Lezersreacties: taalblunders en anekdotes

Taal
Sjaak van der Mel, Houten
2

Versprekingen, uitglijders, woorden die de een heel anders opvat dan de ander: wie kent de voorbeelden niet. De redactie vroeg aan lezers om een blunder, ergernis of grappige uitspraak in te sturen.

Vergaloppeerd

Een heer stapt de apotheek binnen. Met een recept in zijn hand komt hij bij mij aan de balie. Geïntimideerd door zijn gedistingeerde uiterlijk en stoïcijnse blik ga ik zo professioneel mogelijk te werk. Op afgemeten toon beantwoordt hij mijn vragen. Het recept is voor een paard. Betahistine en naproxen. Kennelijk kan een paard ook lijden aan duizelingen en een ontsteking. Ik stel een volgende vraag: „Wat is het gewicht van het dier?”

„Pardon?”

„Ja, het is toch voor een paard?”

„Voor een paard?? Het is voor mijn páágtneg!!”

„O, voor uw partner!”

In gestrekte galop spoed ik mij naar een collega voor assistentie in deze penibele situatie. Even later is het recept afgeleverd en ontwaar ik een zuinig glimlachje, wat mijn gedeukte ego goed doet.

Lydia Dingemanse, Aagtekerke

Twee poten

Op een van de scholen waar ik werkte, had ik onder de collega’s twee mannen van wie de een Boon heette en de ander Boom. Als je die namen uitspreekt, is niet altijd duidelijk wie bedoeld wordt. Sommigen hebben het dan over Boon met de n van Nico of Boom met de m van Marie. Je kunt ook zeggen Boon met n tweepoot of Boom met m driepoot.

De receptioniste had een variant daarop en riep via de intercom, zodat tachtig collega’s en ruim duizend leerlingen het konden horen: „Wil meneer Boon met twee poten naar de receptie komen? Er is telefoon voor hem. Meneer Boon, met twee poten naar de receptie alstublieft.”

We hebben gegierd van de lach en dat werd nog erger toen we haar uit moesten leggen wat er te lachen viel.

Wilma Kooiman, Bergambacht

Lopen versus rennen

We lopen naar de spreekkamer. Twee weken geleden heb ik haar in het Sint-Lucas ziekenhuis te Gent geopereerd aan een tumor. Inmiddels zit heur dunne grijze haar weer in de krul en heeft ze haar zondagse jurk aan. Met ruim boven de tachtig woont ze op een boerenhofstee, net buiten het dorp.

„Dokter”, begint haar man, „het is twee weken na de operatie. Wat mag ze nu? Zij denkt dat ze alles weer kan.”

„Nou, lekker koken mag in ieder geval”, begin ik. „Enne”, ik richt me tot de patiënte, „begin zondag eens met lopen van de boerderij naar het dorp.”

Ze schiet overeind. „Ge zijt zot, dokteur, lópen na zo’n operatie. Laat mij beginnen met wandelen.”

Het kwartje viel. Lopen in Vlaanderen is rennen. Ik had het kunnen weten. Immers, Lukas’ vriend Paulus rept in zijn brieven over de strijd van het lopen. Bepaald geen zondagmiddagwandelingetje.

Adriaan Logmans, Hendrik-Ido-Ambacht

Draagmoeder

Enkele weken geleden hadden onze kinderen catechisatie gehad.

Van tevoren drinken ze dan iets en zodoende hadden ze in de kast van het bijgebouw gekeken.

Onze jongste dochter Sophie (12 jaar) vroeg thuis ineens: „Wat is eigenlijk een draagmoeder?”

Wij op ons best uitgelegd wat dit betekende. Vraagt ze: „Maar waarom ligt er dan in de kast in de kerk een briefje met: ”Gereserveerd voor de draagmoeder”?”

We moesten eerst goed nadenken voordat we snapten dat hier de moeder mee bedoeld wordt die het doopkind in de kerk brengt.

