In Hof scheurde het IJzeren Gordijn

Val van de muur
2

Toen ontsnappen over de Muur vrijwel onmogelijk werd, vluchtten Oost-Duitsers naar de West-Duitse ambassade in Praag. Toen het daar te vol werd, mochten ze naar het Westen. In de stad Hof weten ze nog goed hoe er ten minste 11.000 Oost-Duitsers arriveerden.

Het zijn niet de jongeren die deze avond naar de Freiheitshalle in Hof gekomen zijn. Vooral mensen die er in oktober 1989 bij waren toen duizenden Oost-Duitsers vanuit Tsjechoslowakije op het Hauptbahnhof aankwamen, komen naar het jubileumprogramma met hoofdrolspelers.

In de ontvangstruimte draait op tv-schermen een diaserie met foto’s van dertig jaar terug. De beelden laten zien hoe de DDR-burgers half uit de ramen hingen om hun vreugde uit te jubelen. Eindelijk waren ze in het Westen – écht vrij.

Het toenmalige hoofd van de sociale dienst van Hof staat geboeid te kijken. „Moet je zien hoe ze in de rij staan om het begroetingsgeld te ontvangen. Ze waren het gewend om een poosje te wachten.”

Heerlijk vindt hij het om de beelden weer te zien. „Er was die nacht niets voorbereid. Maar toch hebben we het voor elkaar gekregen alle nieuwkomers te helpen. Gewoon omdat iedereen meewerkte.”

Het begroetingsgeld was een fooi van de West-Duitse regering. DDR-burgers kregen bij aankomst in het Westen een cadeautje. „Het was 100 D-mark van de regering in Bonn, en nog eens 40 D-mark van Beieren. Eigenlijk was dit bedoeld als extraatje voor de enkele gepensioneerden uit de DDR die af en toe kwamen. Maar in 1989 werd het massaal. In Hof is toen 100 miljoen D-mark aan begroetingsgeld uitgekeerd.”

DDR-burgers kregen een stempeltje in hun paspoort om te voorkomen dat iemand het meermalen ontving. „Een enkeling raakte natuurlijk zogenaamd zijn pas kwijt en kwam opnieuw voor het geld.”

Serie

Markus Rindt was een van de ambassadevluchtelingen. Op het podium in de Freiheitshalle vertelt hij hoe hij Tsjechoslowakije kwam. „Wij kwamen op 3 oktober in Praag, opgewekt door de berich- ten over de eerste serie treinen.”

Hij was nog jong; 21 jaar. „Als kind had ik al plannen om de grens over te steken; dit was eindelijk mijn kans. Mijn vriendin ging mee, want zij kon niet studeren als ze niet bereid was om voor de Stasi te spioneren onder medestudenten.”

Het ambassadeterrein was echter afgesloten. „Er stond een rij soldaten voor. Wat nu?” zegt Markus Rindt. Opeens hield iedereen zijn adem in. „Eén man liep door, op de militairen af. En wat gebeurde? Ze weken uit elkaar. Toen ging iedereen er natuurlijk achteraan.”

Ze mochten het gebouw niet in en bleven op straat. Strikt genomen waren ze dus nog niet op West-Duits grondgebied. Het stond daar al vol mensen; veel jonge gezinnen met kinderen en baby’s. „Daar hoorden we dat de DDR een visumplicht voor Tsjechoslowakije had ingesteld. We waren dus net op tijd gekomen.”

Rindt bracht één nacht door in de openlucht bij de ambassade. Veel geslapen heeft hij niet. „Tsjechische mensen lieten ons op het toilet en deelden koffie en thee uit. Dat was bijzonder vriendelijk.”

Op het grote scherm in de zaal verschijnt een persfoto van de menigte voor het paleis. Daar staat hij op, althans, een stukje van zijn kruin. Tussen een groep mensen die rond een draagbare radio doorlopend nieuwsberichten volgde.

Op 4 oktober kwam het gehoopte nieuws: net als op 30 september kwam er opnieuw een eenmalige maatregel om de DDR-vluchtelingen naar West-Duitsland te laten vertrekken.

„Er ging ook ambassadepersoneel mee met ons in de trein. Die mensen merkten dat we zenuwachtig waren. De trein zou over DDR-grondgebied rijden, onder meer door mijn woonplaats Dresden. Maar het personeel zei: U bent eigenlijk al op West-Duits grondgebied, dus wees gerust.”

