, zo onwaardig. Een oprecht dankgebed welt op in zijn hart. En toch: nóg loopt hij in het zo gehate grijze uniform... Hoe lang nog?”