Fam. Spuijbroek, Papendrecht

Waf, waf, waf

Als jongetje van zes jaar was ik al dagenlang aan het hoesten. Mijn moeder vertrouwde het niet en had een afspraak met de dokter gemaakt. „Is dat nu al nodig?” vroeg ik nog. „Jawel”, zei mijn moeder. Op een morgen, voor schooltijd, wij naar de dokterspraktijk. „Neem maar even plaats in de wachtkamer”, zei de vriendelijke assistent. Dit was mijn eerste ervaring met wachten tot je aan de beurt bent bij de dokter: dat is saai en ongemakkelijk. „Kom verder”, klonk het ineens en we mochten de spreekkamer van de dokter binnen. Na wat heen-en-weergepraat tussen de dokter en mijn moeder zei hij tegen mij: „Blaf eens.” Ik aarzelde even, daarna klonk een keurig „waf, waf, waf” door de kamer. De dokter schaterde het uit van het lachen: „Ik weet niet wie hij nu tuk heeft, u of mij!”

August Eggebeen, Krabbendijke

Wilde handen

In maart 1947 was mijn eerste schooldag op de Graaf Jan van Nassauschool, uitgaande van de Gereformeerde Gemeenten. De bovenmeester, meneer Molenaar, kende ik vanuit de kerk. Hij was diaken en collecteerde en dan trok hij van die zwarte handschoenen aan. Op maandagmorgen was de weekopening. Dan stonden we allemaal in de lange gang en ook zongen we met elkaar. Nu had deze meester Molenaar, een voorliefde voor Ps. 86 vers 6: ”Leer mij naar Uw wil te handelen”. Nu kende ik wel wat versjes uit de kerk en van thuis, maar veel nog niet. Als de meester dit vers citeerde dan verstond ik: ”Leer mij naar Uw wilde handen” en dan keek ik naar het ernstige gezicht van de bovenmeester en zag in gedachten die zondagse zwarte handen van hem. Als ik het nu nog zing komt dat beeld me zo voor ogen.

Rinus Verheij, Ermelo

Zagen zagen

Het kan wel meer dan vijftig jaar geleden zijn dat in Barneveld bij een warenhuis (Van de Fliert), dat ook ijzerwaren verkocht, het volgende bord in de etalage stond (bij de zagen): ”Wij zagen vele zagen zagen, maar zagen zoals onze zagen zagen, zagen wij nog nooit zagen”.

Job Goor, Lunteren

Kat zonder rib

Een aantal dagen in de week eet onze jongste kleindochter haar lunchboterhammetje bij ons op. Ze wordt dan vaak behoorlijk verwend. En ze weet dat bij oma en opa dan vaak wat extra lekkers op tafel staat. Groot was dan ook haar afgrijzen toen ze meende dat er ”kat zonder rib” op tafel stond. Op normale spreeksnelheid hebben we haar toen uitgelegd dat we het over casselerrib hadden.

Fam. Van Putten, Putten

Rode wijn

Een glaasje rode wijn is voor mij iets wat ik zo nu en dan eens, bij gelegenheid, drink. Zo ook op een verjaardag deze winter. De gastvrouw schonk de rode wijn in wijnglazen van een flink formaat. Ik dacht: ik ga het nooit redden om dat, voor we naar huis gaan, leeg te drinken…

Ik zei daarom: „Doe mij ook maar een rode wijn, maar dan meer dan de helft minder van de helft!”

Ik begreep zelf niet hoe die zin zomaar uit mijn mond rolde, maar volgens mij klopte de woordspeling wel.

Het kostte even wat hoofdbrekens om de zin op de goede manier te ontleden voor de gastvrouw, maar ik kreeg de gewenste hoeveelheid rode wijn!

