Johannes Hoornbeeck had respect voor zijn bronnen

Het portret dat Frans Hals in 1645 van Johannes Hoornbeeck maakte. beeld Wikimedia
2

Ineke Loots uit Utrecht studeerde op latere leeftijd Latijn. De gepensioneerde orthopedagoog kwam via een boek van geneeskundige en zendeling Justus Heurnius „toevallig” een boek van de 17e-eeuwse theoloog Johannes Hoornbeeck op het spoor. De inhoud ervan sprak haar aan. Zozeer zelfs, dat ze besloot het te vertalen in het Engels. „Zo kunnen zo veel mogelijk mensen het boek lezen.”

Het werd een vertaalproject dat enkele jaren zou gaan duren. Maar het resultaat mag er zijn: een 454 pagina’s tellend boek waarin de missiologie van Johannes Hoornbeeck (1617-1666) is vertaald en geannoteerd in het Engels. Oorspronkelijk werd het werk in 1669 door David Stuart postuum uitgegeven onder de Latijnse titel ”De conversione Indorum et gentilium” – in het Nederlands: ”Over de bekering van Indiërs en heidenen”.

Loots heeft het vertaalwerk niet in haar eentje hoeven doen; toen ze een aantal hoofdstukken had vertaald, kwam ze in contact met dr. Jo Spaans uit Leiden, die Hoornbeeck in die tijd al langer op het oog had. De stad Utrecht –waar Hoornbeeck van 1643 tot 1654 hoogleraar was– verbond hen met elkaar; Loots woont in de domstad, met een prachtig uitzicht op het Wilhelminapark, terwijl Spaans er werkt als universitair hoofddocent op het departement filosofie en religiewetenschap aan de Universiteit Utrecht.

Waar Loots vooral haar kennis van het Latijn inbracht, hielp Spaans met name bij de annotatie, waarin ze een duiding geeft van de teksten die Hoornbeeck geschreven heeft. Samen werkten ze meer dan 800 bladzijden Latijnse tekst door. „Voor minder dan 500 bladzijden kwamen de meeste hoogleraren in de zeventiende eeuw hun bed niet uit”, aldus Spaans. „Het vertalen van de tekst was soms dus best ploegen.”

„Maar het was vooral erg leuk om te doen”, voegt Loots daar direct aan toe. „Al schrijvend werden we steeds enthousiaster over de inhoud van het boek.”

Wat zorgde ervoor dat u zo enthousiast werd bij het vertalen van dit boek?

Loots: „Er zitten veel verschillende kanten aan het werk. Neem nu de geleerdheid van Hoornbeeck; er zijn zo veel dingen waar hij iets over kan vertellen. Hij was goed op de hoogte van andere werken die tijdgenoten schreven. Zo verwees hij in 1662 naar een boek dat in 1655 was uitgegeven. Bovendien hield hij zijn bronnen ook nauwkeurig bij.”

Spaans: „Er waren in die tijd nog geen onlineboekhandels, hè. Dus dat maakt die kennis bijzonder. Hoornbeeck publiceerde een door en door geleerd boek. Op een heel academische wijze schreef hij een mooie tekst. Toen we daar doorheen ploegden, dachten we echt: Wow, dit is leuk.”

Hoe verhoudt die academische houding van Hoornbeeck zich tot zijn gereformeerde levensovertuiging?

Spaans: „Hoornbeeck was door en door gereformeerd. Dat blijkt ook volop in wat hij schrijft. Hij verdiepte zich ook in de oude kerkvaders en theologen die er vóór hem waren geweest.

Als academicus wilde hij tegelijkertijd ontdekken hoe de mensen dachten in de wereld om hem heen. En hij gaf een overzicht van alle kennis en kunde die je nodig hebt om te kunnen omgaan met heidenen.”

Loots: „Hij kende zijn bronnen. Zo verwijst hij naar de beschrijving van het hindoeïsme door Rogerius en noemt hij ook de naam van de brahmaan, de hindoeïstische priester, die in dat oorspronkelijke verhaal voorkomt. Dat is een teken van respect voor de bronnen die hij had.

