Joodse kunstenaars gereduceerd tot niet en nutteloos

Drie kinderen, door Marianne Franken (1884-1945). beeld Joods Historisch Museum, Amsterdam
5

Ze waren allemaal Joods en kunstenaar. En werden in concentratiekampen vermoord. Veel van hun werken werden vernietigd. En met hen stierf ook de kunst die zij nog in petto hadden.

In musea in Nunspeet en Elburg is werk bijeengebracht van Joodse kunstschilders die in de Tweede Wereldoorlog omkwamen in Duitse vernietigingskampen. Het is weliswaar een kleine groep mensen in die onafzienbare rijen die vanwege hun jood-zijn, hun zigeunerafkomst, hun communistische ideeën of hun homofiele geaardheid de deur naar de gaskamers werden verwezen. Hun afschuwelijke levenseinde is er niet minder aangrijpend om. Mensen, soms zeer getalenteerde mensen, gereduceerd tot niet, naamloos en nutteloos.

Kunsthistoricus en rabbijn Edward van Voolen tilt in het boek ”Vermoorde kunst” iets op van de sluier die over deze groep Nederlands-Joodse kunstenaars ligt. Ze zijn allemaal heel verschillend: in geloofsbeleving, in politieke ideologie, in maatschappelijke status. Met slechts één overeenkomst: Joods. Maar wat is dat eigenlijk? „Joods ben je automatisch wanneer je een Joodse moeder hebt. Dat bepaal je dus niet zelf, je bent het gewoon, of je wilt of niet.” Joods-zijn kun je religieus invullen of cultureel, maar ook sociale gerechtigheid kun je een meer of minder Joods accent geven. En zo kun je Joodse mensen in alle lagen, kringen en stromingen van de samenleving terugvinden, in alle mogelijke variaties. Je kunt het Jood zijn „op heel veel verschillende manieren invullen. Of niet. Dat heet dan: je doet er niets aan. Je bent het gewoon, je denkt er niet echt over na. Totdat een ander je daaraan herinnert. En dat was precies wat er gebeurde in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog.”

Onder de slachtoffers van de massamoord op de Joodse medemens bevonden zich „kunstenaars – beeldende kunstenaars, maar ook architecten, vormgevers, dichters, schrijvers, fotografen, theatermakers, filmers, componisten en uitvoerende artiesten.” Vogels van heel verschillende pluimage wat betreft leeftijd, achtergrond, opvattingen en werkend in verschillende kunststijlen. „Het enige dat ze deelden was het feit dat ze Joods geboren waren.”

Tweede gebod

Van Voolen noemt het eigenlijk opvallend dat er Joodse kunstenaars waren en zijn. Het tweede gebod verbiedt immers het maken van afbeeldingen? Het gaat er echter om „dat je er niet voor mag knielen en ze vereren. Al tweeduizend jaar geleden schreven rabbijnen dat zolang je die afbeeldingen niet vereert en er niet voor neerknielt, je wel degelijk kunst mag maken.” Van Voolen verwijst naar mozaïekvloeren en wandschilderingen in de synagogen en de verluchte Joodse handschriften uit de middeleeuwen.

Toch was er nooit een Joodse Rembrandt onder de kunstenaars? „Joden waren tot 1818 officieel uitgesloten uit de gilden en mochten de meeste beroepen niet uitoefenen.” Pas na de opheffing van dit beroepsverbod zien we klinkende namen van Joodse kunstenaars komen bovendrijven: David Bles, Moritz Callisch, de broers Salomon, Elchanon en Maurits Verveer. En weer iets later is er Jozef Israëls, de patriarch van de Haagse School. Of Lion Schulman (1851-1943), leerling van Jan H. B. Koekkoek.

Deze Lion Schulman woont in oorlogstijd in het Joodse rusthuis in de Amsterdamse Sarphatistraat. De nazi’s ontzien hem niet. In 1943 wordt de 91-jarige Schulman op transport gesteld en vermoord in Auschwitz. Zijn zoon David overleeft de oorlog en keert terug uit Westerbork.

Joodse kunststijl

Er bestaat niet een specifiek Joodse kunststijl, zegt Van Voolen. „Er zit bijna zeventig jaar leeftijdsverschil tussen de oudste en de jongste kunstenaar die het leven lieten in een van de vernietigingskampen. Lion Schulman bijvoorbeeld is geboren in 1851 en Jacob Kloot in 1916. Onder deze groep zijn dus allerhande schilderstijlen terug te vinden van het impressionistisch-realistische tot het modernistische en figuratieve”, stelt Margot Jongedijk, die als conservator is verbonden aan het Noord-Veluws Museum in Nunspeet (zie kader). „Sommige kunstenaars hadden hun naam al gevestigd, zoals Martin Monnickendam (1874-1943) en Samuel Jessurun de Mesquita (1868-1944). Anderen waren kortgeleden afgestudeerd en zochten nog een eigen stijl. De schilders deden helemaal mee in de Nederlandse kunstwereld. Onderlinge contacten tussen Joodse schilders kwam wel voor, maar waren geen vanzelfsprekendheid. Mommie Schwarz en Else Berg waren in de verte familie van elkaar. Zij trokken veel met elkaar op en kwamen zelfs tot een huwelijk. En Martin Monnickendam was een gezaghebbend kunstenaar die ook lesgaf, onder anderen aan de Joodse Dinah Kohnstamm en Marianne Franken. Dat waren geen contacten om het jood-zijn, maar om de liefde of om de kunst.”