Een van de diplomaten die in de trein stapten, was militair attaché Adolf Brüggemann. Op 30 september stond hij met minister Genscher op het balkon toen die zijn historische woorden sprak (zie: ”Nooit eerder zag ik zo veel gelukkige mensen”). „Die nacht ging ik mee met de zesde trein. Dat was nodig omdat de mensen bang waren, bijvoorbeeld dat de Stasi de trein zou laten stoppen of dat er mensen zouden worden uitgehaald. Er kwamen ook Stasi-agenten aan boord die paspoorten innamen.”

Bij stations in Oost-Duitsland moest hier en daar langzaam worden gereden of zelfs gestopt. Mensen die langs het spoor stonden, probeerden soms aan boord te klimmen. De politie had er handenvol werk aan iedereen in bedwang te houden. De reizigers draaiden de raampjes open en schreeuwden van alles naar de politie en het publiek. Ambassadepersoneel maande de mensen „niet te provoceren.”

Brüggemann herinnert zich nog dat veel reizigers ook „handenvol Oost-Duitse marken” naar de politie gooiden. „Dat maakte wel duidelijk dat ze echt weg wilden.”

De reis was „absoluut ongelooflijk”, zegt Rindt terugblikkend. „En de ontvangst in Hof was echt geweldig. Daar wil ik nog voor bedanken.”

Planeconomie

Op hetzelfde podium zit Dieter Döhla, toenmalig burgemeester van de stad Hof. Volgens hem was het helemaal niet de bedoeling dat alle reizigers in Hof zouden uitstappen. „Het idee was dat we de nieuwkomers zouden verdelen in Beieren. Maar hoe gaat dat in een vrij land? De mensen stappen uit waar ze willen. En dan kun je moeilijk zeggen: Jij bent bedoeld voor Neurenberg en jij voor Bayreuth. De mensen zouden denken dat West-Duitsland ook een planeconomie had.”

Vanaf die zondag in oktober 1989 voelden velen dat dit om meer ging dan enkele duizenden toevluchtzoekenden. „Voor mij was duidelijk dat het einde van de DDR nabij was”, zegt Werner Mergner, destijds hoofdredacteur van de regionale Frankenpost. „De haat van deze mensen tegen hun eigen regering sprak boekdelen.”

Zo ziet ook jonkheer Georg von Waldenfels het, toenmalig Europaminister van de deelstaat Beieren. „Al enkele maanden voelen we dat er iets onderweg was. De eerste trein luidde het einde van de DDR in. Dit zou niet zonder gevolgen blijven.”

Verlamde

Toen vanaf kwart over zes die zondagochtend de treinen uit Praag op het station in Hof binnenkwamen, maakte Günter Saalfrank zich op om in een dorp in de omgeving te gaan preken. „Ik was predikant in de Evangelische Kirche in Hof, maar die ochtend ging ik voor in Thiersheim”, zo vertelt hij.

De voorgeschreven preektekst kwam uit Johannes 5, over de man die al 38 jaar ziek was. „Die verlamde werd genezen. Ik ervaarde dat als zeer actueel. De mensen in de DDR zaten al bijna veertig jaar in onvrijheid, maar zouden nu bevrijd gaan worden.” Al vanaf zaterdagmiddag wist hij dat er iets in de lucht hing. „Mijn broer was als vrijwilliger betrokken bij het Rode Kruis, en die was opgeroepen. Maar het precieze wist ik niet.”

Zodra Saalfrank terugkwam, deed hij een andere pet op. „Ik werkte ook als journalist voor de Evangelische Pressedienst. Ik ging direct met een camera naar het station.”

Ds. Saalfrank (die tegenwoordig in Hof decaan is: voorzitter is van alle predikanten) ziet Gods hand in de val van de Muur. „Dat dit geweldloos is geëindigd, is het werk Gods. Op 7 oktober kwamen er duizenden mensen op de been voor een demonstratie in Plauen, net aan de andere kant van de grens. De militairen stonden klaar, maar ze hebben niet ingegrepen. Er is ook geen incident geweest dat geweld opriep. Voor mij is duidelijk: de DDR was op alles voorbereid, behalve op kaarsen en gebeden.”