Al moet je je er wel van bewust zijn dat Hoornbeeck ook afhankelijk was van die bronnen. Zo las hij brieven van de jezuïeten die de situatie in China en Japan beschreven. Maar of het beeld dat hij daarvan kreeg helemaal recht deed aan de waarheid, valt met de kennis van nu te betwijfelen. Hoornbeeck probeerde er in ieder geval wel over na te denken.”

Hoe gaf hij dat door aan zijn studenten?

Spaans: „Hij maakt die kennis beschikbaar voor zijn studenten, door veel literatuurverwijzingen te geven. Dat was toen al heel belangrijk, maar ik merk tijdens colleges die ik geef voor groepen studenten dat dat nog steeds zo is. Je moet er didactisch gezien voor zorgen dat de studenten verder kunnen.

De kennis is voor Hoornbeeck een venster. Daar kijk je doorheen. Dat is anders dan bij een raam of een muur, waar je tegenaan kijkt. Hoornbeeck duidt die kennis tegenover zijn orthodox-gereformeerde standpunten. Telkens weer zoekt hij aanknopingspunten met culturen in Midden-Amerika, China en Japan. Al noemt hij de Japanners een bruut en barbaars volk.

Opvallend genoeg zwijgt hij over Indonesië en spreekt hij heel weinig over de bevolking in Noord-Amerika. Die laatste groep vond hij overigens een stel wilden.”

„Maar”, vult Loots aan, „hij vond aan de andere kant ook dat de heidenen de christenen voor schut zetten. Want de heidenen leefden vaak heel vroom en zedelijk als ze het Evangelie hadden gehoord, terwijl de leefstijl van de christenen in Nederland in zijn ogen vaak enorm tegenviel.”

Wat voor praktische adviezen kregen zijn studenten zoal?

Spaans: „Hij gaf hun bijvoorbeeld mee dat ze de taal moeten leren. Maar ook dat ze op een gewone manier met de mensen moeten praten en niet tegen hen moeten gaan staan oreren. Dat soort praktische vuistregels gaf hij mee aan de mensen in het veld. Hij had daar ook echt een beeld bij, bijvoorbeeld wat betreft de zending in Pennsylvania. De gereformeerde wereld zou een soort geleerde gemeenschap moeten vormen waarbinnen ook boeken werden verspreid en vertaald.”

Loots: „Dat alles zou democratischer moeten werken dan de rooms-katholieke zending, die vooral hiërarchisch was ingericht. Voor de manier waarop de rooms-katholieken hun werk deden, had Hoornbeeck wel waardering, maar hij was ervan overtuigd dat de gereformeerden het beter zouden doen.”

Werd het werk van Hoornbeeck in de zeventiende eeuw goed gelezen?

Loots: „Mensen hébben het gelezen. Dat staat vast. Er wordt al vrij snel naar verwezen – al deed lang niet iedereen dat in die tijd zo consequent als Hoornbeeck zelf. Het is dus ingewikkeld om na te gaan hoe vaak andere auteurs verwijzen naar dit werk. Maar het is toen in ieder geval niet in zijn geheel vertaald. Later, in 1732, heeft prof. H. Velse wel enige gedeelten uit het boek vertaald in ”Hoornbeeks Sorg en Raad aangaande de Evangelieprediking in Oost- en West-Indien”. Maar Velse heeft grote delen van de tekst van Hoornbeeck laten liggen.”

Spaans: „Een zendelinggenootschap in Kiel, een havenstad in het noorden van het huidige Duitsland, greep ook terug op het werk van Hoornbeeck. Daarmee zou je kunnen zeggen dat hij in zekere zin invloedrijk was. En dat is best indrukwekkend voor iemand die nog geen vijftig jaar oud is geworden.”

Waarom ging Hoornbeeck zelf geen zending bedrijven in het buitenland?

Spaans: „Dat was ondenkbaar voor een hoogleraar in die tijd. Hoornbeeck had theologie gestudeerd en carrière gemaakt. Als hoogleraar in Utrecht en later in Leiden bekleedde hij zo’n beetje de hoogste functie die hij kon bereiken. Dan ging je niet maandenlang op reis, zonder te weten of je ooit nog levend zou terugkeren. Dat was een avontuur voor jonge mannen, maar niet voor een hoogleraar.”