Marleen Poortvliet

Kronkels

Laatst schreef pabodocent Mackay in deze krant over het belang van het vak Nederlands op school. Je kunt merken dat deze man heel punctioneel te werk gaat. Zijn artikel was echt vaccinerend, ik was er helemaal diffuus van! Sommigen zeggen misschien: Wat hij schrijft, slaat paal noch perk, want in het wereldgebeuren is de Nederlandse taal maar een klein radartje. Toch mistte er wat in het artikel, vond ik. We kunnen namelijk tot onze ontlasting constateren dat er veel mensen zijn die echt van onze taal houden en deze niet als een ondergesneeuwd kindje beschouwen. We moeten niet alle monniken over één kam scheren. Er zijn jongelui die op school met plezier boeken en gedichten en de licenties ervan lezen en deze doorgrondig bestuderen. Ze leren om verbanden te trekken, ze komen erachter dat boeken neertroostig of dubbelstrijdig zijn en dat ze als lezer in de huid van de hoofdpersoon kunnen duiken. Daarom stel ik voor elke leraar Nederlands de laurierskrans om te hangen! Je werkt je vierkant in de rondte en je hoeft je niet onder te laten lopen door sombere gedachten over het verdwijnen van het enthousiasme voor onze taal! Misschien ben je helemaal in de kluts nu je dit hebt gelezen, dus vind je het goed dat we er nu van afhaken?

Met dank aan leerlingen en collega’s die mij in de loop der jaren lieten genieten van vermakelijke taalkronkels.

Derk-Jan Roestenburg

Kortzichtig

Ann (niet haar werkelijke naam) is native speaker op onze school. Ze verzorgt Engelse lessen, helemaal op vrijwillige basis. Ze is erg aardig en spreekt grappig Nederlands, doorspekt met Engelse termen.

Tijdens de koffiepauze spreken we elkaar even. Onderwerp: brillen.

„Sinds kort heb ik een leesbril”, vertel ik haar. „Op afstand zie ik haarscherp, maar dichtbij worden de lettertjes erg wazig. Daar heb je een bepaalde term voor. Kom op, hoe noem je dat ook alweer, het is me even ontschoten.”

„Yes, I know, I know”, reageert ze enthousiast, „jai bent kortzichtig!”

Jan Averink, Randwijk

Excellentie of excelsior

Het speelde zich af rond de Eerste Wereldoorlog.

Mijn overgrootmoeder had een aantal zonen die onder de dienstplicht vielen. Een zoon was net een slagerij begonnen en voor hem was het eigenlijk onmogelijk om de dienstplicht te vervullen. Talloze brieven werden verzonden, maar het verzoek tot ontheffing werd niet ingewilligd.

Mijn overgrootmoeder besloot zelf naar Den Haag te gaan. Ze schreef een verzoek voor een gesprek en mocht op audiëntie komen. Maar hoe spreek je zo’n minister aan? Er werd haar verteld: Met zijne excellentie.

In de trein op weg naar Den Haag oefende ze haar pleidooi. Ze was onder de indruk van het geheel op het Binnenhof. Ze werd ontvangen door de minister en begon haar betoog.

Bij iedere zin begon ze met: O mijne excelsior, en herhaalde dit talloze malen. De minister en zijn staf glimlachten.

Aan het einde van haar pleidooi zei ze: „Mijne excelsior, ze zitten nu wel te lachen maar voor ons is dit een groot probleem.”

De minister antwoordde: „Gaat u maar rustig naar huis. Uw zoon wordt vrijgesteld van de dienstplicht.”

Ze bedankte hem uit de grond van haar hart en zei: „Ik kan wel merken dat u ook vader bent.”

Ze keerde terug in haar dorp, dit had ze toch maar voor elkaar gekregen. Thuis vertelde ze het hele verhaal en kwam er toen pas achter wat het verschil is tussen excellentie en excelsior. Ze had dan ook alleen lagere school gehad.