Tien jaar na de val van de Muur nam Saalfrank contact op met de Stasi om zijn dossier in te zien. Vanaf 1975 kwam hij regelmatig in de DDR. In 1983 was hem voor vijf jaar de toegang ontzegd. „In het dossier zag ik dat de Stasi ook in onze kerkelijke werkgroepen in West-Duitsland was geïnfiltreerd. Ik ontdekte daar de schuilnaam van iemand die inlichtingen over mij had doorgegeven. De persoon die daar volgens mij achter zat, heb ik daar later op aangesproken, maar die ontkende alles. Ik weet wel van andere spionnen die zich naderhand hebben geëxcuseerd.”

In zijn contacten met de Stasi leerde Saalfrank ook over plannen van de DDR om alle leden van de oppositie in een gevangenkamp onder te brengen. „Dit was met Duitse Gründlichkeit voorbereid. Ik zie het als Gods leiding dat daar niet van gekomen is.”

„Nooit eerder zag ik zo veel gelukkige mensen”

Het begon in juni van 1989: enkele tientallen DDR-burgers klommen over het hek van de West-Duitse ambassade in Tsjechoslowakije. Rond Paleis Lobkowicz waarin de vertegenwoordiging huist, ligt een ruime parkachtige tuin. DDR-vluchtelingen begonnen daar te kamperen en weigerden terug te gaan.

Ambassadegebouwen worden gerekend tot het grondgebied van het land dat het perceel gebruikt. Daarmee was een stap op het terrein van Paleis Lobkowicz hetzelfde als een vlucht door de inmiddels ondoordringbare Muur.

Het aantal DDR-burgers in Praag groeide, en de West-Duitse radio begon erover te berichten. Hoewel dit verboden was, werd er in de DDR massaal naar de West-Duitse radio geluisterd. Omdat Tsjechoslowakije ook tot het Warschaupact behoorde, konden Oost-Duitsers er moeiteloos naartoe reizen. Daarmee was het hek van de dam.

Het aantal vluchtelingen zwol aan. Het Duitse Rode Kruis zorgde voor tenten en sanitaire voorzieningen. Eind september zaten er 4000 mensen. Naarmate de herfst naderde, drong de vraag zich op of dit zo kon blijven.

De West-Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Hans-Dietrich Genscher, begreep de „toevluchtzoekenden”, zoals hij ze noemde. Zelf was hij als 25-jarige student vanuit de DDR naar West-Duitsland ontsnapt.

Samen met zijn Oost-Duitse en Russische collega’s besloot hij tot een eenmalig vertrek van de DDR-burgers vanuit Praag naar West-Duitsland. Op zaterdagavond 30 september 1989 deelde hij dat persoonlijk mee vanaf het balkon van het Praagse paleis. Dertig jaar later werden tv-beelden daarvan eindeloos herhaald en noemden velen dit een ”Gänsehautmoment” (kippenvelmoment).

Nog diezelfde avond vertrokken er zes treinen met ruim 5000 mensen. De trein ging over het grondgebied van de DDR. In Hof, op het eerste station in de West-Duitse Bondsrepubliek, stapten ze uit.

Op zondag 1 oktober was dit groot nieuws in de West-Duitse media. Onmiddellijk vertrokken er honderden mensen vanuit Oost-Duitsland richting Praag, onder wie gezinnen met zeer jonge kinderen. Op 4 oktober stonden er opnieuw 5000 mensen op en rond het terrein.

De DDR-regering in Oost-Berlijn stelde toen een visumplicht in voor Tsjechoslowakije. De vluchtelingen die er al zaten, zouden opnieuw „eenmalig” mogen uitreizen.

Voor dit tweede transport waren acht treinen nodig, met ten minste 6000 mensen, hoewel schattingen oplopen tot 8000. Opnieuw stapten alle DDR-burgers uit in Hof.

Op het perron stalden het Rode Kruis en de Bahnhofsmission ingezamelde spullen uit: van voedsel en kleding tot kinderwagens. De grote Freiheitshalle werd gevuld met duizenden veldbedden.

Hof ontving de DDR-burgers als helden. „De vreugde en jubel waren grenzeloos”, schreef de regionale krant Frankenpost vorige maand in een terugblik. De toenmalige stationschef, Robert Knieling, die voor het binnenrijden van de extra treinen op het laatste moment zijn schema moest aanpassen, zegt in diezelfde krant: „Ik heb nog nooit zo veel gelukkige mensen gezien als toen.”

serie 30 jaar val van de Muur

Dit is het eerste deel in een serie over de val van het IJzeren Gordijn in 1989.

Lees meer:

De dominee die voor de dictator zorgde (Reformatorisch Dagblad, 09-11-2013)