Moeder en haar bommenbeen

75 jaar vrijheid
Jannie Stam –nu mevrouw Kreijkes– (zittend rechts, in jurk met V-hals) met familieleden bij de boerderij van haar oom. beeld fam. Kreijkes

Haar moeder raakte invalide bij een bombardement, haar zusje werd bedolven maar kwam er met schrammen van af. De bijna 91-jarige J. Kreijkes-Stam staan de gebeurtenissen in het laatste oorlogsjaar scherp op het netvlies. „Omdat ze zo diepingrijpend waren.”

Ze bewoont een kamer in het Rijssense verzorgingshuis Maranatha, maar maakte de Tweede Wereldoorlog mee in buurdorp Holten. Daar zag ze de Duitsers komen, op 10 mei 1940. Niet alleen om te vechten. „Toen ze uit de trein sprongen, zagen ze vaders boomgaard. Een van de soldaten zei tegen hem: „Het is tijd om te snoeien.” Kennelijk had hij daar verstand van. Mijn broertje van twee had een hondje. „Mag ik dat vasthouden?” vroeg een Duitser. Maar mijn broertje schopte hem. Dat had slecht kunnen aflopen.”

Vader Stam had een grote boerderij onder aan de Holterberg. Voordat het buurvolk ons land binnenviel, had hij al gezegd: „Er staat iets te gebeuren.”

Er stond véél te gebeuren. De boerderij stond dicht bij de spoorlijn en daar namen Engelse vliegtuigen vaak Duitse treinen onder vuur. „Dan was ik bang”, zegt Kreijkes.

Koerierster

Bang was ze niet –„dat begrijp ik eigenlijk nog niet”– toen ze koerierster van het verzet was. Daar waren haar twee oudere broers bij betrokken geraakt, die ondergedoken zaten omdat ze niet in Duitsland wilden werken. „Toen de Duitsers kwamen vragen waar ze waren, kon moeder naar waarheid zeggen dat ze dat niet wist.”

Als tienermeisje liep Jannie Stam niet in het oog, en daarom was zij geschikt om boodschappen voor de ondergrondse over te brengen. „Geheimzinnige zinnetjes waarvan de ontvanger wel wist wat ze betekenden.”

Met een ander meisje stond ze op de uitkijk toen de verzetsploeg de spoorlijn tussen Holten en Rijssen opblies. Ze verspreidde ook het illegale blad Trouw. „Als meisje had ik geen lange broek, maar het was toen zo bitter koud dat mijn moeder een moltondeken blauw verfde en er een broek van maakte.”

Joden

Jannies moeder kreeg de vraag een Joodse baby onderdak te bieden. „Met de schuilnaam Jetty Lozenkaart; dat weet ik nog precies. Moeder zei: „Dat wil ik wel, maar het is hier gevaarlijk, zo dicht bij de spoorlijn. Stel je voor dat de baby hier omkomt...” Het kind is toen bij de familie Ten Kate in Nijverdal ondergebracht.”

Bij Jannies oom en tante werden na verraad Joodse onderduikers gevonden. „Die werden opgepakt en ook de onderduikgevers moesten mee. „We wilden weten hoe het afgelopen was, dus mijn nichtje en ik gingen ernaartoe”, zegt Kreijkes. „De boerderij was in brand gestoken. Een portret van koningin Wilhelmina hing in een verschroeide boom. De landwachters die er op wacht stonden, hadden kogels door de foto geschoten.

Mijn tante en de kinderen zijn vrijgelaten, maar m’n oom heeft een tijd in Kamp Amersfoort gezeten. Hij kwam als een gebroken man terug.”

Toen de Duitsers de commandant van de knokploeg niet konden vinden, namen ze zijn vrouw mee. „In de gevangenis werd een baby geboren. Die moest ze na drie maanden afstaan, maar later kreeg ze het kind terug.”

Gasten

Geallieerde vliegtuigen trokken over, op weg om Duitsland te gaan bombarderen. „Die arme vrouwen en kinderen”, zei moeder Stam. Een jonge Duitser zei bedroefd tegen Jannie: „Jij hebt alles nog, maar mijn vader en broers zijn aan het oostfront en hoe het met mijn moeder en zusjes is, weet ik niet. Zie ik ze ooit terug?”

Op een oudejaarsavond reed een auto vol munitie het erf op. „De Duitsers wilden die verbergen en reden hem zo onze schuur in.”

