Hoe Blankenburg werd weggevaagd door industrie

Nog een keer ging de familie in 1965 kijken bij hun woning, die een dag later werd gesloopt. beeld Wim en Leo van Oudheusden
3

Zonder slag of stoot verdween het dorp Blankenburg in de jaren zestig van de kaart. Ten prooi aan de oprukkende industrie van de Botlek, die als een wals over het Zuid-Hollandse eiland Rozenburg trok. Het gezin Van Oudheusden verliet Blankenburg als laatste. Zoon Wim (76) houdt de herinnering aan zijn jeugd levend.

Een mooi dorp op een mooi eiland was Blankenburg, zegt Wim van Oudheusden, een vitale zeventiger uit Maarssen, die er is geboren en getogen. Een hechte gemeenschap van ongeveer 400 mensen, waarvan veel bewoners de kost verdienden in de landbouw. Blankenburg telde een paar straten met zo’n 120 huizen, drie bakkers, twee kruideniers, een schoenmaker, twee fietsenwinkels, een winkel in huishoudelijke artikelen, een smederij, een paar bouw- en timmerbedrijfjes, een café, een school met onderwijzerswoning en een achttiende-eeuws gerechtsgebouw. De Nederlands hervormde kerk uit 1659 was al in 1935 gesloopt, de kerktoren volgde in 1951. Blankenburgers kerkten vanaf 1935 in Rozenburg, waar de nieuwe Immanuëlkerk stond.

Het dorp lag midden in eeuwenoud agrarisch gebied, omringd door tuinderijen, akkers en weidevelden, kronkelende boerenweggetjes en knotwilgen langs sloten. Met, langs de monding van de Maas, De Beer, een ongerept natuurgebied vol eindeloze rietlanden en ontelbare vogels. Prins Bernhard kwam er graag jagen. Een paradijsje was het voor Van Oudheusden en andere kinderen die er woonden. „Wij speelden altijd buiten.”

Chemiewoud

En kijk nu eens: waar ooit Blankenburg lag, staat het formidabele complex van de chemische fabriek Huntsman, voorheen ICI. Met daaromheen, zo ver het oog reikt, het onafzienbare stalen chemiewoud van schoorstenen, installaties, kranen en pijpleidingen van de Botlek. Niets, werkelijk niets is er over van Blankenburg. Alleen de naam leeft voort: in die van een voetbalclub, een apotheek en een zorgcentrum.

Van Oudheusden: „Blankenburg is compleet weggevaagd. Ik rijd soms met bus 105 vanuit Spijkenisse bijna over de plek waar mijn geboortehuis heeft gestaan, maar je herkent niets van vroeger. Alles is gesloopt en daarna bedolven onder een vijf meter dikke zandlaag.”

Toch klinkt er geen spijt in zijn woorden. Want het is gegaan zoals het is gegaan. „Je moet het ook in het licht van die tijd zien. Na de oorlog leefde sterk het besef: we moeten de economie opbouwen. De Rotterdamse haven ging uitbreiden, er was ruimte nodig voor industrie die welvaart en vooruitgang zou brengen. Daar hadden de bewoners van Blankenburg zelf ook alle begrip voor. Voor de bulldozers verschenen, hadden ze zich er al mee verzoend dat het afgelopen was.”

Van Oudheusden begrijpt de gelatenheid wel waarmee de Blankenburgers zich uit hun dorp lieten verjagen. „Voor de meeste mensen betekende het een vooruitgang. Ze kregen voor het eerst een fatsoenlijk huis en vonden werk in de opkomende industrie. Dat werd veel beter betaald dan boerenarbeid, met overwerktoeslagen en vakantiegeld. Uitgekochte boeren begonnen, met financiële steun van de overheid, elders opnieuw.”

Gedwee vertrek

Een eeuwenoud dorp dat moet wijken voor industrie, een groot en waardevol natuurgebied dat, zonder dat er ooit een woord aan vuil wordt gemaakt, opgeofferd aan de vooruitgang: het zou tegenwoordig tot grote maatschappelijk onrust leiden. Kamervragen, protestacties, blokkades, schuimbekende discussies op de sociale media.

Maar de teloorgang van het Rozenburgse cultuurlandschap interesseerde destijds niemand en in Blankenburg zelf werd alleen over de hoogte van de verhuisvergoedingen en de uitkoopsommen voor de boeren soms wat gesteggeld. Verder deden de bewoners gedwee wat hen op 23 november 1960 per brief door het gemeentelijk havenbedrijf was gesommeerd: vertrekken.

Omdat er voor het grote gezin Van Oudheusden niet zo snel een geschikt huis kon worden gevonden, waren zij de laatste Blankenburgers die in november 1965 hun woning, gevestigd in een oude school, achterlieten. Van Oudheusden: „Op vrijdag en zaterdag verhuisden we, op zondag gingen we nog naar ons oude huis kijken en op maandag werd het gesloopt. Ze hadden haast, hè.”

Dromerig dorpje

Van Oudheusden en zijn inmiddels overleden broer Leo begonnen al ver voor de sloop foto’s te maken van het dorp. De verstilde beelden tonen een pittoresk agrarisch plaatsje, dat vandaag de dag ongetwijfeld een monumentale status zou hebben gekregen.

Een dromerig dorpje waarvan de dijk- en polderwegen pas na de oorlog namen en huisnummers kregen.

De foto’s laten ook zien hoe rap de industrie oprukte. Eerst nog op afstand, gaandeweg dichterbij. Lege, al verlaten huizen die er op de ene foto nog staan zijn op de volgende gesloopt. Blankenburg verandert binnen vijf jaar in een spookdorp.

De sloop was, achteraf bezien, niet eens nodig geweest, zegt Van Oudheusden. „Als de spoorlijn over de Botlek en de A15 naar Europoort ten zuiden van de Britanniëhaven was ingetekend.” ”