Loots: „Al was het niet zo dat er alleen maar jonge avonturiers op pad gingen. Iemand als Heurnius ging bijvoorbeeld wel op reis, zelfs helemaal naar Batavia. Hij keerde –verbluffend genoeg– na zijn verblijf ook weer levend terug in zijn vaderland.”

Maar Hoornbeeck leek wel erg honkvast.

Loots: „Ja, hij bekeek de wereld vanuit zijn stoel. Maar hij was zeker niet stijf. Hij maakte echt niet alleen maar donderpreken. Hij was oprecht geïnteresseerd in de wereld om hem heen.”

Wat is anno 2019 de meerwaarde van een Engelse vertaling van dit werk?

Spaans: „Hoornbeeck was een van de grotere sterren aan het theologisch firmament in de Republiek. In Nederland wordt het Latijn heden ten dage al steeds minder gelezen, maar in Amerika is die tendens nog sterker. Daar zijn wel Engelstalige boeken beschikbaar over ‘de’ Reformatie of ‘de’ verlichting, maar de kennis daarvan wordt vaak gekopieerd uit al bestaande boeken. Nieuw onderzoek wordt niet gestimuleerd.

Door dit werk van Hoornbeeck uit te geven, maken we de bron toegankelijk voor een grote groep mensen. Zoiets zou in de toekomst eigenlijk ook een keer met werken van iemand als Gisbertus Voetius moeten gebeuren. Deze mensen verdienen aandacht.”

Johannes Hoornbeeck

Johannes Hoornbeeck wordt geboren op 4 november 1617 in een Vlaamse koopmansfamilie die naar de Republiek is gevlucht. Hij studeert tussen 1633 en 1637 theologie in Leiden en Utrecht. In 1639 wordt hij predikant van de gereformeerde kerk onder het kruis in Mülheim am Rhein, dat heden ten dage deel uitmaakt van de Duitse stad Keulen.

Hoornbeeck promoveert eind 1643 in Utrecht tot doctor in de theologie en volgt in het jaar daarna Meinardus Schotanus op als hoogleraar theologie aan de Universiteit van Utrecht, waar hij in 1643 ook rector magnificus wordt. Hij houdt zich voornamelijk bezig met het Oude Testament.

De Universiteit van Leiden doet in 1653 al een beroep op Hoornbeeck, maar pas een jaar later heeft hij vrijmoedigheid om de benoeming te aanvaarden. Waar hij in Utrecht veelvuldig contact had met zijn studiegenoot Gisbertus Voetius, is het in Leiden vooral Johannes Coccejus met wie hij moet samenwerken. Met laatstgenoemde verschilt Hoornbeeck regelmatig van mening, bijvoorbeeld in de controverses over de filosofie van de Fransman René Descartes.

Hoornbeeck overlijdt op 23 augustus 1666 op 48-jarige leeftijd in Leiden.

„Stevige basis om heiden te bekeren”

Het werk ”De conversione Indorum et gentilium” is een missiologie van Hoornbeeck die in 1669 postuum werd uitgegeven door David Stuart. Het boek –geschreven in het Latijn– telt ruim 800 bladzijden. In 1732 heeft prof. H. Velse gedeelten daarvan in het Nederlands vertaald.

De complete vertaling in het Engels, voorzien van annotaties, is in november 2018 voltooid door Ineke Loots en dr. Jo Spaans. ”On the Conversion of Indians and Heathens” is uitgegeven bij Brill (454 blz.; € 129,-). De presentatie van het boek vindt deze vrijdagmiddag plaats aan de Universiteit Utrecht.

„Hoornbeeck zoekt in dit boek naar een stevige basis waarop gereformeerde predikanten, schoolmeesters en ziekentroosters de heidenen zouden kunnen bekeren”, aldus de organisatoren van de presentatie. „Hij analyseert daartoe de katholieke zendingsinitiatieven van zijn tijd, maar heeft vooral ook oog voor de verschillende culturen en religies van heidenen overzee. Met een beroep op de klassieke literatuur en patristiek en vanuit de uitgangspunten van de natuurlijke theologie en de gereformeerde dogmatiek doet hij een aantal aanbevelingen voor de praktijk.”