Kerkbladen over Spaanse griep: de tuchtroede uitgestrekt

Begrafenis in Frankrijk op 22 februari 1919 van een Amerikaanse marineman die aan de Spaanse griep was overleden. „In menig gezin heerst bittere rouw, omdat de zoon of dochter door de dood is weggenomen”, schreef De Heraut. beeld National Museum Health and Medicine
2

„Geheimzinnig in haar verschijning, heel de wereld doortrekkend, verdervend in haar aantasting, kunnen we haar een der verschrikkelijkste oordelen van de tekenen der tijden noemen”, zei ds. G. Wisse over de Spaanse griep die een eeuw geleden tientallen miljoenen slachtoffers eiste.

De uitspraak van de gereformeerde predikant –later christelijk gereformeerd hoogleraar– is met tal van soortgelijke citaten uit de kerkelijke pers te vergelijken. De pandemie aan het eind van de Eerste Wereldoorlog werd gezien als een sprake Gods.

De Spaanse griep werd in de levensbeschrijving van J. Hamelink (1875-1931), ouderling in een vrije oud gereformeerde gemeente in Rotterdam, genoemd als oorzaak waardoor zijn hart „in hoge mate was aangedaan en zodoende werd hij ongeschikt om langs de weg te gaan met zijn boodschappen. De hartkrampen waren vele.” Hij kocht toen de bakkerszaak in Woerden van A. van Stuijvenberg, die later predikant in de Gereformeerde Gemeenten was.

Ds. J. H. Bogaard van het Hervormd Lokaal in Sliedrecht zag veel begrafenisstoeten aan zijn huis voorbijgaan; hij zag er „soms tien op één dag wegbrengen. Allemaal mensen van 20 tot 30, gezond en fris. Dan zei ik soms: Gij zijt rechtvaardig.” Toen de gemeentesecretaris van Sliedrecht werd begraven, waren bij alle woningen die de stoet passeerde de luiken gesloten.

In Dordrecht genas de christelijke gereformeerde ds. L. H. van der Meiden van de griep. Hij kreeg echter ouderling P. van Driel aan zijn bed: „Een der dochters van Van Driel was aan de griep overleden en werd begraven. En toen de familie van het kerkhof terugkeerde, stierf een andere dochter. Van Driel kwam zelf het mij mededelen; hij moest zich aan ons ledikant vasthouden om niet ineen te zinken. Maar de Heere steunde en sterkte.”

Bij duizenden geteld

Geheimzinnig, noemde ds. G. Wisse de ziekte, en geheimzinnig vond ook ds. J. Wisse de epidemie, zoals blijkt uit zijn artikelen in het christelijke gereformeerde blad De Wekker. Zoals op 19 juli 1918: „De vreemde ziekte, onder meer „Spaanse Griep” genoemd, breidt zich zeer uit. Reeds maakt men melding van vele gevallen welke zich in ons land hebben voorgedaan. In Engeland en op meer plaatsen worden de lijders aan deze ziekte bij duizenden geteld.”

9 augustus: „De vreemde ziekte, Spaanse griep genaamd, breidt onrustbarend uit in geheel ons land. Over het algemeen, zegt men, heeft deze ziekte geen kwaadaardig karakter. Toch zijn er verscheidene mensen aan bezweken.”

De situatie bleek toch ernstiger, want een week later had ds. J. Wisse het over „al heel wat gevallen” met dodelijke afloop. „Tot ons leedwezen ontvingen we bericht van onze Veldprediker Ds. Janssen dat Z.Ew. ook door deze ziekte is aangetast. Maandag was de patiënt erg ziek, en moest zich van alle arbeid onthouden. Trouwens hij was ook tot niets in staat. Moge de Heere onze broeder genadig bewaren, en mag het zijn, spoedig herstellen.

Deze week is ook een jongeling uit onze gemeente in militaire dienst aan deze ziekte bezweken. Een jongeling van 27 jaar oud. Treurige omstandigheden! Binnen enkele dagen gezond en dood. Zo wenkt de dood ieder uur.”

25 oktober: „Er zijn plaatsen waar men de scholen heeft moeten sluiten. Ook van een tweetal ambtsbroeders vernamen wij dat zij door deze ziekte waren aangetast.”

Meer dan verkoudheid

Toen ds. H. Janssen hersteld was, schreef deze op 15 november 1918 in De Wekker over ds. A. G. J. Barmen ’t Loo (46), hervormd predikant in Standdaarbuiten: „Wat leven wij in een ontzettend ernstige tijd! Een ziekte van een zeer willekeurige benaming, maar van zeer geheimzinnige oorsprong en dodelijke uitwerking, woedt aan alle zijden en in alle richtingen en dag aan dag bereiken ons tijdingen die het ons verkondigen dat aan de kring onzer dierbaren en bekenden weer enkele personen ontvallen zijn.

