Met kameraden ten strijde

Eerste Wereldoorlog
In de Hal van Herinnering liggen twee boeken met de namen van de slachtoffers die Birmingham te betreuren had in de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Op 11 november, Remembrance Day, zal hier om 11.00 uur het einde van de Grote Oorlog worden herdacht. beeld Anca Boon
3

Bij uitbraak van de Eerste Wereldoorlog moest het Verenigd Koninkrijk zijn goedgetrainde, maar kleine leger in allerijl uitbreiden. De oprichting van plaatselijke Pals Battalions –Matenbataljons– leek een goede oplossing, maar trof sommige gemeenschappen zwaar.

dMet dat Groot-Brittannië op 4 augustus 1914 de oorlog verklaarde aan Duitsland, mobiliseerde het leger alle beroepsmilitairen en reservisten. Een dag later trad Kitchener (1850-1916) aan als minister van Oorlog. Terwijl velen dachten dat de oorlog voor de Kerst wel over zou zijn, rekende Kitchener op een lange en uitputtende strijd die weleens drie jaar of langer zou kunnen duren.

De kersverse minister ondernam onmiddellijk actie: op de dag van zijn aantreden vroeg hij het parlement direct toestemming om het leger met 500.000 man uit te breiden, in ploegen van 100.000.

Een week later, op 11 augustus, ging die rekruteringscampagne van start. Kitchener deed een oproep in plaatselijke en landelijke kranten om de wapens op te nemen voor land en koning.

Binnen twee weken hadden zich de eerste 100.000 vrijwilligers aangemeld. Het patriottisme vierde hoogtij en velen waren bereid om hun steentje bij te dragen. De rekruten voor ”Kitchener’s Nieuwe Leger” tekenden voor een periode van drie jaar of tot het einde van de oorlog. Het Britse leger zou tweeënhalf jaar lang uitsluitend vrijwilligers rekruteren; pas in maart 1916 werd de dienstplicht ingevoerd.

Schroom

Vooral jonge arbeiders gaven gehoor aan de oproep om zich te melden voor het leger. Dat had alles te maken met de sterke klassenscheiding in Groot-Brittannië. Bij jongemannen die tot de midden- en hogere klasse behoorde, kwam het gewoon niet in hun hoofd op om soldaat te worden, legt auteur Terry Carter uit in zijn boek ”Birmingham Pals”. „De gemiddelde Britse jongeman was ongelofelijk vaderlandslievend en verlangde oprecht zijn land naar beste kunnen te dienen. Dat hij zich niet voor dienst meldde, had niets te maken met gebrek aan patriottisme, of dat hij niet begreep dat er grote offers werden verlangd van zijn land, maar met een volslagen onvermogen om in te zien dat hijzelf van dienst kon zijn in de gelederen van het leger. Het is billijker om de aanvankelijke schroom van veel Engelse jongemannen op te vatten als bescheidenheid dan als een wens om zich te drukken.”

Niet-arbeiders

De vraag was dus: hoe jongemannen uit de middenklasse zover te krijgen dat ze zich ook aanmeldden voor het leger? Veel grote en kleine steden zochten de oplossing in Pals Battalions: bataljons waarvoor specifiek jongemannen werden geworven die geen lichamelijke arbeid verrichtten en bij voorkeur ongetrouwd waren.

Die expliciete vraag resulteerde in aanmeldingen van jongeren uit alle lagen van de bevolking, aldus Carter. „Van kantoormedewerkers en winkelassistenten uit arbeidersgezinnen, tot juristen, registeraccountants en de erfgenamen van de meest vooraanstaande en vermogende Birminghamse families.”

Een interessant detail: Carter kon die sociale status vaak afleiden uit het adres dat de rekruten opgaven. Straatnaam en huisnummer betekende in de stad doorgaans een rijtjeshuis, dus een middenklassegezin. Een adres als 3 achter 23 of 2 binnenplaats 5 duidt op een flat in een appartementencomplex, oftewel arbeidersklasse. De hogere klasse gaf geen huisnummer op maar de naam van het huis, bijvoorbeeld De Eiken.

Medische keuring

Omdat de rekrutering van ‘gewone’ soldaten doorging en die aanmeldingscentra de stroom vrijwilligers al nauwelijks aankonden, werd in Birmingham besloten om de nieuwe vleugel van de Kunstgalerij te gebruiken voor de inschrijving en medische keuring van kandidaten voor de Matenbataljons.

In theorie een goed idee, in de praktijk minder handig: de vleugel was nog in aanbouw. Iedereen moest zich een weg banen tussen steigers, ladders en schraagtafels van bouwlieden, schilders en behangers door.

