Jonge tak van bodemonderzoek

Belangstelling voor de motor van een Duitse Junkers Ju88-bommenwerper. beeld Marc Bolsius
6

Romeinse slingerkogels, middeleeuws geschut, vuurwapens uit de slag bij Arnhem, kleine alledaagse objecten uit napoleontische legerkampen. Het Noordbrabants Museum in ’s-Hertogenbosch toont archeologische vondsten die bij oorlogshandelingen of onder oorlogsomstandigheden in de bodem terechtkwamen.

Voor het eerst besteedt een museum in Nederland zo uitgebreid aandacht aan oorlogsarcheologie, zeggen Arjen Bosman en Ad van Pinxteren. Archeoloog Bosman, met zijn bedrijf Military Legacy specialist op het gebied van militair erfgoed van de twintigste eeuw, en publicist Evert van Ginkel stelden de expositie ”Opgegraven strijd. Archeologie van de oorlog” samen. Van Pinxteren is conservator historische collecties van het museum. De bijeengebrachte archeologische vondsten –ruim 700 voorwerpen– geven een beeld van 4000 jaar gewelddadig menselijk handelen, van steentijd tot Koude Oorlog.

Bosman laat een foto zien van archeologiestudenten in 1991, poserend met champagne- en whiskyflessen die Schotse officieren in 1944 achterlieten bij Gennep in Noord-Limburg. De flessen werden samen met resten van uitrusting en munitiecontainers opgegraven bij een onderzoek naar vroegmiddeleeuwse sporen. „Het materiaal uit de Tweede Wereldoorlog was in die tijd amusante bijvangst. Nu zou het in een depot worden bewaard.”

Kentering

Pas geleidelijk aan kregen archeologen interesse in recentere periodes, vertelt Bosman. „Een halve eeuw geleden was hun opleiding gericht op de periode tot en met de middeleeuwen. Zelfs voor de zestiende en de zeventiende eeuw bestond er weinig belangstelling, daarvan is immers ook al veel op papier gesteld. De kentering kwam in de jaren tachtig, toen steden een eigen archeoloog gingen aanstellen. Die moest de geschiedenis van de stad vastleggen en kon vanzelfsprekend niet bij de middeleeuwen ophouden.” Ook de metaaldetector die na 1980 grootschalig in gebruik kwam, droeg aan de verandering bij.

Ten aanzien van de Tweede Wereldoorlog geldt, zo zegt Bosman, dat nu de laatste overlevenden sterven, waardoor de verhalen niet meer rechtstreeks doorverteld worden. „Het gaat ook om de details. De gevechtsverslagen lezen van een generaal op 30 kilometer van het front is toch wat anders dan een schuttersputje ontleden van de soldaat die daadwerkelijk het vuur van de vijand over zich heen kreeg.”

Herkenbaar als wapentuig

Ook oorlogen hebben hun resten en sporen achtergelaten in de bodem. Ze worden met dezelfde methoden blootgelegd en bestudeerd als de stille getuigen van jagers en burgers, boeren en edelen. Die oorlogsvondsten hebben wel een speciaal karakter, stelt Bosman. „Meestal zijn ze niet gedurende een langere periode in de bodem beland, maar in betrekkelijk korte tijd: de paar uur dat het duurde om doden te bergen en te begraven, de dag dat een gevecht woedde of de paar maanden die een beleg van een stad in beslag nam. Wat archeologen aantreffen is vaak goed herkenbaar als wapentuig of als resten van mensen die duidelijk door geweld aan hun einde zijn gekomen. Ook alledaagse voorwerpen kunnen samenhangen met een oorlogstoestand: het kookpotje uit een Spaanse belegeringslinie, de kleipijp van een soldaat in een Frans legerkamp, het horloge uit de schuttersput van een Amerikaanse parachutist, de tandenborstel van de gevangene in een concentratiekamp. De archeologische context geeft zo’n voorwerp zijn betekenis en emotionele lading.”

„Bij speren en bijlen legde de archeologie in het verleden niet snel het verband met oorlog en strijd”, vult Van Pinxteren aan. „Met speren kon je dieren vangen voor je avondeten, met een bijl hakte je een boom om.” De vondst van een groepsgraf bij Wassenaar veranderde in 1987 het beeld van de vredige prehistorische boerensamenleving.