Met een gevoel van beklemming beginnen wij de nieuwe levensdag welke de Heere over ons laat aanlichten, omdat wij niet weten of wij hem in gezondheid met de onzen zullen beëindigen. Meer dan ooit is het dan ook nodig dat wij onszelven en elkander gedurig aan het woord van Jacobus herinneren waarin hij ons de broosheid en de vergankelijkheid van het menselijk leven beschrijft.

Ook ik had niet gedacht dat mijn opvolger in de 3e Divisie zo kort zijn taak aldaar vervullen zou. Ds. Barmen ’t Loo van Standdaarbuiten, veldprediker der 3e Divisie, is niet meer. Zaterdagavond 26 oktober is hij plotseling overleden. Dinsdag tevoren had ik nog een vergadering met hem gehad in Oudenbosch. Wel was hij toen vreselijk verkouden en ik maakte de opmerking dat hij er met dit weer niet uit had moeten gaan, maar met zijn gezond optimisme antwoordde hij toen nog: „Een beetje verkoudheid, dat maakt niet uit.”

Ik had dan ook totaal geen vermoeden dat ik hem aan deze zijde des grafs niet meer zou wederzien. Vooral niet omdat mij des zaterdagsmorgens nog was bericht dat de dominee de Spaanse griep had, maar dat de ziekte normaal verliep. Wel rees toen enige bezorgdheid in mij op, omdat ik wist dat hij niet sterk van longen was, maar een ogenblik later vleide ik mij weer met de gedachte dat hij, die al zoveel stoten had doorstaan, ook deze weer wel te boven komen zou. En daar kreeg ik zondagmiddag op Spijkerboor het bericht: Ds. Barmen ’t Loo is gisteravond overleden. Ik weet niet dat mij ooit zulk een verpletterende tijding geworden is. Ach, ik gevoelde reeds in die ogenblikken, en thans iedere dag nog dieper, hoeveel ik en hoeveel de geestelijke verzorging van onze weermacht in hem verloren heeft.”

Genadiglijk hersteld

Het hervormd-gereformeerde blad De Waarheidsvriend meldde op 22 november het overlijden van ds. K. Olivier in Weesp en ds. J. Dijkshoorn in Krimpen aan de Lek. En op 29 november: „Naar de N. R. Crt. (Nieuwe Rotterdamse Courant, LV) verneemt, is prof. dr. H. Windish, hoogleraar in de uitlegging van het Nieuwe Testament en de geschiedenis der oud-christelijke letterkunde aan de Leidse universiteit, ernstig ziek (Spaanse griep).”

Op 17 januari 1919 meldde het blad een gift „van iemand die met zijn gezin van de Spaanse griep genadiglijk is hersteld.”

Drie, vier kinderen

De Heraut wees er op 3 november 1918 op dat de epidemie een nieuwe beproeving was na al het oorlogsleed. „De gasthuizen kunnen de zieken niet meer bergen; de ziekenverplegers en doktoren weten geen raad om allen te helpen; de scholen worden gesloten en de colleges staan stil. Vooral onder het jonger geslacht schijnt de ziekte een dubbel gevaarlijk karakter te dragen en in menig gezin heerst bittere rouw, omdat de zoon of dochter door de dood is weggenomen. Zelfs zijn er gezinnen waar de dood met één offer niet tevreden was, maar drie, vier kinderen aan het ouderhart heeft ontrukt.”

De overheid nam maatregelen om verspreiding van de besmetting te voorkomen: scholen moesten dicht, catechisaties en zondagsschool konden niet worden gehouden. Daar had De Heraut wel moeite mee: „Een dergelijk verbod, nog wel in de krant bekendgemaakt, schijnt ons een niet geoorloofd ingrijpen op het terrein van de Kerk.”

De bejaarde dr. A. Kuyper wees in dit blad op de ernst van de situatie: „In deze epidemische ziekte voelen wij veel meer de hand Gods, die komt om te tuchtigen, dan in roodvonk of typhus. Niet alsof niet elke krankheid uit de hand Gods ons toekomt, die gezondheid en ziekte uitdeelt naar Hij wil, maar in het gemene, het plotseling optredende en het zo fel om zich heen grijpende van deze epidemische krankheden spreekt toch duidelijker nog voor ons besef dat de tuchtroede Gods over ons is uitgestrekt.”

Studenten gespaard

De christelijke gereformeerde prof. J. Hovius schreef in 1961 in De Wekker over zijn studententijd, toen de Spaanse griep toesloeg. „Deze kwaadaardige griepepidemie maakte in de wereld in enkele maanden anderhalf maal zoveel slachtoffers als de eerste wereldoorlog in vier jaren! Wat stierven er een mensen, ook van ons door voedselgebrek verzwakte volk.