De bezetter bracht op de boerderij ook Russische krijgsgevangenen onder, die op paarden moesten passen. Ook de Rijssense verzetsman Jan Dommerholt kreeg er onderdak, als onderduiker. Hij is later opgepakt en op 8 maart 1945 met 116 andere mannen bij Woeste Hoeve bij Beekbergen gefusilleerd, nog maar 27 jaar oud. „Zijn vrouw was toen in verwachting”, zegt Kreijkes. „Vele jaren later waren we in Zwitserland op vakantie. Ik zei tegen mijn man: „Daar loopt die vrouw, met haar dochter.” Toen ik het kind vertelde dat haar vader bij ons op de boerderij ondergedoken had gezeten, begon ze te huilen: U heeft m’n vader gekend, ik nooit.”

Gebombardeerd

In maart 1945 hadden nog meer ingrijpende gebeurtenissen plaats. In de week waarin in Rijssen woningen aan de Huttenwal werden verwoest door een neerstortende V1, vielen in buurdorp Holten twee bommen op Kreijkes’ ouderlijke boerderij. „Mijn moeder was boter aan het karnen. Onze herdershond hoorde vliegtuigen altijd eerder dan wij en kwam dan naar ons toe rennen. Dat deed hij nu ook. Ik holde met mijn zus naar de schuilplaats. Intussen zag ik de bommen vallen.

Toen we tevoorschijn kwamen, zagen we dat moeder op de grond lag. Vader was naast haar geknield en bond haar been af. Dat was bijna afgerukt; het hing alleen nog aan de spieren. We waren mijn jongste zusje kwijt. Ze werd gevonden onder een dood paard. Het zware beest was op haar gevallen, maar ze kwam er met wat schrammen van af.

Een dokter die bij het verzet zat, hielp moeder. Ook een Duitse arts wilde helpen, maar onze dokter zei: „We hebben met de Duitsers niets te maken.” Dat had hem het leven kunnen kosten. Moeder werd naar het ziekenhuis in Deventer gebracht. Ons huis was verwoest; we hadden niets meer.

Jaren na de oorlog leerde ik mijn man kennen, Henk Kreijkes uit Rijssen. Hij zei: „Ik heb je al eerder gezien.” Tijdens het bombardement was hij bij zijn vriend, een zoon van ds. J. W. Dragt, onze predikant in de gereformeerde kerk. Met de dominee kwamen die twee jongens naar onze boerderij toen de bommen waren gevallen.”

In de kelder

Jannie en haar zus bleven niet op die gevaarlijke plaats, dicht bij de spoorlijn, maar gingen naar een oom en tante. Hun vader bleef op de boerderij.

Kort daarna werd de streek bevrijd. „Vanwege de beschietingen zaten we op een zondagmiddag in een schuilplaats. Er kwamen twee jonge Duitsers voorbij. Ze waren zo moe; ze kónden niet meer. Kom er maar in, zei vader.

Drie nachten hebben we in de kelder doorgebracht. De koeien moesten echter verzorgd worden, ondanks het gevaar. Een van de Duitsers zei tegen mijn oom: „Blijf maar in de kelder; ik zal ze melken.”

Vader heeft in die kelder steeds met ons om bewaring gebeden. Het huis van oom en tante raakte zwaar beschadigd. Op een zonnige maandagmorgen hoorden we lawaai. Mijn broer kwam naar ons toe: „We zijn bevrijd! We zijn bevrijd!” We klommen de kelder uit, maar even later zei ik: „Waar is papa toch?” Hij was in de kelder gebleven en zat te huilen: „Misschien zie ik je moeder nooit terug.” „Stam, u gaat vandaag naar Deventer”, zei de burgemeester even later. Maar Deventer was nog niet bevrijd en de brug ernaartoe was vernield.”

Terug naar huis

Moeder Stam lag een jaar in het ziekenhuis. „Ze hebben haar been kunnen behouden, maar ze heeft nooit meer goed kunnen lopen. „Mijn bommenbeen”, zei ze weleens.

Bij de boerderij was een noodwoning geplaatst. Kreijkes ging in Amsterdam in de huishouding werken bij de pedagoog prof. dr. J. Waterink. „Die kenden we omdat hij op de Holterberg ondergedoken had gezeten. Hij wilde me opleiden, zodat ik in zijn kindertehuis kon werken. Vanwege heimwee ben ik echter teruggegaan naar Holten. Er was tijdens de oorlog zo veel gebeurd; dat kwam er nu uit. Ik wilde naar mijn moeder toe.”

Noord en oost moeizaam naar de vrijheid

De bevrijding van Nederland heeft iets weg van hink-stap-sprong. De geallieerde nederlaag bij de Slag om Arnhem in september 1944 is een geduchte kink in de kabel. Als Ruhr en Rijn in maart 1945 eindelijk bedwongen zijn, is een snelle opmars in Duitsland het hoofddoel. Het noorden van Nederland moet wachten en wordt uiteindelijk vanuit Duitsland veroverd. In 1940 kwamen de bezetters uit het oosten, vijf jaar later de bevrijders.

