In de Stormpolder: „Jullie zullen dit overleven, maar ik niet”

Watersnoodramp 1953
Waterkering in de Hollandsche IJssel, met de Algerabrug. Rechts Capelle, links Krimpen aan den IJssel, en boven de waterkering is de Stormpolder te zien, en rechtsboven de Van Brienenoordbrug in Rotterdam. beeld Rijkswaterstaat
3

Dr. Wim Linge uit Berg- ambacht doet al vijftien jaar vrijwilligerswerk voor Dorcas. „Ik weet wat het is om alles kwijt te raken. Door de watersnood.” Die kostte zijn oma het leven.

Het gebeurde in Krimpen aan den IJssel. „De polder heet écht Stormpolder –het is nu industrieterrein–, en het dijkje heette écht Stormpolderdijk”, schrijft Aagje A. Lingen-Pols. En ze noteerde Linges verhaal over de storm van 65 jaar geleden:

„Ik was 9 jaar en (nog) enig kind van Cent Linge (1922-2016) en Johanna Geneugelijk (1922-2011). We woonden eerst zelfstandig aan de Stormpolderdijk, vlak bij scheepswerf Van der Giessen, maar toen opa Linge in 1951 stierf, zijn wij bij opoe Linge in gaan wonen op Stormpolderdijk 132. Ik was heel graag bij haar. Voordat wij bij haar inwoonden, mocht ik vaak bij haar blijven slapen. Ze noemde mij Wimpie.”

Ten tijde van de watersnood was Wims moeder ongeveer vier maanden in verwachting van zijn zus. Hij herinnert zich de alarmerende berichten over hoogwater en nog hoger water. „Mijn ouders wilden naar de kantine van Hollandia vluchten, een bedrijf verderop langs de Stormpolderdijk, maar opoe wilde niet. Ze zei: „De vorige keer (1916) is er ook niets gebeurd, ons huis bleef toen óók staan.”

Dus wij bleven. Toen het water over de dijk kwam, brachten mijn ouders zo veel mogelijk huisraad naar boven. Beneden kwam het al blank te staan. Op het laatst zaten we allemaal op de bovenverdieping, waar ook al snel het water kwam.”

Teertonnen

„Door een raampje boven hebben we de dijk door zien breken. Eerst kwam het water eroverheen. Het kalfde de binnenkant van de dijk af, waarna hij doorbrak. Het water gutste voor onze ogen de Stormpolder in. Het werd één donkere watermassa in de polder.

Opoe en ik zaten intussen in één deken gewikkeld tegen de schoorsteen die midden op de zolder het dak uitging. Toen kwamen de tonnen van de Koolteerfabriek, voortgestuwd door wind en water, met rap tempo op ons huis aan. Mijn vader zat voor het raampje van de achtergevel en mijn moeder bij dat van de voorgevel om op te letten wat er gebeurde als die tonnen tegen onze gevels botsten.

Dat ging zó hard dat eerst de voorgevel en daarna de achtergevel instortte. Op dat moment zei opoe tegen mij: „Wimpie, jullie zullen dit overleven, maar ik niet.” Dat was het laatste wat ik van haar hoorde. Daarna stortte het dak in.”

Door het gat

„Opoe en ik zaten in het midden op de zoldervloer, onder de nok. Vader en moeder sprongen het water in en hielden zich vast aan de dakrand. Mijn vader, die kon zwemmen, klom eerst het dak op en toen hoorde hij mij gelukkig schreeuwen: „Papa, papa.” Hij stak zijn hand uit door het gat waar de schoorsteen had gezeten en trok mij naar boven, ook het dak op.

Toen liep alles onder water. Mijn vader heeft nog geprobeerd opoe (zijn moeder) onder water te zoeken, maar vond haar niet. Daarna heeft hij samen met mij mijn moeder, die niet kon zwemmen en nog aan de dakrand hing, het dak opgetrokken. Daar hebben we met z’n drieën ongeveer een halfuur kletsnat in de kou gezeten. Ik had alleen m’n pyjama aan.”

Dak naar de dijk

„Het dak met ons erop dreef langzaam richting de dijk. Aan een houten lantaarnpaal konden we zien waar die was. Mijn vader wilde met ons over de Stormpolderdijk naar het dijkhuis van buurman Buijs lopen/waden, dat nog stevig overeind stond. Het was ongeveer 200 meter lopen.

Maar hoe vind je een dijk ónder water en hoe weet je waar er nog meer dijkdoorbraken zitten? Dat was een heel spannende onderneming. Ik hing tussen mijn vader en moeder in, anders zou ik te veel onder water terechtgekomen zijn. We liepen in zo’n 70 centimeter water. Gelukkig was er geen gat meer onderweg en kwamen we bij het dijkhuis van de buren aan. Daar hebben we in de kou gezeten tot het pontje Stormpolder-Bolnes ons kwam redden. Intussen was het zondagmorgen 1 februari.

Opoe heeft gelijk gehad: wíj overleefden de ramp en zíj niet. Enkele dagen later begon het leegpompen van de polder. Opoe werd gevonden in een sloot achter de plaats waar ons huis had gestaan. Opoe Lena Linge-Vuik was 78 jaar. Niemand praatte meer over haar, ik heb haar niet meer mogen of kunnen zien en ben niet bij haar begrafenis geweest. Tegenwoordig zou je met zo’n ramp allerlei hulp krijgen om het te verwerken. Dat was in die tijd absoluut niet aan de orde.”

Alles kwijt

„We werden naar het verenigingsgebouw gebracht onder aan de Tuinstraat, dat ingericht was voor noodopvang. Alle natte kleding uit en onder de wol om warm te worden. Daarna werd er voor ons een tijdelijke woonplek gezocht. Ik kwam in een ander huis terecht dan mijn ouders. Ik moest naar tante Geertrui, een zus van mijn vader, en mijn ouders gingen naar oom Jan, mijn vaders oudste broer. Daar hebben we ongeveer drie maanden gewoond, gescheiden van elkaar.

Ik kreeg vreemde kleding aan en moest daarmee naar school. Dat vond ik verschrikkelijk. Er was helemaal niets van mijzelf bij. Ik was immers álles kwijt. Het heeft wel een week of vijf geduurd voordat ik naar school wilde in die vreemde kleding.”

Amfibievoertuig

„Na drie maanden kregen wij onderdak bij de familie Neven op de IJsseldijk. Dit gezin stond een gedeelte van het huis af, waar wij zelfstandig konden wonen. Daar is in juni mijn zusje geboren. Ze heet Neeltje Lena, naar beide oma’s. Ook ben ik met mijn vader mee geweest naar de Zuid-Hollandse eilanden om te helpen opruimen. Ik zie mezelf nog door het water rijden en varen met zo’n amfibievoertuig. Daar heb ik veel gezien. In Stormpolder ben ik na de ramp een tijdlang niet geweest.

Later werden er, speciaal voor de ‘Stormpoldermensen’ die hun huis kwijt waren geraakt, in de Julianastraat duplexwoningen gebouwd. Mijn vader vond het daar helemaal niet fijn. Hij wilde eigenlijk alleen maar in de Stormpolder wonen, maar dat kon niet meer.”

Dicht bij de Stormpolder kwam in 1958 de stormvloedkering in de Hollandsche IJssel gereed, als eerste van een lange reeks maatregelen om de veiligheid te verbeteren.