Zou de Schoolgemeenschap gespaard blijven? Een korte tijd was er grote vrees dat we student Zwiep zouden moeten missen, maar de Heere spaarde hem en allen. Dat was de goedheid Gods, niet slechts over ieder persoonlijk, doch ook over onze School en over de kerken. Want het getal studenten was toch al zo klein, en als er dan ook nog hadden moeten sterven, wat was het dan ontzettend moeilijk geworden voor de kerk. (...) We zijn die winter van ’18 op ’19 met al zijn ongemakken doorgekomen en gingen toen in de Paasvacantie verhuizen naar Apeldoorn.”

Daar was het „een land vloeiend van melk en honing, en dat was wat waard. In Den Haag waren alle studenten zo mager als brandhout, doch in Apeldoorn begonnen ze te groeien als kool. Geen wonder, want de oorlog was voorbij, en de distributie kon langzamerhand aflopen. Bovendien, Apeldoorn behoorde tot het platteland, en daar was het veel beter dan in de grote steden.”

Huizen sterven leeg

Een zware slag trof ds. D. J. van de Graaf, hervormd predikant in Raamsdonk, toen zijn vrouw op 4 januari 1920 aan de Spaanse griep overleed. Hij bleef met twee kinderen achter.

Uit Nederlands-Indië kwamen overlijdensberichten van zendelingen. GZB-blad Alle den volcke meldde over het eiland Celebes: „En nu horen we allerlei droevige berichten. Vooral Boentao heeft het hard te verantwoorden. De sterfte is daar bijzonder groot. Gehele huizen sterven leeg. Rijk en arm liggen als geradbraakt terneer. Doch de onderhorigen moeten er maar niet te veel aan toegeven; ze moeten immers rijst stampen, tweemaal per dag, er moeten bamboekokers met water uit verre bronnen gehaald worden, en de karbouwen van de heer, moeten die niet geweid, en de varkens niet verzorgd?

Zo komt het dat de sterfte onder de armen enorm groot is. In de regel zijn ze toch al ondervoed, zelfs jonge mannen hebben nu geen voldoende weerstandsvermogen, doch vooral vrouwen en kinderen sterven weg als ratten. In het toch niet grote landschap Boentao met een goede duizend herendienstplichtigen is het aantal doden nu reeds gestegen tot 600. En nog iedere dag sterven er.”

Over de reactie van de Toradja’s schreef het zendingsblad later: „In de tijd toen de Spaanse griep hier heerste, waren alle huizen aan de vier zijden behangen met scherpe en puntige bladeren en met takjes van bamboe. Op de weg van kampong Bori naar Palopo had men een boog van grote palmtakken over de weg gespannen, met de bedoeling alzo de ziekte de weg naar de kampong te versperren. Noch deze boog noch een groot aantal geofferde kippen waren echter in staat het onheil af te weren.”

De wetenschap beschaamd

”De gesel Gods”, kopte ds. J. J. van der Schuit op 11 juli 1919 in De Wekker. „Wij weten hoevele millioenen aan de Spaanse ziekte zijn heengegaan. En dat in een tijd toen de wetenschap zowat almachtig scheen en toen men spotte met cholera en pokken, want de wetenschap had immers op afdoende wijze deze vijanden bestreden. Wat bleef er nu nog voor ’t glas van de geleerde verborgen? Wat kon nu niet meer in het laboratorium worden onderzocht en gevonden?

Een hele nieuwe wereld was ontsloten in molecul, in atoom, in bacil, en nu zouden die gevreesde ziekten, waarvoor de vorige geslachten zozeer beefden, spoedig tot staan kunnen worden gebracht en het gebiedend „halt” kunnen worden toegeroepen. En zie... daar treft God de volken met Zijn gesel en de hand der wetenschap is verlamd.

Hoevelen in ons land in de kracht van hun leven weggemaaid. De kistenmakers geen handen genoeg om de laatste woning te timmeren, de grafdelvers tot laat in de avond aan ’t werk en de zwarte wagen reed af en aan naar de dodenakker.

Wat al kinderen wezen. Wat al moederharten gebroken, wat al vaders in stomme smart, wat al roodbekreten ogen alom. (...)

De geselroede Gods striemt de mensheid, en in plaats dat de belijdende Christenheid leert waken en bidden lees ik in een Christelijk(?) dagblad waarom een Christenmens ook niet biddend(!) naar een schouwburg zou kunnen henengaan en vindt men in de hoofdstad een vereniging, met de Bijbelse naam Jizreël gesierd, die elke zondagavond(!) lichtbeelden-voorstellingen geeft tegen de entreeprijs van 10 cent. Naderen wij niet al dichter tot de ure die eens de ziener Johannes ons tekende, toen hij een beest zag opkomen, hebbende de gedaante van het Lam, maar het sprak en het deed als de draak?”