De operaties die de geallieerde troepen in februari 1945 ontketenen, met klinkende namen als Veritable en Grenade, brengen een groot deel van Limburg –ten oosten van de Maas– de vrijheid. Nu pas is heel het gebied ten zuiden van de grote rivieren aan de Duitsers ontfutseld. In het noorden doen de geallieerden zich gelden door acties vanuit de lucht. Dat loopt voor de bevolking soms slecht af, als burgers worden getroffen door een aanval die op een militair doel is gericht. Een bekend voorbeeld is de Haagse wijk Bezuidenhout, die op 3 maart gedeeltelijk wordt verwoest door bommen die voor Duitse raketinstallaties bestemd zijn. Een jonge, onervaren officier moet op de vliegkaarten het richtpunt aangeven: horizontaal 042, verticaal 064. Hij markeert: horizontaal 064, verticaal 042. Met als gevolg dat de explosieven midden in een woonwijk vallen in plaats van op het Haagse Bos.

Op 13 maart 1945 zet koningin Wilhelmina voet op Nederlandse bodem, voor het eerst sinds ze bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog uitweek naar Engeland. Bij Eede in Zeeuws-Vlaanderen passeert ze een inderhaast aangebrachte meelstreep die de grens markeert.

Inmiddels heeft veldmaarschalk Montgomery op 9 maart een legerorder uitgevaardigd waaruit blijkt dat een actie richting Nederland vooral een strategisch doel dient: het oosten van het land moet worden veroverd om het oprukken naar de Duitse Noordzeekust mogelijk te maken. „Geen operaties tegen westelijk Nederland”, noteert de Brit.

Amerikaanse bevelhebbers zijn er echter van doordrongen geraakt dat langer wachten voor de Nederlandse bevolking dramatisch zal uitpakken. Daarom geven ze opperbevelhebber Eisenhower op 14 maart opdracht een bevrijdingsplan voor West-Nederland te ontwerpen. Het Canadese 1e Leger wordt met deze operatie belast en krijgt steun van het Britse 30e Leger en de Poolse 1e Pantserdivisie.

Negen dagen later begint de bevrijding van het noordelijke deel van het land. Die duurt maanden: van het Gelderse Megchelen op 28 maart tot Schiermonnikoog op 11 juni. Na Megchelen gaat het van plaats tot plaats, soms verrassend vlot, andere keren gehinderd door taaie tegenstand. Niet alleen de militairen, ook de bevolking krijgt het op tal van plaatsen nog zwaar te verduren. Dat kost mensenlevens, en er wordt nog veel verwoest.

Fanatieke Hitlerjugend vertraagt de bevrijding van Zutphen. Uiteindelijk is de vijand op 12 april uit de stad verdreven. Daags tevoren steken de Canadezen de IJssel over. Wat zeven maanden eerder mislukte, gebeurt nu wel: Arnhem wordt bevrijd. De inwoners van de geteisterde stad maken het niet mee; zij zijn in september geëvacueerd.

Voorwaarts gaat het. Een deel van de geallieerden komt tot nabij de Grebbelinie. Hun makkers trekken naar het noorden. Overijssel, Drenthe, Friesland, Groningen. Zonder slag of staat gaat het niet. Intussen wordt er in de nacht van 7 op 8 april een luchtlandingsoperatie uitgevoerd: 700 Franse parachutisten worden gedropt boven Drenthe om de driehoek Meppel-Emmen-Groningen in te nemen.

De geallieerde troepen krijgen op 17 april opdracht geen officiële acties in westelijke richting meer te ondernemen: de bevrijding is aanstaande en er moeten geen onnodige slachtoffers meer vallen. Op 21 april valt het besluit dat de Canadezen toch nog dichter naar de Grebbelinie zullen oprukken, omdat de Duitsers in het tussenliggende niemandsland wreed optreden in dorpen waar de geallieerden even op bezoek zijn geweest en waar de bevolking tot voorbarig feestgedruis is overgegaan. Pas op 28 april komt er een wapenstilstand. Er daalt een vreemde rust over het frontgebied. Het duurt nog een week voordat de Duitsers de wapens definitief neerleggen.

In het noorden is de bevrijding nog even doorgegaan, tot Farmsum in Oost-Groningen in de ochtend van 2 mei als laatste wordt veroverd. Op het vasteland dan; de Waddeneilanden moeten nog wachten. Op Texel komt het tot een treffen tussen opstandige Georgische soldaten en de Duitsers. Pas op 20 mei is de strijd voorbij, als Canadese troepen het Marsdiep oversteken. Schiermonnikoog blijft nog even in handen van SS’ers en SD’ers die er vanuit de stad Groningen naartoe zijn gevlucht.