Wel was er een aantal kunstenaars dat met lede ogen toezag hoe het nazisme steeds meer macht kreeg en de Jodenvervolging toenam. Kunstschilders als Fré Cohen, Salomon Garf en Marinus van Raalte hielpen in de oorlog Joodse vluchtelingen. Ook richtten zij een vereniging op om kunstenaars –die zich vanwege hun jood-zijn niet konden inschrijven bij de Nederlandsche Kultuurkamer– te ondersteunen en aan werk te helpen.

Op de vraag of de nazi’s Joodse kunstenaars juist meer of minder vervolgden, twijfelt Margot Jongedijk even. Ze gelooft niet dat de Duitse bezetter dat onderscheid zo maakte. „Kunst was erg belangrijk in het Duitse rijk. Maar dan wel realistische, figuratieve kunst, waarin het ambacht en de dienstbaarheid aan het Duitse volk centraal stonden. Andere kunstvormen werden al snel afgedaan als ”ontaarde kunst”. Kunstwerken gemaakt door Joden waren in zichzelf al ”entartet”. Anderzijds lieten Duitse officieren en kampbewakers zich graag portretteren door Joodse kunstschilders. Maar die konden daarmee niet hun leven redden.”

Vermoorde kunst. Werk van vermoorde Joodse kunstenaars, Edward van Voolen en Linda Horn; uitg. Van Spijk Art Books, Venlo, 96 blz., € 17,50

Dinah Kohnstamm

Max van Dam (1910-1943) studeert na een tekenopleiding in Amsterdam op de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Zijn portretten en landschappen laten een veelzijdig en begaafd kunstenaar zien, die al vóór de oorlog bekendheid geniet. Van Dam is zich bewust van de Duitse dreiging, evenals Fré Cohen en andere Joodse kunstenaars, die hij in het kunstenaarsdorp Bergen ontmoet. In 1941 duikt hij onder in Blaricum, in 1942 probeert hij met de Zwitserse Alice de Jong-Weil en haar dochter Jacqueline via Vichy-Frankrijk naar Zwitserland te vluchten, maar wordt verraden en naar het Franse doorgangskamp Drancy bij Parijs gestuurd. Op 25 maart 1943 wordt hij gedeporteerd naar Sobibór, waar hij schilderijen voor het casino en portretten van SS’ers moet maken. Vervolgens wordt hij alsnog vermoord, vermoedelijk in september 1943. Zijn ouders en jongste zus Henriëtta zijn in 1942 al in Auschwitz gedood.

Bron: ”Vermoorde kunst”, catalogus bij tentoonstelling

Max van Dam

Dinah Kohnstamm (1869-1942) is telg uit een bekende Joodse familie, oorspronkelijk afkomstig uit Duitsland. De familie is niet religieus, maar ondersteunt wel Joodse liefdadigheidsinstellingen en toont zich maatschappelijk betrokken. Zo zet Dinah zich in voor vrouwenrechten. Begin vorige eeuw is zij in Berlijn leerling van Arthur Lewin-Funcke, zoals ook Paul Citroen, Käthe Kollwitz en Felix Nussbaum dat zijn. Haar werk, dat de invloed van haar Amsterdamse leraar Martin Monnickendam verraadt, is regelmatig te zien op tentoonstellingen in Amsterdam. In 1938 treedt zij toe tot de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband en wordt zij door prof. Geelkerken gedoopt. Hoewel ze als gedoopt christen nog niet op transport hoeft, gaat ze vrijwillig, omdat ze haar zus Betty en hun huisgenoten Fanny van Raap en Dina Benjamin niet alleen wil laten gaan. Dinah wordt, samen met haar huisgenoten, op 24 september 1942 in Auschwitz vermoord.

Bron: ”Vermoorde kunst”, catalogus bij tentoonstelling

Vogels van verschillende pluimage

Kunsthistoricus en rabbijn Edward van Voolen beijvert zich om de herinnering aan de omgebrachte Joodse kunstenaars levend te houden; hun leven, hun dood, hun werk. Juist in deze tijd van de herdenking van doden en van bevrijding verdient deze groep aandacht. Museum Sjoel Elburg zag het helemaal zitten, maar blijkt al snel te weinig ruimte te hebben en doet een beroep op het Noord-Veluws Museum in Nunspeet om mee te doen. Dat komt conservator Margot Jongedijk goed uit. Zij werkt met het oog op 75 jaar bevrijding al aan een kleine tentoonstelling over vier communistische kunstenaars (Henk Henriët, Jo Bezaan, Ward Hellendoorn en Dorus Roovers) die in de omgeving van Putten met elkaar optrekken en van wie er twee in de oorlog omkomen. „Het verzoek van Sjoel Elburg laat zich –hoewel ‘Nunspeet’ normaliter gericht is op schilders van de Veluwe– goed inpassen.” Afgesproken wordt om werk van het Joodse kunstenaarsechtpaar Mommie Schwarz en Else Berg onder te brengen in Elburg. Het Noord-Veluws Museum geeft een groep van 25 andere Joodse kunstenaars een podium.

De tentoonstelling staat klaar, maar de deuren van beide musea blijven dicht zolang corona rondwaart. Inmiddels hebben de bruikleengevers ingestemd met een verlenging van de tentoonstellingen tot 29 november. Wat corona aan de voorkant wegsnoept, kan dus hopelijk aan de achterzijde worden ingehaald.