Bosman: „Twaalf skeletten van mannen, vrouwen en kinderen, van wie enkelen zeker en de anderen vrijwel zeker met wapengeweld waren omgebracht, werden ontdekt bij de opgraving van een nederzetting uit de bronstijd, rond 1700 voor Christus. Aangenomen wordt dat de twaalf in een kleine nederzetting woonden en door een naburige groep zijn overvallen en gedood, om welke reden dan ook. Veeroof is op grond van antropologische modellen een plausibele verklaring. Archeologen realiseerden zich dat de prehistorische boer zijn tijd niet alleen doorbracht met vreedzaam vee hoeden, graan oogsten, voor nageslacht zorgen en potten bakken. Geweld werd een factor waar meer op werd gelet.”

Persoonlijke details

De archeologische vondsten betreffen vaak heel persoonlijke details, zegt Bosman. „Een totaal vergeten strijd is een invasie van Engelse en Russische troepen in de kop van Noord-Holland in 1799 om de Fransen van Napoleon uit de Nederlanden te verdrijven. In de expositie tonen we een gevonden miniatuuricoon die een Russische soldaat blijkbaar bij zich had.”

Enkele vitrines verderop ligt een kettinkje met een zilveren klavertjevier met het opschrift ”Kehre wieder” (kom terug). Gevonden bij het lichaam van een Duitse piloot die het neerstorten van zijn Messerschmitt Me109-jager bij Wenum-Wiesel (nabij Apeldoorn) niet overleefde. Na berging van het wrak in 2010 werden de stoffelijke resten bijgezet op de Duitse oorlogsbegraafplaats bij Ysselstein in Limburg. „Aandoenlijk, zo’n voorwerp”, vindt Bosman. „Er konden geen nabestaanden worden getraceerd om het kettinkje aan toe te sturen. Het leed dat de Duitse inval en de daaropvolgende bezetting aan Nederlanders heeft berokkend, maakt het ook na meer dan zeventig jaar lastig om Duitse militairen objectief te beoordelen. Maar het is even moeilijk om niet geraakt te worden door zo’n vondst.”

”Opgegraven strijd. Archeologie van de oorlog” is tot en met 14 mei te zien in Het Noordbrabants Museum, in ’s-Hertogenbosch.

hetnoordbrabantsmuseum.nl

”Ontaarde kunst” uit Berlijnse opgraving

Twee sculpturen die zeven jaar geleden werden aangetroffen bij een opgraving in het centrum van Berlijn zijn bijzondere pronkstukken in de tentoonstelling ”Opgegraven strijd”. De nazi’s hadden ze in de jaren dertig van de vorige eeuw als ”ontaarde kunst” in beslag genomen.

In de ogen van de nazi’s was vrijwel iedere vorm van moderne, en zeker van abstracte beeldende kunst ”ontaard” omdat geen uitdrukking werd gegeven aan wat onder de ”gezonde”, ”arische” bevolking leefde. Modern werk van Joodse kunstenaars werd als volksondermijnend bedrog gezien. In 1937 werden overal in Duitsland moderne werken uit musea gehaald. Een deel werd dat jaar tentoongesteld op de expositie ”Entartete Kunst”, die als doel had het Duitse publiek te overtuigen van de minderwaardigheid van ”niet-volkse” kunstuitingen. Werken van beroemde kunstenaars werden daarna door het regime naar het buitenland verkocht; een klein deel werd teruggegeven, een ander deel werd vernietigd of opgeslagen. Daaronder waren ook de twee beelden die in 2010 werden opgegraven toen archeologen op zoek waren naar sporen van middeleeuws Berlijn. Ze waren opgeborgen in een gebouw aan de Berlijnse Königsstrasse (nu: Rathausstrasse), dat in 1944 bij een bombardement volkomen uitbrandde.

”Die Schwangere” is een (beschadigd) terracottabeeld van Emy Roeder uit 1918. Het portret van de actrice Anni Mewes, de toenmalige vriendin van beeldhouwer Edwin Scharff, werd rond 1920 in brons gegoten. „De Berlijnse beeldhouwwerken illustreren de culturele terreur van het Derde Rijk en de bijzondere betekenis van archeologisch onderzoek naar vondsten uit de Tweede Wereldoorlog”, aldus Het Noordbrabants Museum.