Tussen 7 september en 3 oktober 2014 wist de stad Birmingham drie infanteriebataljons te vormen van elk 1000 man sterk. Ze zouden ten strijde trekken als het 14e, 15e, 16e bataljon van het Royal Warwickshire Regiment.

Een plaquette rechts van de hoofdingang van het Birmingham Museum en Kunstgalerij herinnert aan de bataljons die in dat gebouw ontstonden. De gedenkplaat werd op 21 november 2015 onthuld – de dag dat de Birmingham Pals Battalions een eeuw eerder de Noordzee overstaken, op weg naar de loopgravenoorlog in Frankrijk en België.

Reserve

De naam Matenbataljon was niet zomaar een loze kreet. De plaatselijke kranten berichtten destijds dat heel wat broers, collega’s en teamgenoten van een sportclub zich gezamenlijk aanmeldden en heel wat Pals kenden elkaar van de middelbare school. Bij de onderverdeling van het bataljon in compagnies werden kameraden bewust in dezelfde compagnie ingedeeld.

Londen vormde zelfs hele bataljons met (oud-)klasgenoten, sportvrienden en collega’s uit de financiële sector. In Engeland, Schotland, Wales en Ierland werden in totaal 142 van zulke plaatselijke bataljons gevormd en 68 reservebataljons.

Vrijwilligers die zich in Birmingham na formatie van de drie stadsbataljons aanmeldden, kwamen in reservecompagnies terecht. Die compagnies werden in juli 1915 samengevoegd tot het 17e Reservebataljon. De reservisten hielden de drie Matenbataljons gedurende eerste helft van 1916 op sterkte, meldt Carter. „Na de slag aan de Somme verloren de Pals Battalions hun unieke karakter. Met dat het aantal slachtoffers toenam, kwamen de versterkingen van allerlei legerafdelingen, uit diverse klassen en verschillende delen van het land. Wel bleef er tot aan de wapenstilstand een kern over van de oorspronkelijke Pals.”

Kerk van het volk

Een gedenksteen in de kerk van St Martin in the Bull Ring is een tweede tastbare herinnering aan de drie Birminghamse bataljons. De naam Pals Battalion zegt de gastvrouw in de kerk niets. Wel heeft ze een vermoeden waarom het monument hier een plaats heeft gekregen en niet in de kathedraal. „St. Martin’s staat bekend als de kerk van het volk. Vroeger was dit een arme wijk en van oudsher kijkt de gemeente om naar de hulpbehoevenden.”

In een eeuw tijd is die taak niet veranderd. Toegegeven, er is inmiddels een luxe winkelcentrum verrezen naast de kerk, er zwerven nog steeds veel dak- en thuislozen door de stad. In de kerk vinden ze duidelijk een luisterend oor, warmte en een kop koffie.

Bij het zoeken naar sporen van de Matenbataljons in Birmingham komt de kathedraal nog een keer ter sprake. Op 11 november, Remembrance Day (Herdenkingsdag), zal een optocht vanaf de kathedraal richting de Hal van Herinnering lopen. Om 11 uur zullen daar de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog worden herdacht met twee minuten stilte: de 12.320 gesneuvelden van Birmingham en de 700.000 gevallenen van heel Groot-Brittannië.

Verdwenen generatie

De Matenbataljons zijn er mede de oorzaak van dat sommige Schotse en Noord-Engelse steden een hele generatie jongemannen verloren, stelt historicus Matt Brosnan van het Imperial War Museum in Londen in een interview met de DailyMail. „Pals Battalions waren een puur Brits fenomeen. We hadden geen groot leger of dienstplicht zoals de Fransen hadden en we hadden snel nieuwe rekruten nodig.” De jongemannen werden vooral geworven in steden en regio’s met veel arbeiders. Noord-Engeland en Schotland brachten naar verhouding veel Matenbataljons op de been, weet Brosnan.

„Helaas werden de nadelen van deze aanpak al snel duidelijk toen de eenheden ten strijde trokken. De grote verliezen die ze leden, hadden een enorme impact op de gemeenschap.” Dat gold met name voor de bataljons uit kleinere steden.

Veel Matenbataljons namen op 1 juli 1914 voor het eerst deel aan de strijd – deze eerste dag van de Slag aan de Somme zou bekend komen te staan als de bloedigste in de Britse geschiedenis met 60.000 gewonden en bijna 20.000 doden. „Een aanzienlijk deel van de slachtoffers behoorde tot de Pals Battalions.”