Agatha Verhoeven-Cornet

Opgemaakte cake

Een van de kinderen was jarig en de hoeveelheid gebak slonk harder dan ik verwacht had. Dus ik zei tegen een van de jongens: „Ga jij even bij de HEMA een opgemaakte cake halen?” Maar hij stond me zo glazig aan te kijken. „Toe, haal gewoon een opgemaakte cake!”

„Maar mam, hoe kan dat nou. Als hij op is kan ik hem toch niet halen?”

C. F. van der Meij-Doorn

Diocletianus

Zondagmiddag. Na de maaltijd lees ik voor uit “De Kerkgeschiedenis” van Joh. Vreugdenhil. Dit keer is het verhaal van keizer Diocletianus aan de beurt. Een keizer die de christenen niet vervolgde, totdat hij de valse leugen van zijn schoonzoon geloofde dat de christenen hem wilden vermoorden. Wat een spannend verhaal… De gezichtjes om me heen geven het weer.

Enige tijd later staan we in de vakantie ergens in een kerk in de Achterhoek. Er hangt een groot schilderij. We kijken ernaar. Naast me staan Melten (3), onze zoon, en een onbekend echtpaar.

Dan zegt het kleine ventje, wijzend op het schilderij: „Is dat Diocletianus?” Het echtpaar kijkt met verbaasde ogen over zijn duidelijk uitgesproken naam van de keizer van het kleine kereltje naar mij… „Tja”, zeg ik, „ik heb er enige tijd geleden over voorgelezen. Hij heeft de naam onthouden.”

En ik ben de naam van deze keizer ook nooit meer vergeten!

Mevr. A. Altena-Blommers, Overberg

Snuffelen

In het ziekenhuis waar ik in opleiding was hadden we een neurochirurg van Tsjechische afkomst. Van hem was bekend dat hij best wel een borrel lustte.

Als derdejaars leerlinge mocht ik mee op zaalronde. Ik was best zenuwachtig. Bij een patiënt met haar been in het gips met de standaarduitsparing aan de teen om eventuele infecties op te kunnen sporen, boog hij zich snuffelend voorover.

Leerlingen waren er om te leren, dus vroeg hij aan mij: „Zuster, waar ruik ik nu naar?” Die borrels zaten in mijn achterhoofd en aarzelend antwoordde ik: „Naar een borreltje?”

De eerste verpleegster had het te kwaad en ik weet niet meer hoe ze de zaak gered heeft. En ik begrijp nog niet hoe ik dat ooit heb durven zeggen. Had hij nou maar gezegd: „Waar ruik ik aan!”

G. M. van Velzen-de Kleuver

Duitse of Nederlandse paarden

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ligt er in een Veluws randdorp op een boerderij een colonne Duitse militairen en een zestal oorlogspaarden, zoals die overal massaal gevorderd werden. De zoon van de boer ontwaart enkele Hollandse paarden onder het zestal. De jongeman wordt kwaad en hij beschuldigt de ongenode gasten meteen van diefstal! De Duitsers zetten de paarden op de linie en ze gelasten Henrik om zijn beschuldiging te bewijzen... Ze dachten dat niemand dit kon waarmaken. Maar de paardenliefhebber pakt het eerste dier bij het halster en zegt zacht: „Terug – terug.” Het paard doet braaf een stapje achteruit. Vervolgens vat de jongen het tweede paard bij de halster en zegt: „Zurück – zurück.” Het paard beweegt niet en is dus evenals het eerste paard óók een Nederlandstalig exemplaar. Daarna volgt de proef met het derde paard. Weer klinkt het zacht: „Terug – terug.” Deze uitgemergelde trouwe klepper blijkt Duitstalig te zijn. Nu volgt een oude schimmel: ook Hollands. Na afloop van de hele proef met de zes paarden blijken er drie van de zes paarden in het konvooi ‘Nederlands’ te zijn...

Wolter van den Brink, Doesburg